Onderzoek VOC bracht Australie nauwelijks naderbij; Zuidlanders op bestelling

Winzucht en godsvrucht, tot deze twee kwalificaties wordt het wezen van de Verenigde Oostindische Compagnie meestal teruggebracht.

Wetenschappelijk onderzoek bij de VOC heeft men in die optiek altijd en bij voorbaat als een doodgeboren kindje beschouwd. Toch zijn juist handelsgewin en godsdienstijver de drijfveren geweest die bij de Compagnie tot uiteenlopende vormen van onderzoek hebben geleid. Hoewel er over de wijze waarop dit plaats vond van mening kan worden verschild, ging de VOC van het principe uit dat zij het meest gebaat was met een gedegen kennis van land en volk waar men mee te maken had. Tegen het einde van de zeventiende eeuw was het daarom normaal dat hoge Compagniesambtenaren, naast een verslag van hun financiele verrichtingen voor de Heren Bewindhebbers, tevens rapport opmaakten van alles wat er opmerkelijk was aan het betreffende land en zijn bevolking. Wel lag het in de aard van de onderneming dat de resultaten van dit onderzoek alleen voor intern gebruik waren en niet voor pottekijkers.

Behalve door eigen onderzoek maakte de Compagnie in gebieden waartoe zij moeilijk toegang kreeg ook gebruik van een tactiek die als een 'omgekeerde' vorm van antropologie gezien zou kunnen worden. Deze kwam er op neer, dat men 'wilden' ving, hen probeerde te 'temmen', om hen als de tijd daarvoor rijp was weer als 'lokeend' uit te zetten. De VOC hoopte op die manier niet alleen wat meer van de inheemsen te weten te komen, maar bovenal de ogen van deze heidenen te openen voor de vreugden en geneugten van de Compagnie en het Christendom. In oude boeken en documenten staan tal van voorbeelden van dergelijk handelen.

Ramp

Uit uiteenlopende bronnen laat zich summier het vervolg lezen van het trieste lot van twee Aboriginals uit Australie die in het begin van de achttiende eeuw met zeven anderen om onderzoeksredenen gevangen waren. Op verzoek van de geleerde burgemeester en VOC-bewindhebber Nicolaes Witsen (1641-1717) werden zij naar Amsterdam opgestuurd om door hem te kunnen worden 'geobserveerd'.

Aan het einde van de zeventiende eeuw was nog maar weinig bekend van Australie, toen nog het onbekende Zuidland geheten. De enkele verkenningstochten die men had ondernomen waren vrijwel zonder uitzondering op een ramp uitgelopen: gestrande schepen, incompetente bemanning en slachtpartijen door de inboorlingen waren hier de oorzaak van. De verhalen die er over deze 'Zuidlanders' de ronde deden, hadden in de loop der tijd mythische proporties aangenomen: zij waren reusachtig groot en sterk, ze hadden botten door hun neuzen gestoken en hun bovenlip was zodanig opgesneden dat je tot achter in de keel kon kijken.

Bovendien waren ze zo wreed en moordlustig, dat het zijn weerga niet kende.

Op last van de immer nieuwsgierige Witsen kreeg in 1698 een nieuwe expeditie om die reden als bijzondere instructie mee zo'n Zuidlander te vangen en hem mee naar Amsterdam te nemen. Witsen liet over de hele wereld onderzoek doen: zo'n spectaculaire wilde wenste hij zelf ook wel eens onder ogen te krijgen. Op de expeditie, die tevens bedoeld was om te kijken wat er van de bemanning van het vorige schip was overgebleven, had men zich goed voorbereid. Er waren speciaal ongetrouwde en besluitvaardige mannen uitgezocht, men had tekenaars aan boord gehaald en bovendien had men vast wat Hottentotten en 'Indianen' van de Kaap de Goede Hoop meegenomen die in 'menigderley talen ervaren' waren. Helaas bleken ondanks deze maatregelen de Zuidlanders harder te kunnen lopen dan de bemanning en ook was de schipper volgens een boze Witsen te zeer aan de drank gegaan om zich met ernst van zijn bijzondere taak te hebben kunnen kwijten.

