RENTREE VAN EEN HOCKEYVETERAAN

De oude zakken, zoals hockeyer Cees Jan Diepeveen ze noemt, zijn in trek in de Nederlandse sport. Voetbalkampioen PSV heeft de 34-jarige Adri van Tiggelen gekocht. Topvolleyballer Ron Zwerver wil straks de 32-jarige Avital Selinger naar zijn Italiaanse club meenemen en hockeycoach Hans Jorritsma heeft in zijn ploeg die zich op de Olympische Spelen voorbereidt plaats ingeruimd voor Tom van 't Hek (33) en Diepeveen. De recordinternational (256 interlands) is onlangs 35 jaar geworden.

De nationale hockeyploeg speelt in Amstelveen een oefenpartijtje van driemaal dertig minuten tegen overgangsklasser Pinoke. Dat is op zich niets bijzonders. Op de spelersbank wordt tijdens de wedstrijd vol bewondering over de doelpunten gesproken die Romario, het bijzondere Braziliaanse kind van PSV, de avond daarvoor tegen Valencia maakte. In het veld loopt Cees Jan Diepeveen. Er is geen extra aandacht voor hem ondanks dat hij weer voor het eerst sinds de glorieuze WK-finale van 23 februari 1990 het oranjeshirt draagt. “Het deed me weinig”, vertelt de middenvelder na afloop over zijn rentree.

Diepeveen zegt er wel bij stil te staan dat hij met zijn staat van dienst en ervaring zich in de komende maanden gewoon zoals ieder ander moet bewijzen. “Ik realiseer me dat als ik straks in een interland de eerste vijf ballen inlever de mensen zich zullen afvragen wat die oude lul in het Nederlands elftal doet. En dat is dan eigenlijk ook wel terecht.”

Diepeveen bedankte na het gouden WK'90 voor Oranje. Dat had niets met de opvolger van succescoach Jorritsma, Rob Bianchi, te maken. “Ik kende en ken hem niet. Ik heb alleen een paar keer met hem gesproken.” Diepeveen heeft nooit gezegd dat zijn afscheid definitief was. Bianchi deed echter geen poging hem bij de selectie terug te halen. De coach had blijkbaar geen interesse. Diepeveen zou een dergelijk verzoek zeker serieus hebben overwogen, beweert de speler.

Hij heeft nu ook positief gereageerd op een uitnodiging van Hans Jorritsma. Diepeveen noemt het “best een moeilijke beslissing”. Het Nederlands team zal hem veel inspanning en vooral heel veel tijd kosten. Het vooruitzicht dat hij voor de derde keer aan de Olympische Spelen zou kunnen meedoen heeft bij Diepeveen uiteindelijk de doorslag gegeven. “Met een WK of EK als einddoel zou ik hebben geweigerd.” Hij is als deelnemer zeer onder de indruk geraakt van de Olympische Spelen. “Al die sporters, al die gekken die een zaligmakend iets hebben en dat is de sport.” Diepeveen herinnert zich tijdens de Spelen van Los Angeles in '84 de atlete Mary Decker. Hij zag haar vol zelfvertrouwen en stralend van geluk lopen in het Olympische dorp, going for gold. “Maar”, vertelt Diepeveen, “in de wedstrijd werd Decker door Zola Budd op haar haar hakken gelopen en lag er ineens een hoopje ellende op het middenterrein. Ze huilde als een kind. In een dag tijd was alles compleet anders. Dat is schitterend.”

Diepeveen is de laatste die beweert dat hij volgend jaar daadwerkelijk op het Olympische kunstgras in Barcelona zal staan. Hij doet verwoede pogingen om eventuele verwachtingen op dat gebied in te dammen. “Ik ben zelf ook heel benieuwd of het me zal lukken. Of ik het allemaal nog leuk vind en of mijn lichaam het aankan.” Een week harde training in het Wagenerstadion en een wedstrijdje in de warmte tegen Pinoke noemt Diepeveen geen goede graadmeter.

Straks tijdens de testserie tegen Australie en bij de strijd om de Champions Trophy in Berlijn zal er meer duidelijkheid zijn. De veteraan bleef afgelopen seizoen goed overeind in de nationale competitie en werd met zijn club Bloemendaal kampioen. Diepeveen weet echter als geen ander dat voor hockey op internationaal niveau meer van een speler wordt geeist, beduidend meer. Hij zit na de oefenpartij met een ijszak op het achterhoofd op de bank. “Ik ben kapot”, bekent hij. “Maar gelukkig zijn de anderen dat ook.”

