Europees debacle

SNELLER DAN MOCHT worden verwacht en gehoopt is Europa op de grenzen gestuit van zijn nieuwste concept: vrede door praten.

Na de ineenstorting van het Sovjet-rijk in Oost-Europa twee jaar geleden scheen de tijd rijp voor dit concept. Veiligheid was niet langer afhankelijk van militair vermogen, maar kon worden gevestigd op een fundament van wederzijds vertrouwen, waarvan 'de architectuur' (minister Baker) zou worden ontworpen op conferenties en via verdragen waarin de onderlinge betrekkingen zouden worden geregeld. Het concept is nu in de praktijk getoetst en het blijkt geen algemene geldigheid te hebben. Voorwaarde is dat betrokken partijen met schade en schande hebben geleerd dat niemand beter wordt van genstitutionaliseerd wantrouwen. Dat is momenteel min of meer het geval in de relaties tussen Oost en West.

Maar onder de verschillende volken van Joegoslavie heerst een door traditie gevoed en onuitroeibaar wantrouwen. Met een verblijf van tientallen jaren in een van buiten en van boven af opgelegd staatsverband is dat wantrouwen niet overwonnen. Bovendien zijn in de inmiddels in Kroatie uitgebroken burgeroorlog de Servische benden aan de winnende hand. Alles bijeen de slechtst denkbare omgeving voor een bemiddelingspoging, temeer als de bemiddelaars meer nastreven dan beeindiging van het bloedvergieten alleen en bij herhaling in ambtelijke werkkamers voorgeproduceerde schijnoplossingen aan de strijdende partijen trachten op te dringen.

DE MISLUKKING van de vierde missie van de trojka van de Europese Gemeenschap in Joegoslavie dit weekeinde moet als een Europees diplomatiek debacle worden bijgeschreven. Het onvermogen om aan de burgerstrijd met zijn tientallen slachtoffers een einde te maken is op zichzelf triest genoeg. Maar tegelijkertijd is hier een groep staten op een ontluisterende wijze met zichzelf geconfronteerd. De aandrang om in Joegoslavie de vrede te bewaren of te herstellen was nobel genoeg, maar dat ontslaat niet van de plicht om te komen tot een zinvolle analyse van de vraagstukken, tot een werkzaam initiatief en vooral tot duurzame eensgezindheid tussen de initiatiefnemers onderling. Er valt niet aan de indruk te ontkomen dat de Twaalf vooral werden gedreven door het verlangen zich te manifesteren als een politieke factor van betekenis, maar daartoe al bij voorbaat niet in staat waren omdat zij elkaar probeerden te overtroeven.

De geldingsdrang van de twaalf landen heeft nu een averechts resultaat opgeleverd. Dat was te voorspellen sinds het mandaat waarmee de trojka telkens weer op pad werd gestuurd meer het uiterlijk had van een moeizaam bereikt compromis tussen de Twaalf dan van een heldere opdracht op grond waarvan de zeer ingewikkelde toestand in Joegoslavie kon worden benaderd. Het plan bijvoorbeeld om de strijdende partijen gezamenlijk en onder internationaal toezicht een bestand te laten controleren had voor het bloedvergieten begon nog een zeker realisme kunnen worden toegedicht, maar toen ook het federale leger weerloze burgers begon aan te vallen, werd de bodem er uitgeslagen. Toch was dit plan de kern waaromheen de jongste missie van de trojka was georganiseerd.

DAT MINISTER Van den Broek er ten langen leste de brui aan heeft gegeven is begrijpelijk. Zijn stijl van diplomatie paste duidelijk niet bij de eigenzinnige Serviers die het van het begin af onverteerbaar vonden om in hun eigen hoofdstad examen te komen doen bij een gezelschap dat soms alleen zichzelf leek te vertegenwoordigen. De Duitse, Franse, Italiaanse en zelfs de Luxemburgse diplomatie waren immers voortdurend bezig de trojka te overschreeuwen. Op een gegeven ogenblik was er zelfs sprake van een 'schaduwtrojka' toen de ministers van buitenlandse zaken van Frankrijk, de Bondsrepubliek en Luxemburg vanuit Bayreuth de trojka van Van den Broek wilden bijsturen. En in Moskou kon ten slotte worden vernomen dat de trojka zich niet hield aan de afspraken die binnen de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) waren gemaakt. Die afspraken gingen namelijk uit van een een en ondeelbaar Joegoslavie en de Nederlandse minister leek dat pad te hebben verlaten.

TERWIJL EUROPA verder delibereert laten de opstandige Serviers van Kroatie niet veel meer over dan een rompstaat. Van Joegoslavie resteert nu een min of meer met rust gelaten Slovenie, een verpletterd Kroatie, een praktisch ontbonden federatie en een Servie dat met het probleem van een nieuw herrezen diaspora wordt geconfronteerd. Dat laatste roept onmiddellijk de vraag op wat er met de republiek Bosnie-Herzegowina zal gebeuren en welke gevoelens de Servische phoenix zal oproepen in buurlanden als Bulgarije en Griekenland. Europa zal zich niet, ook al zou het dat willen, van de Balkan kunnen afkeren. Maar in de verschillende hoofdsteden zal eerst het besef moeten doordringen dat Europese politiek geen nieuw etiket kan zijn voor ouderwetse Duitse, Franse of Italiaanse politiek. Als dat besef het zou winnen, zou de nu afgesloten fase van de mislukte bemiddeling achteraf alsnog een positieve betekenis kunnen krijgen. Ook al zouden de bewoners van wat eens Joegoslavie was daarvan niet onmiddellijk profiteren.