Onderhandelingen enige wapen tegen Israelische nederzettingen

Na het sluiten van de akkoorden van Camp David tussen Israel en Egypte in 1979 vroeg de Israelische minister en leider van de Arbeiderspartij Yitzhak Rabin aan de Egyptische president Anwar Sadat waarom hij niet meer pogingen had ondernomen om Jordanie bij het vredesproces te betrekken. Koning Hussein had zelfs naar Camp David opgebeld om te zeggen, dat hij mee wilde doen. Sadat antwoordde, dat als hij dat zou hebben gedaan de akkoorden van Camp David niet tot stand zouden zijn gekomen. Via Jordanie zouden immers onvermijdelijk Syrie, Irak en de PLO invloed hebben gekregen op de onderhandelingen en voor Sadat was duidelijk dat een mislukking dan niet uit zou blijven.

Koning Hussein en een deel van het Palestijnse leiderschap op de Westelijke Jordaanoever zijn ook nu bereid rechtstreeks en zo snel mogelijk met Israel te gaan onderhandelen. De nederzettingenpolitiek en de plannen van Israels 'bulldozer-minister' van woningbouw Ariel Sharon om binnen anderhalf jaar nog eens 55.000 Israeliers in de bezette gebieden te vestigen, spelen daarbij een belangrijke rol. Gematigde Palestijnen, die er van uitgaan dat de joodse staat in het Midden-Oosten blijft bestaan en dat zijzelf genoegen zullen moeten nemen met de in 1967 door Israel veroverde Westoever en Gazastrook, weten dat er maar een remedie is tegen nederzettingenpolitiek en dat is liever vandaag dan morgen met Israel om de tafel te gaan zitten. Een nieuwe op de Westoever opgerichte Partij voor Nationale Eenheid wil rechtstreeks onderhandelen met Israel. Niet over 'heel Palestina', maar over de in 1967 door Israel veroverde gebieden waar dan een Palestijnse staat tot stand moet komen in confederatie met Jordanie. Zowel koning Hussein als deze Palestijnen weten dat de weigering van de Arabische landen om rechtstreeks met Israel te praten altijd in het nadeel van de Palestijnen heeft gewerkt. Het ontbreken van afspraken hield hen immers onbeschermd en gaf Israel de mogelijkheid om met de gebieden naar eigen goeddunken te handelen.

Koning Hussein is er echter nooit in geslaagd Irak, Syrie en de PLO daarvan te overtuigen, aangezien die alle hun politiek baseren op het geloof in de uiteindelijke vernietiging van Israel. Zelf is Hussein, anders dan Egypte in 1977, te zwak om zonder hun toestemming zijn eigen gang te gaan. Hij kan zijn mening naar Israel uit laten lekken, maar zijn tragedie is dat hij niet werkelijk kan 'leveren'.

Hussein weet dat de status van de Westelijke Jordaanoever naarmate de tijd verstrijkt en de joodse bevolking er groeit, steeds dubieuzer wordt. De periode waarin de oever in de geschiedenis werkelijk in Arabische handen was, is heel kort, namelijk alleen de negentien jaar tussen 1948 en 1967. Het gebied was toen geannexeerd door Jordanie, hetgeen - behalve door Pakistan en Groot-Brittannnie - door niemand werd erkend. Een Palestijnse staat heeft er nimmer bestaan, aangezien de Palestijnse leiders de hun aangeboden soevereiniteit in 1947 verwierpen en er tussen 1948 en 1967, toen het gebied nog niet in Israelische handen was, geen Palestijnse staat hebben opgericht. Niet alleen nu, maar ook voor 1948 bestonden er joodse vestigingen op de Westoever, het logische gevolg van het feit dat de Volkenbond in 1923 immers het hele gebied ten westen van de Jordaan had bestemd voor de vestiging van een Joods Nationaal Tehuis.

In de denkbeelden van de zionistische leiders in die dagen vormde de aanwezigheid van een toen slechts 700.000 zielen tellende Arabische bevolking in Palestina geen werkelijk probleem; er zouden zich in het gebied enkele miljoenen joden vestigen, zodat de Arabische bevolking werd omgevormd tot een minderheid binnen het Joods Nationaal Tehuis, die gelijke rechten zou krijgen.

De Britten hadden als mandataris de uitdrukkelijke opdracht de immigratie en vestiging van joden in het gebied zoveel mogelijk te bevorderen om de stichting van het Joods Nationaal Tehuis daar in de toekomst mogelijk te maken. Zij dienden echter vooral de belangen van hun eigen koloniaal imperium en die bleken dichter bij de Arabieren te liggen dan bij het Joods Nationaal Tehuis.

Voor de demografische ontwikkelingen in het gebied had dat grote gevolgen. In de jaren dertig en veertig werd de immigratie van joden aan banden gelegd terwijl de Arabische bevolking door de verbeterde medische zorg sterk groeide en de Britten tevens de toestroom van Arabieren uit met name Syrie stilzwijgend toelieten. Heel wat Palestijnen hebben dan ook een grootvader die in Damascus is geboren. De joodse vluchtelingen van voor het nazi-regiem zijn van die Britse politiek de dupe geworden. Uitgerekend in 1939, toen reeds honderdduizenden joden een goed heenkomen zochten en overal de deuren gesloten vonden, besliste de mandaatsregering dat in de vijf daaropvolgende jaren in totaal slechts 75.000 joden het land mochten binnenkomen en dat verdere beslissingen geheel afhankelijk zouden worden gesteld van de Arabische eisen. Het openzetten van de grenzen van wat de internationale gemeenschap had aangewezen als Joods Nationaal Tehuis had niet alleen miljoenen mensen de gaskamers kunnen besparen waar Israel tot op de huidige dag mee kampt. Het land telt binnen de groene grens nog altijd minder dan vijf miljoen inwoners (van wie achttien procent Arabisch) en iedere immigrant is er in feite nog steeds onderdeel van een wanhopige demografische inhaalmanoeuvre.

