Nationalisme als politiek fenomeen ernstig onderschat; De natie-staat, toeval en taaiheid

In diverse delen van de wereld wankelen de bestaande staatsstructuren. Of we nu naar de Sovjet-Unie kijken, India of Ethiopie, overal gaat deze desintegratie gepaard met de opkomst van onafhankelijkheidsbewegingen. Maar niet alleen ver weg, ook dichter bij huis, in Duitsland en nu op de Balkan, is de afgelopen jaren een opleving te bespeuren van etnische, religieuze, regionale conflicten en-of van het fenomeen nationalisme.

Zo domineren de begrippen natie, nationaliteit, nationalisme en zelfbeschikkingsrecht opnieuw het debat over de ontwikkelingen in de wereld. Wat in dit debat opvalt is dat de meeste denkers en doeners in het Westen naar gebeurtenissen als op de Balkan kijken als de kat naar de zondag. Dit onbegrip is het gevolg van de onderschatting van het nationalisme als politiek fenomeen en van de gebrekkige theorievorming erover.

Deze gebrekkigheid is begrijpelijk genoeg. Het nationaliteitenvraagstuk is oeverloos en in algemene zin onoplosbaar. Alleen al omdat in de natie het bijzondere zich tegen het algemene verheft, duldt het vraagstuk geen dogmatische formuleringen. Daarbij weerspiegelt de hele keten van verwachting, hoop, ontgoocheling en catastrofe die de geschiedenis van het nationalisme is - zowel voor 1945 als daarna - zich in de terminologie, wat de verwarring slechts heeft vergroot. Nationalisme kan links zijn of rechts, progressief of reactionair, onderdrukkend of bevrijdend, alles is mogelijk en er is niemand die het in een theoretisch kader heeft weten te plaatsen.

De meeste sociale wetenschappers hebben een blinde vlek voor het nationalisme, een handicap die, zoals bekend, niet zelden wordt gecompenseerd met de bewering dat men het allemaal toch heel goed ziet. Zo meenden de progressieven onder hen dat Marx' boodschap van het Grote Ontwaken door een fatale vergissing van de post niet bij de klassen maar bij de naties was afgeleverd. Met Lenins imperialisme-theorie wisten ze alle maatschappelijke veranderingen na 1800 alsnog met een even dynamische als sluitende economische wet te verklaren. Het kapitaal zou, zo zeiden ze Lenin na, uiteindelijk toch de nationale scheidingsmuren opheffen.

Collega's die behoefte hadden aan een niet-marxistische maar even dynamische en plausibele redenering kwamen vervolgens met de 'moderniseringstheorie' op de proppen. Hierin werd het nationalisme gezien als een soort schokbumper, tijdelijk noodzakelijk om de grote en snelle veranderingen in de maatschappij emotioneel en sociaal te kunnen opvangen. In het verlengde hiervan doen velen in het Westen het nationalisme in Midden- en Oost-Europa nu af als 'overgangsfenomeen', als simpele reactie op de complexe situatie na het einde van de tirannie, die mettertijd wel zal wijken voor betere oplossingen.

Bekijken we het nationalisme in zijn historische ontwikkeling, dan blijkt dat dit fenomeen voortdurend van aard en betekenis is veranderd. Nu eens lijkt de factor 'economische wetmatigheid' de overhand te hebben, dan weer het zichzelf regulerende, 'natuurlijk' organisme van de sociaal-psychologische compensatie. Slechts een factor duikt, als men goed kijkt, evenwel telkens weer op. Dat is de factor macht, een uitermate verwaarloosd begrip in zowel de sociale als politieke wetenschappen. Macht is de centrale factor in elk model van nationalisme. En het is niet een ongrijpbare, amorfe macht. Bij nationalisme hebben we te maken met bepaalde groepen. Of het nu om onderdrukte minderheden gaat of om elites, we hebben altijd te maken met mensen.

Wat is nationalisme? Volgens de gangbare uitleg is het de overtuiging dat de politieke en nationale eenheid moeten samenvallen. Is dat gebeurd maar is men nog niet tevreden en wil men de eigen staat laten gelden voor, boven en ten koste van andere staten, dan moeten we eigenlijk van hypernationalisme spreken. Het nationalisme is dus in eerste plaats een politiek principe. Die politieke eenheid is de staat die, in navolging van de Duitse socioloog Max Weber, wordt gedefinieerd als het agentschap binnen een samenleving die het monopolie bezit op gelegitimeerd geweld. Voor het ontstaan van nationalisme moet de staat dus al als een vanzelfsprekendheid worden aanvaard. Tal van stammen - Berbers, Pushtu, Papoea's - zijn wel een natie maar niet nationalistisch omdat ze geen staat (willen) kennen.

Wat is een natie? We weten het allemaal, als ons maar niet wordt gevraagd het uit te leggen. De termen zijn even vaag en nutteloos voor de orientatie van de reiziger als wolken in vergelijking met verkeersborden langs de weg. De objectieve criteria - taal, etniciteit, gemeenschappelijke geschiedenis en-of cultuur - worden steeds minder geaccepteerd, en evenmin het subjectieve, voluntaristische criterium zoals de Fransman Ernest Renan dat in 1882, met een schuin oog naar de verloren Duitstalige Elzas, formuleerde: “Een natie is een dagelijkse volksstemming”. Met andere woorden: mensen vormen een natie als ze dat willen, zoals de Amerikanen. In beide gevallen blijken er evenwel te veel uitzonderingen te zijn om deze regels te kunnen hanteren. Er zijn bijvoorbeeld duizenden taalgroepen, terwijl maar een fractie daarvan nationalistische tendensen vertoont. Men kan een natie daarom niet van te voren onderscheiden van andere eenheden, zoals men een olifant van een giraf kan onderscheiden. Dat kan alleen achteraf.

