Justitie staat niet te trappelen Bouterse hier te vervolgen

Recente publikaties in NRC Handelsblad hebben legerleider Bouterse van Suriname ernstig in opspraak gebracht. Hij is zonder meer beschuldigd van actieve betrokkenheid bij cocanehandel. Op grond van art. 13 van de Opiumwet, welke bepaling inhoudt dat de Nederlandse strafwet toepasbaar is op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen of een poging daartoe danwel zich schuldig maakt aan, kort gezegd, een voorbereidingshandeling als bedoeld in art. 10a Opiumwet, is Bouterse in beginsel in Nederland voor dergelijke feiten vervolgbaar. Mr. A. Haakmat heeft in NRC Handelsblad van 1 augustus betoogd dat zulks wenselijk is.

Ik verschil met hem van mening.

De Opiumwet moge op Bouterse te dezer zake van toepassing zijn, hij maakt niettemin aanspraak op alle processuele waarborgen die het Wetboek van Strafvordering aan een verdachte toekent. Ook dienen rechtsbeginselen die in een rechtsstaat als de onze worden gekoesterd niet te worden verkwanseld voor de zucht een eventuele top-crimineel voor het gerecht te slepen. Ik gebruik het woord 'eventueel' omdat Bouterse er recht op heeft voor onschuldig te worden gehouden, zoals art. 6 van het Verdrag van Rome en art. 14 van het Internationaal Politieke Verdrag van New York voorschrijven, totdat zijn schuld volgens de wet bewezen is.

Vele malen is in dit verband al de vergelijking gemaakt tussen Noriega uit Panama en Bouterse. Noriega staat thans in de Verenigde Staten terecht doordat de Verenigde Staten een van de belangrijkste rechtsbeginselen, namelijk het zich onthouden van enige schending van de territorialiteit c.q. soevereiniteit van een staat, aan hun laars lapten. Het gaat mij te ver Bouterse met geweld uit Suriname te verwijderen, teneinde hem in Nederland strafrechtelijk te vervolgen. Dat zou een ongehoorde schending van het soevereiniteitsbeginsel opleveren, die op gespannen voet staat met de rechtsstaat.

Wat de Amerikaanse rechters hierover ook mogen vinden, een Nederlandse rechter zal niet eenvoudig een dergelijke onrechtmatige vrijheidsberoving van tafel kunnen vegen. Als er al internationaal geweld in Suriname zou moeten worden gebruikt, dan ligt het veel meer voor de hand om dat zodanig aan te wenden dat Bouterse in Suriname zelf terecht moet staan. De Surinaamse gemeenschap heeft daar meer recht op dan de Nederlandse. De 'December-slachtoffers van 1982' zijn per slot van rekening niet gevallen voor de ontwikkeling van het Nederlandse, maar voor die van het Surinaamse recht. Suriname kan voorts in dat geval bewijzen echt een rechtsstaat in de meest ruime betekenis te zijn.

Suriname is mitsdien het meest gebaat bij een zodanig herstel van zijn rechtsstaat, dat het zijn eigen wetsovertreders kan vervolgen en berechten. Het komt mij voor dat een inbreuk op de territorialiteit c.q. soevereiniteit van Suriname uitsluitend met dat oogmerk is te rechtvaardigen. Bovendien, en dat is een opportunistisch argument, is er geen enkele reden waarom een Nederlands Openbaar Ministerie het risico zou lopen op grond van een onrechtmatige wijze van verkrijging van een verdachte en - zo te zien - van bewijsmateriaal een blunder te begaan met als slot een zegevierende Bouterse. Dat doet het Nederlandse en wellicht ook het Surinaamse en last but not least het Amerikaanse rechtsgevoel bepaald geen goed.

In dit verband moet worden opgemerkt dat de Nederlandse Justitie kennelijk, ondanks het bepaalde in de artikelen 10a en 13 van de Opiumwet, een strafrechtelijke vervolging van Bouterse in Nederland onwenselijk heeft geacht. De ervaring in de hier te lande geldende strafrechtelijke praktijk ten opzichte van van drugsdelicten wijst immers uit dat de minste of geringste tip over een drugsdeal van enige omvang voldoende is voor het beginnen van een gerechtelijk vooronderzoek tegen de getipte met alle toeters en bellen die maar mogelijk zijn. Gangbare opsporingsmethoden daarbij zijn het afluisteren van de telefoon, het inzetten van undercover agents en pseudokopers. Nu van de zijde van de Nederlande justitie bij herhaling is betoogd, dat er sterke aanwijzingen zijn over de betrokkenheid van Bouterse bij de cocanehandel is de slotsom, gelet op de gangbare vervolgingspraktijk in dit soort zaken, onontkoombaar dat de Nederlandse Justitie niet staat te trappelen om Bouterse hier te vervolgen, indien zij niet door middel van een rechtmatige aanhouding de beschikking over hem kan verkrijgen. Het behoeft geen betoog, dat dit laatste ook voor het Openbaar Ministerie in Paramaribo een lastig probleem vormt.

De eerste getuige, de vermoedelijke huurmoordenaar, verscheen geboeid in een vuile pyjama en deed zich voor als psychiatrisch patiënt. Voortdurend op zijn hoofd krabbend mompelde hij naar aanleiding van vragen dat hij weg wilde. We kregen geen zinnig woord uit deze man. De tweede getuige, de vermoedelijke organisator verantwoordelijk voor het versturen van de huurmoordenaar, bleek spraakzamer maar zeer op zijn hoede. Voor de verdediging is dit verhoor buitengewoon positief verlopen, omdat het steeds duidelijker gedraai van de man boekdelen sprak. De omstandigheden waaronder de verhoren plaatsvonden waren uiterst moeizaam. De eerste getuige, een Tsjetsjeen, verstond slecht Russisch, zodat het Nederlands eerst vertaald werd in het Pools en vervolgens in het Russisch en omgekeerd. Bij de tweede getuige bleek de Poolse vrouwelijke officier van justitie, een foeilelijke vrouw van midden vijftig, om de haverklap vragen en antwoorden van mr. Van Klaveren op minder adequate wijze weer te geven. Dit leidde tot vermoeiende discussies die door de getuige dankbaar werden benut om zijn antwoorden te overdenken. Niet onvermeld mag blijven dat het Nederlandse gezelschap voor een massale plaspauze om 15 uur door een vrouwelijke griffier vergezeld werd naar het herentoilet, dat op slot was en met twee sleutels ontsloten moest worden. Dit herentoilet was aangegeven met een joekel van een driehoek waarvan de punt naar beneden wees, terwijl de aangrenzende voor vrouwen bestemde gelegenheid, waarvan de sleutels onvindbaar bleken, aangeduid werd met een cirkel. Allerlei associaties welden in mij op. Kortom, een dag om nooit te vergeten.