Forensen

Wij zijn laat getrouwd. Wij hebben geen kinderen. Vorige week begon mijn vrouw erover. Zij vroeg mij of ik wist waarom wij geen kinderen hebben. Ik was verwonderd over haar vraag omdat wij er tevoren nooit over gesproken hadden. Ik vond die vraag ook pijnlijk. In mijn verwondering bekende ik dat ik het niet wist. Omdat zij mij bleef aanzien zei ik: “Het gebeurt eenvoudig niet.”

Vanochtend voordat ik het huis verliet zag ik in de spiegel bij de kapstok mijn vergrijzende haren. Ik herinnerde mij plotseling mijn antwoord van de vorge week. Ik schrok geweldig. Ik had twee verschillende reacties. In de eerste plaats het besef dat ik die woorden niet had moeten zeggen. Daarna de gewaarwording alsof het een ander was geweest die mijn vrouw dat antwoord had gegeven. In mijn verwarring vergat ik haar de afscheidskus te geven. Pas bij het station werd ik mij mijn verzuim bewust. Ik stond stil en begon verstrooid een van mijn handschoenen uit te trekken. Maar toen ik, uit de verte van mijn verstrooidheid, de andere forensen het station zag binnengaan, volgde ik hun voorbeeld.

Ik reis op een abonnement eerste klas. Ik ken de andere heren die eerste klas reizen van gezicht. Van sommigen weet ik de naam en waar zij wonen in het dorp dat door zijn tuinen ver uiteenligt, met alleen in het midden een kern van echte dorpshuizen die om de achttiende-eeuwse kerk staan geschaard. De heren groeten elkaar, wisselen enkele woorden, maken soms een praatje, maar zitten zelden in groepjes bijeen, zoals de reizigers in de tweede klas. Zij lezen de krant, hun correspondentie, een boek, of staren uit het raam om op een beschouwelijke wijze wakker te worden. Zij zijn goed geschoren en geknipt en zij demonstreren dat wanneer zij hun jas uittrekken en hun hoed in het bagagenet leggen. Zij strijken de haren glad, betasten een wang, schikken de stropdas, strekken de arm om op een polshorloge te zien en trekken zich een klein uur in zichzelf terug. Zodra het regelmatige gedreun van de trein overgaat in geratel, veroorzaakt door de wissels en bruggen van de stad, worden zij door een vertrouwde onrust bevangen die zij beleefd tegen elkaar uitspelen. Er is geen gedrang bij het uitstappen. Ieder ruikt de zeep waarmee de ander zich gewassen heeft. De coupes zijn zelden vol.

Vanmorgen bezag ik mijn medereizigers met andere ogen, zonder dat ik over dat feit verwonderd was. Voor het eerst voelde ik mij een met hen, ondanks de scheiding die wij tegenover elkaar in acht nemen. Ik constateerde het met een opwelling van schaamte en met een nog onduidelijke melancholie. Ik herkende hun gebaren als de mijne en hun beschaafde afzondering als de terugkeer van een eigen dagelijkse gewoonte. Met een lichte tegenzin trok ik mijn jas uit, vouwde hem in elkaar en hing hem aan het haakje naast het raam. Met dezelfde tegenzin legde ik mijn hoed in het lege bagagenet. Ik bedwong mij om op mijn polshorloge te zien. Ik verzekerde mij dat het zeven minuten voor acht was. Ik keek door het raam naar de teerbewolkte najaarshemel die nauwelijks in beweging was. Daarna, toen de trein reed, nam ik een boek uit mijn tas die ik naast mij op de bank had gezet. Maar ik kon niet lezen. Ik bleef met het opengeslagen boek in mijn hand zitten.

Ook zonder dat ik van mijn plaats in staat was het hele compartiment te overzien, kon ik mij de heren afzonderlijk voorstellen. Gebruikmakend van een lange ervaring die jaren in mij had gesluimerd, probeerde ik in gedachten hun afzondering te verbreken en hen in kleine groepjes in te delen, eerst naar leeftijd, vervolgens naar wat ik mij van hun karakters voorstelde, waarbij ik afging op de klank en buiging van een stem, wijze van kleden, mimiek, rookgewoonten, verschil in doortastendheid, of juist traagheid, en ten slotte op grond van de vraag of zij kinderen hadden, waarmee ik tot mijzelf was teruggekeerd.

