'Kijken naar de tradities van een club'

Van verhalen die uitsluitend ingaan op de inhoudelijke kant van zijn vak leest hij doorgaans alleen de koppen. Hans Dorjee (49), trainer van Feyenoord, komt uit de Rotterdamse hoek waar hij als voetballer onder meer werd gevormd bij DHC en Xerxes. Daar moet hij al iets hebben meegekregen van de no-nonsense mentaliteit waarmee Dorjee zijn vak benadert.

In de loop van het gesprek noemt Hans Dorjee zich een van de eerste moderne vleugelverdedigers in Nederland, die in het Xerxes DHC met voetballers als Van Hanegem, Radovic, Fafie, Treytel etcera, in staat werd gesteld als opkomende man zo'n acht a negen doelpunten per seizoen te maken. Kurt Linder was de succescoach van het spraakmakende gezelschap, maar hoefde met dergelijk kwalitatief goed spelersmateriaal bepaald geen kunstgrepen toe te passen om resultaat te hebben. “Maar een goed voorbeeld van een trainer die jaren later in de problemen is gekomen, is diezelfde Kurt Linder”, geeft Dorjee de tegenstelling aan.

“Linder is een andere speelwijze met Ajax gaan hanteren, zonder buitenspelers, waardoor Ajax op dat moment niet meer herkenbaar was naar het verleden toe. Voorop staat dat je als trainer allemaal een bepaalde visie hebt hoe voetbal moet worden gespeeld. Je hebt een categorie, die als trainer geen concessies doet en denkt dat haar speelwijze zaligmakend is. Daarnaast heb je een flexibele categorie, waar ik mezelf toe reken, die in het verleden duikt en kijkt hoe het elftal toen gespeeld heeft. Waar liggen de tradities van een club? Dat is voor een Nederlander gemakkelijk omdat hij de historie kent van een club. Linder ging daarmee bij Ajax de fout in.”

Amsterdam heeft de Jordaan en zijn zangers, een broedplaats van artistiek talent, dat je ook weerspiegelt ziet in het voetbal van Ajax. Feyenoord heeft in de loop der jaren alleen Moulijn, Bennaars, Bouwmeester en Hasil gehad als artistieke extra waarde. Dorjee: “Toonbeelden van kracht waren Laseroms, Israel, Kreijermaat, Klaassens, Kraay, Veldhoen, Kerkum. Die waren herkenbaar voor het publiek dat de hele week hard moest weken in de haven. Daar vond men een stukje van zichzelf in terug. Bij PSV hebben we in de vier jaar dat ik daar gewerkt heb getracht een soort mixture tussen die twee stijlen te zoeken. Maar het kernpunt waar het om gaat is dat wanneer je als trainer probeert iets aan die traditionele waarden van een club te veranderen, je gelijk een zodanig budget moet hebben dat je de spelers kunt kopen die aan jouw visie van voetbal beantwoorden. Ik denk dat zoiets alleen is weggelegd voor een coach als Johan Cruijff.”

Bij een club als PSV en in mindere mate ook Feyenoord mag je bij de spelers de aanwezigheid van een zekere kwaliteit veronderstellen. Het gaat daarbij volgens Dorjee om de compositie in een elftal, de juiste poppetjes op de juiste plaats, omdat de elf beste spelers niet altijd het beste elftal vormen. Topvoetbal op dat niveau is derhalve een kwestie van details. Dorjee: “Er is niets zo erg voor de spelers als iemand die voor de groep staat die twijfelt. Twijfel straal je uit. Maar zelfverzekerdheid kun je ook uitstralen. Een voorbeeld daarvan vormt Ernst Happel. Die kon daar staan en met twee woorden iets beweren waarvan je dacht daar is geen speld tussen te krijgen. Juist een groep die topprestaties moet leveren kijkt naar hoe de coach zich gedraagt. Tegenover de pers, naar buitenuit. Als de coach onzeker is, dan is het elftal ook onzeker.”