Hans Jorritsma, de teruggekeerde bondscoach, zegt absoluut niet te hebben getwijfeld om Diepeveen te selecteren. Hij praat van “waardevolle Olympische ervaring” en trekt de vergelijking met het winnende Nederlandse elftal bij het EK-voetbal van '88 dat veteraan Arnold Muhren in de gelederen had. “Een ploeg heeft zulke spelers nodig. Tom (Van 't Hek, red) en Cees Jan brengen samen wel zo'n 500 interlands mee.” Wat is de inbreng van dergelijke routiniers? Jorritsma: “Het kan een opmerking tegen een medespeler in het veld zijn. Doe een pasje naar links of loop even naar die man toe. De aanwezigheid van zulke mensen geeft een geruststellend gevoel. Voor de spelers, maar zeker ook voor de coach.”

Veel dertigers lopen er in het tophockey niet rond. Buiten zichzelf en Van 't Hek weet Diepeveen er nog maar een op te noemen. “Pierik van Hattem. Die moet ongeveer 37 jaar zijn.” Diepeveen kan door eigen ervaring begrijpen waarom spelers in een amateursport als hockey niet al te lang doorgaan op hoog niveau. “Het is gewoon leuk om iets anders te gaan doen. In die anderhalfjaar dat ik niet voor het Nederlands elftal speelde heb ik genoten van de rust en vrijheid.” Volgens Diepeveen is leeftijd niet alleen bepalend of een speler een ploeg 'op sleeptouw' kan nemen. Het heeft vooral met het type te maken. “Toen ik 26, 27 jaar was ging ik ook al als een gek tekeer.”

Leiders zijn er tegenwoordig onder de jonge sportmensen niet veel meer te vinden. Dat euvel is uiteraard ook Diepeveen opgevallen. Hij vraagt zich af of het een maatschappelijk verschijnsel is. “Kinderen worden anders opgevoed dan vroeger, makkelijker. Alles is goed geregeld. Dat werkt misschien door.” Diepeveen wijst dan op het voetbal. “Jantje Wouters wordt niet voor niets nog hogelijk gewaardeerd.” De hockeyer wordt regelmatig met de Ajacied vergeleken. “Vroeger was het Neeskens en nu Wouters. Vind ik niet erg.” Hij zegt extra waardering voor een speler als Wouters te hebben. “Ik respecteer hem omdat hij op een ander niveau bezig dan ik. Hij is prof, ik ben amateur. Ik weet eigenlijk niet wat zwaarder is. Maar het is wel zo dat hij zijn brood met de sport moet verdienen. Als het met mij niet meer gaat dan stop ik en ga gewoon door met mijn werk. Zo'n Wouters moet dan z'n hele wereldje omgooien. Dat is geen prettig vooruitzicht. Daarom geeft dat een ander soort druk, een grote druk lijkt me ook.”

Diepeveen omschrijft zichzelf als een temperamentvolle speler, “een motivator”. “Ik hou het zooitje schreeuwend draaiend.” Hij zegt door de jaren heen niet te zijn veranderd in zijn doen en laten binnen de lijnen. “Ik loop alleen wat minder dan vroeger, zes in plaats van tien sprintjes. Praten en schreeuwen doe ik niet minder. Ook niet meer trouwens, ter compensatie of zo.” Van Diepeveen wordt beweerd dat hij zijn lichaam altijd goed heeft verzorgd. De middenvelder volgt geen speciale dieten of kuren en maakt ook geen gebruik van andere trucs. “Ja, ik probeer altijd genoeg te slapen.” En blessures laat hij meteen verzorgen, aan huis, door zijn zus Barbara. “De beste fysiotherapeut die er is.”

Cees Jan Diepeveen heeft altijd beweerd zijn carriere “niets bijzonders” te vinden. Hij houdt er niet van op een voetstuk te worden geplaatst. “Ik ben een pure teamspeler. Ik hoef niet zonodig zelf te scoren.” Diepeveen weet ook zijn precieze aantal interlands niet te vertellen. “Ik sta op 256, 257 of 258, in die richting in ieder geval. Kijk, de eerste honderd interlands volg je op de voet. Je wil er bijhoren, he. Maar daarna komt er gewoon steeds een streepje bij.” Of ik trots ben op mezelf?”, herhaalt Diepeveen de laatste vraag. “Absoluut niet. Al die interlands zeggen me alleen dat ik op een hele leuke periode bij de hockeyploeg kan terugkijken. Maar trots, nee. Eerder nog een gevoel van schaamte over het feit dat ik zo lang ben doorgegaan en dat ik het allemaal niet kon missen.”