Kaifu, de Japanse pitbull

Japan-kenners waren het er twee jaar geleden roerend over eens: de politieke carriere van de net aangetreden premier Toshiki Kaifu, tot dan een tamelijk onbekende volksvertegenwoordiger, zou kort en onbeduidend zijn.

De regerende Liberaal-Democratische Partij (LDP) Japan was in de zomer van '89 ten einde raad nadat twee premiers in een tijdsbestek van drie maanden bij schandalen waren betrokken. Noboru Takeshita trad in april 1989 af wegens betrokkenheid bij het Recruit-omkoopschandaal en zijn opvolger Sosuke Uno werd in juli betrapt op een te innige omarming met een geisha. Oppositiepartijen, de socialisten voorop, roken een kans voor het eerst sinds 1955 de macht van de LDP te breken. Bij de verkiezingen voor het Hogerhuis, de Japanse Eerste Kamer, in juli '89 verloor de LDP haar meerderheid.

Koortsachtig zocht de partij naar een lid met smetteloze witte handschoentjes, een ongevaarlijk iemand die het permanente gevecht om de macht in de LDP, tussen de habatsu, de partijfacties, niet zou kunnen dwarsbomen en de weg vrij zou moeten maken voor een 'echte' sterke man. De keus viel op de jurist Kaifu, lid van de kleinste en dus ongevaarlijke Komoto-factie. Op 8 augustus 1989 werd hij voorzitter van de LDP en daarmee automatisch premier. Kaifu leek het ideale tussenpausje voor een tussenpoosje.

Maar partij en buitenwacht verkeken zich lelijk op de betrekkelijke jonge Kaifu (geboren in 1931). De nieuwe regeringsleider bleek te beschikken over een onvermoed uithoudingsvermogen en wist interne aanvallen op zijn positie bekwaam te pareren. Kaifu kreeg met politieke plannen in binnen-en buitenland zowaar een profiel en dat zegt iets in Japan, waar premiers doorgaans kleurloos typetjes zijn.

Door het wegvallende mondiale blokdenken is een land als Japan, dat sinds 1945 onder de Amerikaanse militaire paraplu schuilt, opnieuw geconfronteerd met zijn eigen identiteit. Mag Tokio, met zijn formidabele economische macht, ook politieke aspiraties koesteren en misschien wel militaire? Kaifu heeft tegen het eerste ronduit ja gezegd. Japan moet zich in zijn ogen meer manifesteren op het internationale politieke toneel. Zo poogde hij - vruchteloos - de onderhandelingen over vrede in Cambodja te annexeren. Hij blies het plan voor een Aziatische Gemeenschap, naar analogie van de Europese, nieuw leven in. Van een yen-blok in de Oostaziatische regio is allang sprake, landen als Thailand, Maleisie en Indonesie staan onder sterke economische invloed van Japan.

Op militair gebied is Kaifu voorzichtiger, hij timmert aan de weg, maar alleen als vredesengel. Japan kreeg na de Tweede Wereldoorlog een pacifistische grondwet, door de Amerikanen opgelegd. Het leger, Zelfverdedigingsmacht genoemd, mag niet buiten Japans grondgebied opereren.

Tijdens de oorlog in de Golf deed Kaifu van zich spreken met zijn plan voor het sturen van een Japans militair contingent, ongewapend weliswaar, ter ondersteuning van de geallieerde inspanningen tegen Irak. Parlement en publieke opinie floten de premier terug. Kaifu is een doorbijtertje, voor wie het nog niet wist. Gisteren kwam hij met een soortgelijk idee: Japan zou in de toekomst moeten deelnemen aan vredesmachten van de Verenigde Naties in probleemgebieden.

Vanmorgen verzekerde Kaifu in Hiroshima, waar hij deelnam aan de ceremonie ter herdenking van het gebruik van de eerste atoombom, op 6 augustus 1945, dat zijn plan niet de inleiding vormt op nieuwe politieke avonturen. Schuldbewust zei Kaifu dat Japan zich nooit meer in een situatie zal manoeuvreren waarin het nodig is dat het nucleaire verdelging over zich afroept.

De LDP houdt dit najaar haar tweejaarlijkse verkiezingen voor het voorzitterschap en Kaifu lijkt, geholpen door de omstandigheden, af te stevenen op een zokuto, een tweede termijn (een aan het honkbal ontleende term). De sfeer van de schandalen is nog altijd niet geweken, Kaifu ziet bij corruptie betrokken politieke concurrenten links en rechts sneuvelen en wordt er zelf steeds beter van.