Nieuwe onthullingen over Britse export naar Irak

LONDEN, 5 AUG. De regering van Groot-Brittannie doet alle moeite afstand te nemen van een toenemende rel over veronderstelde Britse export van conventionele, nucleaire en chemische wapens naar Irak. Peter Lilley, de minister voor handel en industrie (DTI), ontkende gisteren in alle toonaarden de beschuldiging in The Sunday Times dat een Britse firma, in strijd met het geldende wapenembargo, toestemming had gekregen om tussen 1988 en 1990 8,6 ton verarmd uranium naar Irak te verschepen. Volgens de minister heeft de krant de douaneverklaring voor de zendingen verkeerd genterpreteerd en de verpakking meegeteld in haar berekening.

De Labour-oppositie eist onmiddellijk verdere opheldering van de regering over de zending. Zij wil weten waarom Lilley in eerdere antwoorden aan het Lagerhuis heeft gesproken over “een geringe hoeveelheid” nucleair materiaal voor Irak. Lilleys schaduw bij Labour, Gordon Brown, wijst erop dat ook verarmd uranium een militaire toepassing kan hebben. De Labour politicus wil verder weten of grondstoffen voor chemische wapens, zoals aangetroffen door VN-inspecteurs in een fabriek voor chemische wapens in Irak, afkomstig zijn uit Groot-Brittannie.

In april verschafte Lilley op verzoek aan een commissie in het Lagerhuis een lijst van produkten, die met toestemming van de Britse regering door Britse firma's waren geleverd aan Irak. Die lijst werd tien dagen geleden openbaar gemaakt. Onder de leveranties bevonden zich verarmd uranium en uranium, vrijgegeven voor verscheping tussen 1987 en 5 augustus 1990. Die laatste datum was drie dagen na de inval van Irak in Koeweit. Hoeveelheden werden niet genoemd, maar Lilley zei gisteren dat de lading van 8,6 ton uranium, die volgens The Sunday Times was verscheept, voor het overgrote deel bestond uit lood en droog ijs, de verpakking voor kleine hoeveelheden radio-actieve isotopen voor medisch gebruik. Daarnaast was 96 kilo verarmd uranium verzonden, bestemd voor de omhullende verpakking van zes radiografische camera's die worden gebruikt in de olie-industrie. Die lezing wordt bevestigd door het betrokken Britse bedrijf, Amersham International. Lilley wees erop dat de Irakezen, zo ze de verpakking van de camera's al hadden willen demonteren voor militair gebruik, geen mogelijkheid hebben afgewerkt uranium op te werken tot plutonium.

De Britse krant The Independent schrijft vandaag dat er een mogelijke verbinding bestaat tussen de zogeheten 'super-gun'-affaire, de illegale levering van onderdelen voor een enorm kanon aan Irak, en de moord op de Belgische voormalige vice-premier Andre Cools, op 18 juli in Luik. Cools zou enkele dagen voor zijn dood van Engelse zijde zijn getipt over het betalen van smeergeld aan Belgische ambtenaren. Dat smeergeld, afkomstig uit Irak, zou moeten bewerkstelligen dat de officials een oogje toeknepen bij het verlenen van toestemming voor de verscheping van aandrijfvloeistof, bestemd voor de super gun. De Independent citeert documenten, aangetroffen in de administratie van de frauduleuze bank BCCI, als basis voor de beschuldiging.

Indien het neerschieten van Cools inderdaad te maken heeft met zijn wetenschap inzake het super-kanon, dat Irak wilde bouwen, is zijn dood de tweede in dit verband. In maart 1990 werd de ontwerper van het kanon, Dr Stephen Bull, met een soortgelijke aanslag in Brussel om het leven gebracht. Bulls Space Research Corporation (SRC) was gevestigd in Brussel. Een maand na Bulls dood, in april 1990, legde de Britse douane opeens beslag op de laatste acht stalen pijpen, die de Iraakse regering op gezag van Bull had besteld bij twee Britse firma's, als waren het onderdelen bestemd voor de olie-industrie. Daarmee was de 'super-gun'-affaire geboren.

In hoeverre de Britse overheid op de hoogte was van de werkelijke bestemming van de stalen pijpen, is nooit helemaal opgehelderd. Een Conservatief Lagerhuislid verklaarde later dat hij verschillende ministeries al bij het ontvangen van de opdracht uit Irak had getipt, omdat de desbetreffende firma de kwestie niet vertrouwde. Het Britse ministerie voor handel en industrie (DTI) heeft altijd volgehouden dat het in de herfst van 1989 voor het eerst doorkreeg dat “Irak betrokken was bij een project voor een kanon van lange afstand”. Maar de auteur van een nieuw boek ( Arms and the Man) over de affaire, William Lowther, steunt de lezing die gelekt is uit douane-kring, dat het Cabinet Office toegang had tot gedetailleerde gegevens over het project vanaf het allereerste begin in 1988.

Onze redactie techniek voegt hieraan toe: Van belang is dat verarmd uranium, een afvalprodukt van de verrijkingsindustrie, buiten de IAEA- en Euratom-safeguardingsinspecties verhandeld kan worden. Verarmd uranium bevat nog minder splijtbaar uranium-235 dan natuurlijk uranium, gewoonlijk nog maar 0.3 procent (tegenover 0.7 procent). De Britse verrijkingsfabriek Urenco UK in Capenhurst slaat het op eigen terrein op als uraniumhexafluoride ('depleted hex'), want er is weinig vraag naar het materiaal. Omgezet tot uraniumdioxyde (UO2) wordt verarmd uranium wel gebruikt voor scheepskielen, munitie en bepantsering van tanks of (in plaats van lood) voor bescherming tegen straling. Uit verarmd uranium, dat vrijwel volledig uit moeilijk splijtbaar uranium-238 bestaat, is met een neutronenbestraling in principe plutonium te bereiden. Ook zou een staat die nauwelijks aan natuurlijk of laagverrijkt uranium kan komen de moeite kunnen nemen het laatste restje uranium-235 alsnog te verrijken tot de hoge verrijkinsgraad die gewenst is voor kernwapens.