Maar waren de equivalenten van patriottisme en nationalisme dan niet altijd al aanwezig, en hebben ze in de loop der tijden niet alleen wat meer omlijnde trekken gekregen? En is, in Europa althans, de gemeenschappelijke basis van alle nationale ontwikkelingen daarom niet de objectieve drang naar culturele, politieke, sociale en ook taalkundige differentiatie? Dat is waar. Uit deze drang groeide het statensysteem van het oude Europa, maar niet dan nadat het met de macht van het Romeinse Rijk gedaan was.

Ook waar is dat ten tijde van de absolutistische vorsten de dominante cultuur en taal steeds afhankelijker werden van het centrum, al kwam deze centralisatie, of zo men wil nationalisering, niet zozeer voort uit een nationale gedachte of een maatschappelijke eenheid. Dat gebeurde pas met de grote revoluties van de zeventiende en achttiende eeuw in Engeland en Frankrijk. Die leidden een verandering in de algemene verhouding tussen de politieke en maatschappelijke krachten in, en voerden het lang voorbereide proces van nationalisering naar zijn laatste en beslissende stadium.

En de criteria die in deze laatste fase, die van het bewuste nationalisme, werden gebruikt om de natie te omschrijven vormden niet zelden eerder een handig onderscheid of acceptabele rechtvaardiging voor de andere redenen die men had om zich als 'natie' te willen verenigen, afscheiden of versterken. Een van die andere redenen was veelal de simpele 'Wille zur Macht' van allerlei (sub-)elites die gebruik maakten van veranderingen in de machtsconstellatie. Vervolgens sneden ze op creatieve wijze de geschiedenis op maat van het gehanteerde criterium. Historische vergeetachtigheid en vergissingen zijn, aldus Renan, een essentieel element bij de vorming van een natie.

Dat de argumenten varieren naar behoefte, liet driekwart eeuw later ook de Nederlandse historicus Johan Huizinga zien. Begin 1940 schreef hij, ongetwijfeld met het oog op het weerbaar maken van het Nederlandse volk tegen de nazi-dreiging, in Patriottisme en nationalisme dat de middeleeuwen tal van voorbeelden hadden laten zien van levendig nationaal bewustzijn en zelfs van regelrecht nationalisme. Na de catastrofe, in 1945, hekelde hij in Geschonden Wereld de “bijna alom heersende overschatting en misvatting van het begrip nationaliteit”. Zijn argument: “In de meeste gevallen zijn de natien, die velen tegenwoordig als een soort oerwezens willen laten gelden, het nog zeer jonge eindproduct van een historisch proces, waarin de staatkundige omstandigheden, dikwijls van incidenteelen, toevalligen en voorbijgaanden aard de hoofdfactor zijn geweest”. Nu was voor hem een volk of natie “een ideaal, een aspiratie, geen vastomlijnde werkelijkheid; het best zou men misschien zeggen: een solidariteit”. Zo'n definitie bood meer perspectief voor de toekomst.

In de jaren tachtig hebben de Britten Ernest Gellner, politicoloog-filosoof, en Eric Hobsbawn, historicus, het recente karakter van de natie onderstreept. Gellner beschouwt naties “als een natuurlijke, van God gegeven manier om de mensen te classificeren, als een inherente maar lang uitgestelde politieke eindbestemming, een mythe”. De natiestaat is voor hem de geschiktste vorm bij een bepaalde hoogwaardige industriele produktiewijze in een samenleving die in de ban is geraakt van economische groei, rationaliteit, orde en efficiency. Hij hanteert dus een economische moderniseringstheorie. Hobsbawm legt bij het ontstaan van naties de nadruk op het meer politiek getinte element “kunstmatigheid, uitvinding en sociale maakbaarheid”. Daarom concludeert hij dat in de laatste twee eeuwen naties geen staten en nationalisme creeerden, maar dat het omgekeerde het geval was, dat ze vooral 'van bovenaf' zijn geconstrueerd. Hoe en door wie, legt hij helaas niet uit.

Zij zijn dus niet veel verder gekomen dan Huizinga. Die schreef over de negentiende eeuw als 'eeuw van nationaliteiten en hun eis van zelfstandigheid' al: “Ziet men goed toe, dan is het subject dat die eischen stelt altijd een politieke formatie en nooit een natie in haar primaire gedaante. Een natie als zoodanig treedt niet op als handelende figuur in de geschiedenis, al kan men hier en daar met zeker recht van volksopstanden spreken”.

Hoe zagen deze politieke formaties er uit? De Duitse historicus Theodor Schieder onderscheidde in 1965 drie stadia in de geschiedenis van het nationaliteitenprincipe: de Westeuropese, de Middeneuropese en de Oosteuropese. In Engeland en Frankrijk vormde zich de moderne nationale staat door een interne revolutie, waarin de brede politieke formatie van 'de burgers' een reeds bestaande staat uiteindelijk opnieuw stichtte op het fundament van de volkswil. Het staatsburgerschap, niet taal of wat dan ook, was het criterium voor nationaliteit. In de woorden van Abbe Sieyes: een natie is een geheel van verenigde individuen die onder een gezamenlijke wet staan en door dezelfde wetgevende vergadering worden vertegenwoordigd. De moderne natie was dus een creatie van revolutionaire emancipatie. Wat de natie bond, waren de algemene belangen tegenover de privileges. Het was een drastische herverdeling van de politieke macht. Van nu af domineerde de gedachte dat staatsgeweld alleen zijn legitimatie vindt in de wil van een natie. Foto: Uiting van Vlaams nationalisme. (Foto Paul Melaart B.V.)