Serviers in 'bevrijd' Kroatie blaken van zelfvertrouwen

KORENICA, 5 AUG. Schoten weerklinken door de straten van Korenica, een van de, zoals de plaatselijke Servische bevolking zegt, 'bevrijde' steden van Kroatie. Het zijn schoten van vreugde, afgevuurd door een eenheid 'Marticevci', Servische strijders die zojuist van een oefening in de buurt van de stad op hun basis in het centrum van het stadje zijn teruggekeerd. Door de hoofdstraat naderen namelijk, luid toeterend, de auto's van een bruidsstoet, en de strijders vieren mee door de magazijnen van hun automatische geweren in de lucht leeg te schieten.

Het is een luidruchtige, maar militair gezien rustige middag in een stadje van de Krajina, zoals de Serviers hun gebied noemen. Het Servisch-Kroatische front hier dichtbij, dat we over moesten om vanuit Zagreb hier te komen, heeft al iets van een echte grens. Het leger houdt in het natuurpark Plitvice de Kroatische politie omsingeld, zodat van een herovering of inval in de Krajina geen sprake kan zijn. Even na het natuurpark wordt de reiziger gecontroleerd door politieagenten die, anders dan in Kroatie, de rode ster van Joegoslavie nog op de pet dragen. “Milicija Krajine”, staat op de emblemen van hun uniform.

Voor wie uit Zagreb komt heersen hier welhaast prettig aandoende orde en zelfverzekerdheid. De Marticevci marcheren in een ordelijke formatie, die een veel militairder en betrouwbaarder indruk maakt dan de wanorde en improvisatie die het optreden van de Kroatische Nationale Garde kenmerken. Deze soldaten ontlenen hun naam aan Martic, commandant van de politie in het stadje Knin waar de Servische opstand in Kroatie vorig jaar is begonnen, en die zich inmiddels als minister van defensie van de Krajina beschouwt.

In de koffieshop tegenover het militaire hoofdkwartier ziet men de toekomst met vertrouwen tegemoet. “De Serviers zijn nu eenmaal een meer oorlogvoerend volk, vergeleken bij de Kroaten”, meent de plaatselijke secretaris van de SDS, de hier overwegende (Servische) partij, ter verklaring van de Servische militaire successen van de laatste tijd.

Alle aanwezigen verklaren eensgezind 'vrijwilligers' te zijn in de strijd tegen het door hen als een herleving van het fascistische Ustasha-bewind beschouwde regime in Zagreb. Sommige van de mannen verklaren uit Kroatie gevlucht te zijn naar bevrijd gebied. “Ik kom uit Karlovac”, verklaart een man. “De Kroatische politie voerde er een ware terreur uit tegen de Serviers, met uitnodigingen voor 'informatieve gesprekken' op het bureau enzo.”

De gedachte dat de Krajina ooit nog, onder een speciaal statuut bijvoorbeeld, weer deel van Kroatie zou kunnen uitmaken brengt hier een minzame glimlach op de lippen. Veeleer ziet men de Krajina nog verder uitgebreid op nu nog door de Kroaten gecontroleerd gebied: met als nieuwe grens tussen Kroatie en het Servische gebied de lijn Karlobag-Karlovac-Sisak-Virovitica. Boven die lijn mag, meent men hier, Kroatie best onafhankelijk worden. “Maar wij willen in Joegoslavie blijven.” De Kroatische massamoord op de Serviers in de Tweede Wereldoorlog is voldoende geweest, meent men. “Dat gebeurt geen tweede keer. Weet u dat Tudjman (de Kroatische president) de eerste is sinds Hitler die zijn partij, de HDZ, bewapend heeft, en niet het volk?”

Op het moment dat we met elkaar spreken is minister Van den Broek als hoofd van de EG-trojka nog in Joegoslavie. “Die Van den Broek van jullie, dat is echt een prima vent, zeg”, meent de SDS-secretaris. Men waardeert dat hij zich nog niet tot pro-Kroatische stellingnamen heeft laten verleiden, in weerwil van Duitse pressie in die richting, en meent hier een verband te kunnen leggen met de Nederlandse ervaringen met het fascisme.

Onder een staakt-het-vuren stelt men zich hier toch vooral voor, dat de Kroatische politie en Nationale Garde zich terugtrekken uit de Servische gebieden in Kroatie, zodat deze ongestoord hun eigen weg kunnen gaan. Dat men voor ditzelfde doel zonodig de gewapende strijd zal voortzetten, lijdt in Korenica geen twijfel.

Dan komt de bruiloftstoet, met zijn Servische vlaggen en toeterende auto's, weer terug door de hoofdstraat en knalt er vuurwerk. 'Cetnici, Cetnici', roepen onze gespreksgenoten plagerig, om in te spelen op onze veronderstelde angst voor de baardige woestelingen, die in de Kroatische propaganda tegen de Serviers een grote rol spelen. Cetnici, zeggen de mannen, zijn er niet in Korenica, en ook van de avontuurlijke kapitein Dragan, een zich oud-veteraan noemende Servier uit Australie die zegt een elite-eenheid van 300 man te leiden, moeten ze weinig hebben. “Het is ons volk dat vecht”, zeggen ze, vandaar ook hun vertrouwen in de afloop.

De beslissende fase, menen ze, is niet ver meer: “Het moet voor het einde van augustus gebeuren, anders worden de mensen te zeer in beslag genomen door economische problemen. Er is geld om acht dagen oorlog te voeren.”

Na weer de Milicija Krajine, het leger in Plitvice en de omsingelde politiemacht, rijden we op weg naar Zagreb langs nog niet 'bevrijde', door Serviers bewoonde dorpen, waar kleine monumenten staan op de massagraven als gevolg van de door de Kroatische fascisten tijdens de wereldoorlog aangerichte bloedbaden. Langs de weg staat een in deze omgeving zichtbaar angstige Kroatische politiepatrouille. Een van de vier agenten komt bij een pompstation op ons af, voor een praatje. Hij is dronken. Een paar uur later is deze, of net zo'n patrouille door onbekenden beschoten: drie doden.