De gedachte om ook inboorlingen en andere levende en dode curiosa als object van onderzoek met de zeilschepen op reis te sturen was niet zo uitzonderlijk. Immers, hoe verder men reisde, hoe meer de wereld bevolkt bleek te zijn met een nog groter assortiment vreemde wezens en duivelse creaturen dan een angstige - met hel en verdoemenis opgegroeide - matroos in zijn koortsige brein kon bedenken. Hiertoe behoorden zeker ook de griezelig uitgedoste en wat betreft het 'ware geloof' nog in duisternis verkerende volksstammen.

Grenzen tussen wat fantasie en wat werkelijkheid was, konden dikwijls moeilijk worden getrokken. Want waarom zouden verhalen over stammen zonder hoofd of met een been gelogen zijn, terwijl op de Kaap Hottentotse vrouwen rondliepen met schaamdelen die als een 'schort van vlees' onder hun buik hingen - zoals elke schepeling die er een beetje tabak voor over had kon zien? En wat te denken van die verhalen over doofstomme bediendes, die later gedresseerde mensapen bleken? Al deze zaken dienden aan het eind van de zeventiende eeuw te worden uitgezocht.

In het prachtige boek Reizen over Moscovie, door Persie en Indie uit 1711 maakt de schilder Cornelis de Bruyn, een beschermeling van Witsen, voor het eerst van de Zuidlanders gewag. In 1706 zag hij er vier gevangen zitten in 'Het Kasteel' van Batavia, waar de burelen van de Compagnie gevestigd waren. Zij zaten daar al een jaar. Als zij in vrijheid teruggezonden zouden worden, zo werd hem verteld, dan zouden zij hun landgenoten over de Compagnie kunnen vertellen en misschien als intermediair in de handel kunnen optreden. Hoewel tien jaar daarvoor de instructie van Witsen c.s. nog luidde dat de Zuidlanders via aankoop of uit eigen wil verworven moesten worden “tot leering van de Nederlandsche spraek, om zoo van alles verslag te konnen doen”, was het de VOC uiteindelijk alleen met geweld gelukt ze uit hun land te halen. En ook de methode om ze onze taal te leren bleek weinig zachtzinnig. Ze waren tewerkgesteld, zo leerde men De Bruyn, op de schepen 'en elders'. Aanvankelijk waren het er negen, maar drie vrouwen had men vrijgelaten, terwijl twee anderen waren ontsnapt. In De Bruyns boek staat een martiaal portret van een van hen.

Schilderij

Twee van deze Zuidlanders werden naar Nederland gestuurd. In 1708, twaalf jaar nadat Witsen zijn bestelling gedaan had, kon hij ze ten slotte aanschouwen. De vraag rijst wat hij nu eigenlijk met deze mensen, zijn 'Antipoden', voor had. Aan zijn nieuwsgierige en geleerde vriend, de Deventer burgemeester Gijsbert Cuper, vertelde Witsen dat hij ze op schilderij had laten zetten. (Of deze twee portretten nog bestaan is onbekend.) Daarna had hij ze laten ondervragen door een paar matrozen die in de Oost waren geweest. In Batavia hadden de Zuidlanders een paar woorden Maleis opgedaan “Of hun koning in net zo'n mooi huis als burgemeester Witsen woonde?”, was hun eerste vraag. Daar moesten zij wel om lachen: “Hun stamhoofd had alleen een hut”, zeiden zij, “net als zij allemaal.”

Vanzelfsprekend was de volgende vraag tot welke godsdienst zij behoorden. De matrozen kwamen er echter niet achter of ze uberhaupt in een god geloofden, of dat zij eerder aanbidders van de zon, de maan en de sterren waren. Wat de Zuidlanders wel duidelijk konden maken was dat zij in geen geval naar Batavia terugwilden, daar moesten zij veel te hard werken. Bovendien waren zij bang als slaven verkocht te worden.

Om het goed met ze te maken kreeg een van hen daarom als timmerman werk op de werf en, had zijn baas gezegd, hij leerde goed. Maar de ander deed niets en was ongeschikt voor alles. Als iemand vroeg of ze getrouwd waren, barstte deze altijd in huilen uit, waaruit men toen de conclusie trok dat hij vrouw en kinderen had.

Een halve aardbol van hun woonstee verwijderd, hebben de twee Zuidlanders het daarmee verder mogen doen. Vast staat dat de Compagnie Australie met zulke kennis niet heeft weten te veroveren. En Witsen zelf was inmiddels te oud om de geleerde wereld van zijn observaties nog op de hoogte te stellen. Foto F. Andre de la Porte