Een optie-portefeuille Leedvermaak

Iemand die zijn geld ruilt tegen een stukje papier met de naam aandeel is aandeelhouder en neemt deel in het kapitaal van een bedrijf. Vanaf dat moment deelt hij mee in lief en leed. Beleggers die aandelen op de beurs kopen, hebben slechts een zakelijke band met de onderneming en willen louter liefs zien: dividend, extra uitkeringen en een oplopende waarde. Maar zo voordelig loopt het natuurlijk niet altijd.

Vermoedelijk is er even vaak lief als leed op de beurs. De mensen die het bezit van aandelen willen bevorderen, met name bedrijven die geld nodig hebben en bemiddelaren (die ook geld nodig hebben), verdoezelen de minder leuke kanten van dat bezit een beetje. Daarom zeggen zij dat beleggen in aandelen een zaak van lange termijn is en dat je het risico (van lagere koersen) met zorg moet spreiden over veel verschillende aandelen in een portefeuille, een naam voor zo'n verzameling fondsen.

Hoe particuliere beleggers dat precies moeten doen en hoe lang een lange termijn is, weet niemand, want wetenschappelijke theorieen gaan over de miljoenen portefeuilles van grote beleggers, die ook twijfelen aan de goede afloop.

De enige strategie voor kleine beleggers was tot voor kort: koop en hoop (op hogere koersen), meedelen in het lief dus. Alleen een kleine kring van ervaren beleggers bedienden zich van korte termijn leed-strategieen als short gaan (verkopen zonder de aandelen te bezitten) en optie-achtige baisse premies affaires.

Met put-opties met een maximale looptijd van drie of vijf jaar op negen top-aandelen (zie de rubriek Meerjarige Opties op de pagina Beurzen) kunnen particulieren wel proberen iets te verdienen - in de vorm van IB-vrije koerswinst op de opties - aan het leed op de beurs. Dat klinkt logisch maar het blijft, psychologisch gezien, voor veel mensen moeilijk te begrijpen: blij zijn als iedereen met een lang gezicht loopt.

Bij het samenstellen van een Leedvermaak Portefeuille gelden bepaalde regels. Zo moet je het risico van hogere koersen spreiden over verschillende aandelen en proberen vast te stellen welke uitoefenprijzen en looptijden kans op succes bieden. Deze strategie geeft natuurlijk geen recht op dividenden, omdat de optie-houder de aandelen niet bezit. Ook loop je het stemrecht op de jaarvergaderingen mis, maar dat stelt toch niet veel voor. Bovendien is de looptijd van de opties beperkt. Tegenover die bezwaren staat de geringe investering in de opties, vergeleken met de vereiste volledige koopsom voor de gewenste aandelen.

Uitgangspunt bij het samenstellen van een portefeuille is de verwachting (persoonlijke visie!) dat de hele beurs om de een of andere niet te voorspellen reden eens in de twaalf maanden flink - rond de tien procent - zal dalen. En daarnaast zullen bepaalde aandelen dalen omdat bij voorbeeld de resultaten tegenvallen. Verder kan je kiezen voor een portefeuille met opties waarvan de uitoefenprijs onder de beurskoers ligt (outof-the-money) of juist niet (in-the-money) of een mix van die twee soorten.

Een (net) out-of-the-money portefeuille die tenminste anderhalf jaar loopt kan een of meer van de volgende putopties bevatten; de koersen zijn van gistermiddag. De Philips oktober 1993 met uitoefenprijs 30 gulden voor 230 gulden per optie van 100 aandelen (aandeel 33,60), de ABN-Amro januari 1993 40 voor 280 gulden (aandeel 40,10) en de ING janauri 1994 47,80 voor 300 gulden (aandeel 51,10). De koers van Philips moet ruim 18 procent dalen, van 33,60 naar 27,70 (30 min 2,30), voordat de optie op de intrinsieke (werkelijke) waarde is. ABN-Amro ongeveer 7 procent en ING 10 procent. De Philips optie voldoet dus niet aan het uitgangspunt van een 10 procent lagere beurs. Wanneer die optie vervangen wordt door de Philips oktober 1994 uitoefenprijs 45 gulden voor 1160 gulden (intrinsieke waarde 1140) dan wordt die optie meer waard bij iedere koersdaling vanaf het huidige niveau.

Een portefeuille met in-the-money opties (koers bijna gelijk aan de intrinsieke waarde) reageert sneller op lagere koersen van de onderliggende aandelen dan een out-of-money portefeuille. De genoemde Phiips 45 past daar zeker in, net als de Akzo oktober 1993 150, de DSM januari 1993 115 en de KLM oktober 1993 35. Een bijkomend voordeel: met die opties als dekking kunnen kortlopende opties geschreven worden om extra rendement te behalen. Zo biedt een put-portefeuille tal van kansen voor ervaren optiebeleggers.