In 1947 werd op grond van de toen bestaande demografische feiten de belofte aan het joodse volk opnieuw bekeken en het gebied in tweeen gedeeld. Daarmee werden zowel het bestaan van een aanzienlijke Arabische bevolking als de aspiraties van het Arabisch nationalisme erkend. Op dat moment hadden een joodse en een Palestijnse staat moeten ontstaan. De joden aanvaardden die oplossing, maar de Arabieren niet. Een kleine groep communistische Palestijnen die zich verzette tegen het in de jaren veertig op nazi-Duitsland georienteerde Palestijnse leiderschap en er een antifascistische organisatie op na hielden, heeft in die tijd aangedrongen op de aanvaarding van verdeling van het land. Zij kregen echter geen voet aan de grond en daarmee ging voor de Palestijnen een historische kans voorbij, die door de oorlog die erop volgde bovendien resulteerde in het tot op de dag van vandaag bestaande Palestijnse vluchtelingenprobleem.

In 1967 veroverde Israel in een nieuwe verdedigingsoorlog de hele Sina, de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. Hussein zag ook toen in dat hij met Israel moest onderhandelen. Hij liet weten te erkennen dat hij dat land had aangevallen en de oorlog had verloren. Hij was zelfs bereid tot een compromis over de teruggave van de gebieden. De kans om ze terug te krijgen zag hij echter voorbijgaan in de drie nee's van Khartoum, waarin de Arabische wereld besloot tot “geen erkening van, geen onderhandelingen met, en geen vrede met Israel”. De euforie in Israel zelf over de overwinning heeft voorkomen dat het unilateraal oplossingen zocht voor het Palestijnse probleem. Ook de internationale gemeenschap werkte daar niet aan mee. Op iedere Israelische poging om Palestijnse vluchtelingen permanent in volwaardige huizen te vestigen volgde een veroordeling in de Veiligheidsraad.

Uiteindelijk waren het pas de tussen Israel en Egypte gesloten akkoorden van Camp David, die de Palestijnen uitzicht gaven op een overgangsregeling om via autonomie te komen tot enige vorm van zelfstandigheid. In feite hadden de Palestijnen, als ze Camp David hadden geaccepteerd, nu reeds hard op weg kunnen zijn naar een eigen staat. Daar is echter niets van terecht gekomen. De Likudregering in Israel had er buitengewoon weinig belang bij. Wie er wel belang bij hadden, waren de Palestijnen zelf. De hele Arabische wereld en de PLO wezen echter de akkoorden van Camp David van de hand, omdat de PLO er niet in werd genoemd als enige rechtmatige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk en door de opstellers van de akkoorden werd aangestuurd op het vormen van een nieuw Palestijns leiderschap in de gebieden zelf, dat genoegen zou nemen met autonomie als tussenoplossing. De PLO en de Arabische wereld werden in hun afwijzing niet alleen gesteund door de Oostbloklanden maar ook in hoge mate door de Europese gemeenschap en met name Frankrijk. De PLO kreeg beleefde in de jaren tachtig een opwaardering die geen enkele bevrijdingsbeweging ten deel viel en die haaks staat op de no nonsens-houding die de EG in het algemeen in Europa zelf heeft tegenover afscheidings- en bevrijdingsbewegingen. De Basken hebben er geen schijn van kans, de Corsicanen krijgen geen autonomie omdat dat de 'Franse eenheid' (maar niet het bestaan van Frankrijk zelf) bedreigt en een desintegrerend Joegoslavie en Tsjechoslowakije zijn gewaarschuwd dat een verenigd Europa geen behoefte heeft aan een groot aantal kleine nationale staatjes. Het recht op zelfbeschikking blijkt kennelijk 'onpraktisch' te zijn en 'destabiliserend' te werken.

De fantasieloze politiek van steun aan de PLO tegen iedere tussenoplossing voor het Palestijnse probleem in de vorm van autonomie, kantons of een federatie met Jordanie is in ieder geval in het nadeel geweest van de Palestijnen zelf, die op geen enkele manier tot enig realisme werden gedwongen. In hun toestand is sinds het sluiten van de akkoorden van Camp David dan ook geen vooruitgang geboekt en de intifadah en steun aan Saddam Hussein zijn daarvan een rechtstreeks resultaat geweest.

De doorbraak naar realisme bij een deel van de Palestijnen nu en de bereidheid tot tussenoplossingen om eindelijk hun eigen rechten te gaan beschermen, verdienen dan ook alle steun. Zij zijn het enige realistische antwoord, dat aan de nederzettingenpolitiek van Ariel Sharon een eind kan maken en kan leiden tot een oplossing van het Palestijnse probleem.

Foto: Zowel in Israel zelf als in de bezette gebieden is er een nieuwbouwexplosie om onderdak te kunnen bieden aan joodse immigranten. (Foto NRC Handelsblad- Salomon Bouman)