Sacchi (ex-AC Milan) en Rehhagel (Werder Bremen) vormen de coaches die in de ogen van Dorjee optimaal gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden hun elftallen goed te laten functioneren. “Het is daarbij onzin Sacchi af te schilderen als een onbenul in een Armani-kostuum die heeft kunnen functioneren omdat hij spelers als Van Basten, Rijkaard en Gulit had. Je hebt niet vier jaar ononderbroken succes als je er als coach niets van kunt. De speelwijze van Milan was heel herkenbaar. De balwisselingen, de openingen, hij had er wel de mensen voor, maar hij heeft dat toch binnen het team gebracht. Verder is het voornamelijk een kwestie van financien”, bedenkt Dorjee, die categorisch weigert betrekkelijk jeugdige succescoaches als Johan Cruijff en Morten Olsen heilig te verklaren.

Dorjee: “Succes moet je altijd op langere termijn zien. Met Cruijff en Olsen praat je over trainers die ook als speler aan de top hebben gestaan. Maar of dat een pre is? In algemene zin misschien wel. Er zijn tenslotte een hoop ex-spelers die het ook als trainer goed doen. Wanneer je als voetballer al tegen Real Madrid gespeeld hebt, kijk je ook als trainer niet meer tegen die club op. Maar alles went snel. Dat heb ik in vier jaar PSV wel gemerkt. Toen kwam ik ook voor het eerst in bestuurskamers van Madrid, Bordeaux etcetera, en maakte ik de hele entourage van de Europa Cup mee. Maar alles heeft zijn tijd. Wat dat betreft was ik net zo blij met mijn kampioenschap met de amateurtjes van Xerxes als met het winnen van de Europa Cup.”

Los van de kwaliteiten speelt echter het toeval een grote rol. Eddy Treytel, maar ook andere ex-Feyenoorders, riepen Dorjee gezien zijn regionale achtergrond vergenoegd toe: “Het is logisch dat je deze baan hebt aangenomen, Hans. Je bent nu tenminste weer thuis.” Dorjee: “Maar wanneer de fusie tussen SVV en Feyenoord was doorgegaan had niet ik hier gewerkt maar Dick Advocaat. Zo betrekkelijk is het allemaal. Het is net als met een goed elftal. Ik heb ervaren dat je daar zoveel geluk mee moet hebben. Dan denk ik automatisch aan het jaar '87-'88 bij PSV. Dat Hiddink en ik op de bank gingen zitten en dachten: hoeveel wordt het vandaag? Dat zat gewoon in die groep. Als trainer hoefde je daar nauwelijks iets aan te doen. Dat zelfs spelers naar mij toe kwamen en zeiden: 'trainer ik zou niet weten van wie we nog zouden moeten verliezen'. Wanneer je als trainer daarna bij zo'n club terecht komt, beginnen de problemen. Dat was ook moeilijk voor Bobby Robson bij PSV. Hij kwam in een vreemd land, een vreemde cultuur, beheerste de taal niet en werd opgescheept met een irreeel verwachtingspatroon. Datzelfde leeft ten opzichte van het verleden ook nog bij Feyenoord. Hoewel ik hoop dat men dat zo langzamerhand toch een beetje van zich afgeschud heeft.”

Over het afgelopen WK hoor je topcoaches roepen: 'ik heb tijdens de wedstrijden op televisie de krant zitten lezen. Ik kijk er niet meer naar. Zo slecht was het kwalitatief allemaal'. Dorjee: “Dat vind ik ook wel. Ik blijf wel kijken omdat ik blijf hopen wat dingen te zien die de moeite waard zijn. Maar het wordt steeds minder natuurlijk. Er is minder ruimte, het resultaat is zaligmakend, zodat het er als kijkspel niet boeiender op wordt. Wat je als trainer ook verzint, er zullen altijd tegenmaatregelen worden genomen. De plaats op de ranglijst van een club wordt nog altijd bepaald door het budget. Maar zo lang er een Romario, Maradona of Gullit is, waar de mensen voor uit lopen, is het voetbal nog niet verloren.”