Oprichter van de Rode Brigades is de bekendste gevangene van Italie; Renato Curcio vraagt strafvermindering

ROME, 6 AUG. De bekendste gevangene van Italie is een bebaarde man van 49 jaar die al zestien jaar vastzit maar nooit iemand heeft vermoord: Renato Curcio, de oprichter en ideoloog van de Rode Brigades, de linkse terreurgroep die in de jaren zeventig verantwoordelijk was voor de dood van tientallen 'imperialisten, vijanden van de werkende klasse, lakeien van de multinationals' en andere rechters, ondernemers en politie-agenten.

Curcio is de centrale figuur in een debat over de vraag of er ooit een streep kan worden gezet onder de terreur van toen. Hij heeft nooit zijn terroristische verleden afgezworen, nooit naar familieleden of naar de Staat een of andere vorm van berouw getoond, maar schreef in een brief aan minister van justitie Claudio Martelli dat het een teken van “sociale rijpheid” zou zijn om te besluiten tot strafvermindering of gratie voor de brigadisten die nog gevangenzitten.

Curcio sprak over “fouten” die zijn gemaakt en over “de nieuwe en verzoenende benadering die de tijd mogelijk maakt”. Hij suggereerde een politieke oplossing, waarin het parlement een aantal anti-terrorismewetten ongedaan maakt omdat er geen terreurdreiging meer is. Dit zou betekenen dat de strafverzwaring voor een aantal gevangen brigadisten vervalt en dat zij binnen afzienbare termijn zouden vrijkomen.

Curcio vermeed in zijn brief om over gratie voor zichzelf te praten. Vorig jaar heeft zijn moeder een brief gestuurd aan president Cossiga met een verzoek om gratie. In een bijdrage aan het weekblad L'Espresso over de zaak-Curcio heeft Cossiga zich daar positief over uitgelaten.

Ook minister Martelli, die in mei een gesprek heeft gehad met Curcio in de Romeinse Rebibbia-gevangenis, is voor vrijlating van de ideoloog van de Rode Brigades. In een reactie op Curcio's brief zei Martelli dat deze “intellectueel en moreel afstand” heeft genomen van de Rode Brigades en nu een ander mens is.

Martelli heeft wel gezegd dat hij ten aanzien van de gevangen brigadisten onderscheid wil maken tussen degenen die betrokken zijn geweest bij aanslagen en degenen die niet hebben gemoord.

Andere politici hebben Martelli gesteund. De christen-democraat Flaminio Piccoli zei dat het geen zin had iemand nog langer vast te houden die, mede doordat hij snel is gearresteerd, nooit rechtstreeks betrokken is geweest bij een van de aanslagen van de Rode Brigades. Curcio kan nog nuttig zijn voor de samenleving, zei Piccoli.

Maar de familieleden van de slachtoffers van de Rode Brigades en de meeste Italianen willen dat Curcio nog lang de bekendste gevangene van het land blijft, in ieder geval tot 2002, het jaar waarin zijn straf afloopt. Bij een opiniepeiling die het weekblad L'Espresso gisteren publiceerde, antwoordde 61 procent van de ondervraagden dat Curcio zijn straf moet uitzitten.

De discussie heeft boze en emotionele reacties losgemaakt. Ulderico Tobagi, de vader van een journalist die in 1980 door linkse terroristen is vermoord, zei dat gratie “een obsceniteit” zou zijn. “Wie zich vergist, moet betalen,” aldus Tobagi.

Het vasthouden van Curcio en anderen is volgens Tobagi een teken van “respect voor alle slachtoffers van het terrorisme, voor ons verdriet, voor alle tranen die ze hebben doen vergieten.”

Veel andere familieleden en een aantal politici hebben zich in vergelijkbare bewoordingen uitgelaten. Het terrorisme is “een fenomeen dat teveel rouw heeft veroorzaakt om makkelijk te vergeten,” zei Enzo Palumbo, verantwoordelijk voor justitie in de kleine Liberale partij.

Daarbij wordt vaak opgemerkt dat Curcio, in tegenstelling tot veel van zijn voormalige kameraden, nooit openlijk berouw heeft getoond, nooit excuus heeft gevraagd aan familieleden van de slachtoffers, nooit het terrorisme heeft verworpen. Hij heeft alleen maar gezegd dat de fase van de gewapende strijd voorbij was.

In zijn brief aan Martelli schrijft Curcio hierover: “Er is geen oplossing mogelijk voor het persoonlijk leed. Verzoenende woorden vermogen weinig.” Hij noemde het wel zijn “sociale plicht” om de “volle verantwoordelijkheid te nemen voor het lijden dat is veroorzaakt.”

Los van het thema van straf speelt in de discussie ook de vraag of de staat met een eventuele amnestie voor Rode Brigadisten niet impliciet instemt met de analyse van Curcio en andere ex-brigadisten. Deze wijzen in hun pleidooi voor een “politieke oplossing” steevast op de situatie in het begin van de jaren zeventig waarin het terrorisme opkwam, met daarbij de suggestie dat de keuze voor het terrorisme in die omstandigheden een logische keus was.

Voor ex-terroristen zouden in die analyse geen strafverzwarende, maar juist straf-verminderende bepalingen moeten gelden, op voorwaarde tenminste dat zij erkennen dat nu de omstandigheden zijn veranderd.

Iets dergelijks zei de 40-jarige Susanna Ronconi, veroordeeld wegens haar rol in acht moordaanslagen: “Elf jaar na het einde van het terrorisme en nadat de groepen hun nederlaag hebben geaccepteerd, moet de strafvermindering alle 300 politieke gevangenen aangaan, zonder uitzonderingen.”

Ronconi heeft geprofiteerd van een vorm van strafverlichting voor terroristen die hun verleden openlijk hebben afgezworen. Zij werkt overdag in een opvangcentrum voor buitenlandse immigranten in Turijn. Dit verschil in behandeling tussen de spijtoptanten die strafverlichting hebben gekregen en de mensen die niet openlijk zeggen dat zij zich hebben vergist, is een ander element dat Curcio aanstipt in zijn brief.

Zaterdag liet Curcio zich met een paar andere ex-brigadisten interviewen door Italiaanse journalisten. “Als de staat werkelijk een streep wil zetten onder die jaren moet zij kiezen voor strafkwijtschelding,” zei Luigi Novelli. “Dat zou betekenen dat onze straf verandert van levenslang in 21 jaar. Dat is geen clementie, maar rechtvaardigheid.” Een collega, Maurizio Jannelli (ook levenslang): “Het zou mooi zijn als uit ons lot het woord 'nooit' verdween. Nooit meer buiten, nooit meer een ander leven.”

Maar familieleden van de slachtoffers blijven zeggen: wij krijgen onze man, onze vader, onze vrienden, nooit meer terug. Nooit.