Bij elke granaat vreest Kroatie het grote offensief

KOMAREVO, 6 AUG. Het zweet gutst Zeljko, een 40-jarige inwoner van het Kroatische dorp Komarevo, van het gezicht - niet alleen door de warme zomerzon, maar vooral door de nu al veertien uur achter elkaar hoorbare granaatinslagen. Ergens vanuit de bossen bombarderen Serviers het plaatsje Blinjski Kut met behulp van mortieren. “Vooral vannacht was het vreselijk”, meent Zeljko, “vanaf tien uur 's avonds tot na zessen ging het onafgebroken door.”

Nog is het mortiervuur, steeds een salvo van vijf minuten lang, gericht op het ontruimde, in normale tijden voornamelijk door Serviers bewoonde dorpje, dat aan de overkant van een riviertje strategisch op een heuvel ligt. Toch blijven Zjelko en de andere vrijwilligers van de Kroatische Nationale Garde die willen verhinderen dat de Serviers onder dekking van het mortiervuur hun kant uit komen, zorgvuldig in dekking achter een huis aan de rand van het dorp - niet zozeer tegen de mortiergranaten als tegen de sluipschutters die vanaf de andere kant van de rivier plotseling kunnen opduiken.

Ook vrezen zij, met iedere nieuwe doffe klap aan de overkant, natuurlijk dat de richting van het mortiervuur plotseling verandert - in de richting van het overwegend door Kroaten bewoonde Komarevo. Dat zou de ouverture kunnen zijn van een hier door iedereen verwacht offensief van de Serviers in de richting van de stad Sisak, met haar strategische olieraffinaderij en staalfabriek.

Door de telescoop op hun geweer speuren de Kroaten de ogenschijnlijk verlaten huizen en tuinen aan de overkant af. “Ze komen er onder geen beding door”, zeggen ze ferm. Langer dan een kwartier wil de commandant op deze plek ons verblijf niet toestaan. Denkt hij echt een grootscheeps offensief te kunnen afslaan? “Als er geen hoop was, waren we hier niet.”

Een kilometer terug, in het centrum van het dorp, blijkt in de opzet en strategie van de Nationale Garde de afgelopen week veel veranderd te zijn. Nog is het hoofdkwartier in Komarevo gevestigd in het schoolgebouw, vanwaar men een prachtig overzicht heeft over de omgeving. De commandant heeft het te druk om ons te woord te staan, twee meisjes die als verzorgers van doden en gewonden dienst doen vertellen opgewonden verhalen. “We hadden onze toevlucht gezocht in een huis, waar we hebben gedronken en gedanst. Pas na een paar uur merkten we dat alle gardisten van die plek allang vertrokken waren. Al dansend hadden we door de Serviers doodgeschoten kunnen worden.”

De voornaamste nieuwigheid staat naast het schoolgebouw: een heuse, zelfgebouwde pantserwagen, opgebouwd op een Mercedes-vrachtwagentje met dikke stalen platen, die vervolgens in groen-grijze schutkleuren zijn geverfd. Zes zenuwachtige jongemannen in para-pakken nemen binnenin op de bank plaats, gevolgd door hun commandant. De Nationale Garde is een leger in opbouw: wat ontbreekt aan materieel en wapens wordt gedeeltelijk met vindingrijkheid opgelost. De zelfgebouwde pantserwagen ziet er niet uit alsof hij een anti-tankwapen zou kunnen weerstaan, maar daar is hij ook niet voor bedoeld. De stalen platen moeten bescherming bieden tegen sluipschutters. Deze jongens gaan voorbij de verste Kroatische positie, waar we net waren: ze gaan proberen de Serviers te verdrijven uit het bos - guerrilla tegen guerrilla.

Twee weken geleden nog hadden de wendbare Serviers vrij spel tegen de Kroatische politieposten in dit gebied. Wanneer de Serviers, vermoedelijk gesteund door onderdelen van het Joegoslavische leger, eenmaal de aanval inzetten tegen de statische stellingen van de Kroaten, was het met hen meestal spoedig gebeurd, alle individueel heldendom ten spijt. Maar Ivan Bobetko, de commandant van de Nationale Garde in dit gebied, heeft het op de Kroatische televisie al enkele malen uitgelegd: de statische strategie van de Kroaten, die de Serviers inmiddels tot op enkele kilometers van Zagreb heeft gebracht, is afgedankt. Voortaan gaan de eenheden van de Nationale Garde de Serviers achterna de bossen in, in plaats van af te wachten of ze komen. De strategie van de tegenaanval dus.

Volgens de gardisten in een ander hoofdkwartier, nog wat verder van het front af in de bossen gelegen, werkt de nieuwe strategie. “Vanochtend hebben we een van hun mortierstellingen veroverd”, vertelt een 22-jarige 'compagniescommandant' van de Garde opgetogen. “Hun bedden waren nog warm.” Volgens hem zijn er niet al te veel Serviers in de bossen rondom Komarevo, en ondanks het mortierbombardement zou het hem verwonderen als de grote Servische aanval op het dorp, en de erachter gelegen stad Sisak, nu al zou beginnen. Maar als hij komt is men er klaar voor, benadrukt hij, en het enthousiasme voor de strijd is op het gezicht van deze jongens af te lezen.

Terwijl we buiten nog twee andere zelfgemaakte pantserwagens en een truck met een zwaar machinegeweer bewonderen, komt plotseling laag een vliegtuig van de Joegoslavische luchtmacht, een verkenningsvliegtuig van het type Orao, over. “Die komen hier wel drie keer per dag”, vertellen de jongens, “en maken foto's van ons. Zo zie je hoe het leger met de Serviers samenwerkt: als het bomdardement begint weten ze ons precies te vinden.”

Of het nieuwverworven enthousiasme bij de Nationale Garde ook al ingang heeft gevonden bij de bevolking van Kroatie, die de afgelopen weken min of meer met ontzetting en in machteloze woede de schijnbaar onstuitbare opmars van de Serviers ter kennis heeft genomen, moet worden afgewacht. In het hele gebied tussen het front en Zagreb zien we auto's afgeladen met dekens en ander huisraad - bewoners die een veilig heenkomen elders zoeken. Aan de andere kant leggen veel Kroaten een onwaarschijnlijke koelbloedigheid aan de dag. Zelfs aan de kant van Komarevo waar de inslag van de granaten duidelijk hoorbaar is, zijn in de kleine boerderijtjes mensen aan het werk, of rijden per fiets over straat, alsof er niets aan de hand is. “Die mensen hebben hun hele leven meer aandacht besteed aan hun beesten, dan aan zichzelf”, legt een dorpeling uit. “Moeten ze alles opgeven wat ze hebben opgebouwd? Dat kunnen ze zich niet voorstellen.”

Als we 's avonds om kwart over negen terugkomen in Komarevo, om te zien of het door velen verwachte offensief misschien al is begonnen, stuiten we bij de ingang van het dorp op de met jachtgeweren bewapende burgerwacht, die ons niet doorlaat. “Verderop wordt geschoten op alles wat beweegt, daar kun je niet heen”, leggen ze uit. In de verte zijn nog wat doffe klappen te horen, naar later blijkt de laatste inslagen van Servische granaten deze dag. “Vannacht komen ze niet”, concluderen de dorpelingen. “Dat komt omdat de Garde ze vanochtend te pakken heeft genomen.”

Dat het deze avond door de leiding van de Servische opstandelingen in Knin afgekondigde staakt-het-vuren hier van invloed zou kunnen zijn beschouwen de dorpelingen als een grapje.