Bijna alle heren dragen een gouden trouwring, waarmee zij wel eens, met drie vingers van de andere hand, manipuleren, alsof hij plotseling is gaan knellen. De meesten zijn, net als ik, van middelbare leeftijd, enkelen ouder, kaal of witte haren en waarschijnlijk al grootvader. Na de vakantie wisselen zij ervaringen uit en daarbij komen soms ook de kinderen of kleinkinderen ter sprake, maar altijd terloops, ongepreciseerd. Het kwam mij nu voor alsof ik door mijn nog grotere afzijdigheid hun wederzijdse vertrouwelijkheid had beperkt. Natuurlijk dacht ik ook aan mijn vrouw.

De gewaarwording dat een ander die woorden had gesproken was nu geheel verdwenen. Ik was het wel degelijk geweest en de woorden herhaalden zich in mijn herinnering als om ieder misverstand uit te sluiten. Plotseling dacht ik, werktuigelijk, of mechanisch, of hoe je het moet noemen wanneer een gedachte zich onstuitbaar aan je opdringt en je overweldigt: Wat zou ik van haar houden, haar respecteren, wanneer ik niets met haar te maken had!

Ik moest mijn tranen bedwingen. Mijn gedachten raakten verward. En toch leek het alsof ik bijna begreep waarom wij geen kinderen hebben, alsof ik vlak bij een verklaring was. Want dat ik niet met haar sliep, al in geen jaren, was natuurlijk geen verklaring maar de uitkomst van een proces van verwijdering dat zich bijna in stilte had voltrokken, op een even beschaafde manier als waarop ik in de trein nooit toenadering tot de andere heren had gezocht.

Een gevoel van leegte en radeloosheid beving mij, waarachter een onbegrijpelijke woede opdoemde die mij angst inboezemde. Ik had moeite stil op mijn plaats te blijven zitten, te volharden in de houding van een heer die zijn zaken van de vorige dag geregeld heeft en bereid is die van deze dag op zich te nemen. Ik was blij toen de trein begon te ratelen en ik de eerste huizen van de stad herkende, de morsige achtergevels, de verveloze balkonnetjes met hun uitstalling van wasgoed. Ik deed het boek in mijn tas. Ik durfde niet op te staan om mijn jas aan te trekken, mijn hoed op te zetten. Ik was nooit de eerste die dat deed. Ik was dankbaar toen de andere heren aanstalten maakten.

Met gebaren die mij door hun beheerstheid een zekere voldoening gaven, trok ik mijn jas aan als een beveiliging, een vorm waarin ik paste en waarvan ik de stof betastte. Ik voelde iets als liefde in mijn vingertoppen, een bewonderende behoedzaamheid die ik alleen aan dode dingen kwijt kon. Ik had vage herinneringen aan ogenblikken, misschien lang geleden, toen ik nog een klein kind was, ogenblikken waarin ik op de grond had gelegen, met de geur van huisvuil in mijn neusgaten, of in een reusachtig bed dat zich, evenals het donker, naar alle kanten uitstrekte, versuft, niet van pijn maar van een zwevende tevredenheid die uit onderwerping en een doordringende sensatie van stoffelijkheid was samengesteld.

Andere herinneringen, even onduidelijk, speelden er doorheen. Ik rook de geuren van zomer en winter in mijn geboortedorp, de goedkope zeep die thuis werd gebruikt, de kam op de wastafel van mijn ouders waarvan het hout op een armzalige manier was gemarmerd. Het was duizelingwekkend om, staande in de rij tussen de andere heren, tegelijk in beweging te zijn, in een trein die vaart minderde, van het ene spoor op het andere overging met een geluid alsof ijzer vermorzeld werd, onder een hoge vuile glazen koepel schoof, langs een tochtig perron waarop mensen wachtten om in de tegenovergestelde richting op reis te gaan. Het was mij onverdraaglijk om naar het achterhoofd, de nek en de jaskraag van de voor mij staande heer te kijken. Mijn ogen deden pijn van het eenvoudige zien.

Eenmaal uitgestapt haastte ik mij de trap af naar de uitgang, bevrijdde mij uit het gedrang op het stationsplein. Opgelucht deed ik stappen die ik niet als de slaafse herhaling van de stappen van anderen registreerde. Ik begroette de stad, niet als een verzameling huizen en gebouwen, tot straten, stegen en pleinen geschikt, door grachten in concentrische cirkels verdeeld, maar als een reusachtig lichaam waarvoor ik begeerte voelde als voor een vrouw, waarin ik bevend doordrong, terwijl ik plotseling, angstig en toornig, een zaaduitstorting had. Tekening Floor van Keulen