De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

Negers - bah! Ik haat ze. In Moskou waren het verwende zoontjes van Afrikaanse stamhoofden, die zogenaamd kwamen studeren in de Marxistiek maar in werkelijkheid achter onze meisjes aan zaten, en ze nog kregen ook met hun exotische haardossen en vage beloftes over meenemen naar het buitenland.

Leraren en televisie zeurden altijd over de vervolging van de zwarte Amerikanen door de witte. Wij vonden alles wat Amerika deed prachtig, en dachten: daar zullen de zwarten het wel naar gemaakt hebben. De avonden dat onze buurtbende zo'n ebbehouten prins in elkaar tremde, horen tot de weinige hoogtepunten uit mijn jeugd.

Hier ligt het anders. Ik val hier in een klasse van kleine husselaars, waar ook veel zwarten in zitten. Als ze uit Suriname komen kennen ze het leven hier beter dan wie ook.

Neem Oralaboro. Hem ken ik uit de wasserette. Dat is een plek waar je rustig een uur kunt zitten - iedereen wacht op z'n was. En het is een plek waar nogal wat textiel onbeheerd staat - niet iedereen wacht op zijn was. Ik had al een sokkenpaar en een onderbroek, en wilde net een T-shirt pakken, toen een zwarte hand me voor was.

“O, ik pik wel een andere”, zei hij.

We liepen in onze schone nieuwe kleren de wasserette uit. “Kan je leliekoppen?” vroeg mijn nieuwe vriend.

“Ik kan alles.”

“Ze betalen negen vijftig per uur plus kost en inwoning.”

“Waar?”

“De boeren in het Noorden - pak een fiets.”

Een paar werst uit de stad bleek mijn voorwiel scheef, leeg en aan te lopen. Daarom had dit kreng niet op slot gestaan.

“Ik durf niet stelen”, zei ik, “want de straf is: levenslang in eigen land.”

“Ik durf het wel”, zei Oralaboro, “want ik heb een Hollandse pas.”

We gingen liften. Dat wil zeggen: ik stak een witte duim op, en toen een vrachtauto stopte, stapte mijn zwarte vriend ook in.

De chauffeur wist een boer in Bruggerbrug die leliekoppers nodig had. Deze bood drie knaken per uur. We liepen liever nog wat door. In Burgerburg stond een bordje 'Leliekoppers gevraagd' en die betaalde een tientje per uur. Plus brood en hooiberg.

Leliekoppen is heerlijk. Het is echt werk, maar je kan er bij zitten en dromen. Ik droom van de dochter van de boer, Anna. Ik verleid Anna. Anna wordt zwanger. Boer wil mij niet als schoonzoon. Boer dondert van dak. Ik trouw en krijg boerderij. Ik verbouw coca in de kassen. De narcopolitie omsingelt mijn farm en begint te knallen. Ik vlucht. Mijn kapitaal kan ik niet meenemen. Ik besluit nooit geld in onroerend goed te beleggen. De boer is trouwens kinderloos.

De leliekopers geven wat ze verdienen uit aan bier, dans en tabak. Stom. Wat heeft het leven voor zin als je evenveel uitgeeft als je verdient? Geef meer uit en je geniet. Geef minder uit en je spaart.

Op een ochtend is mijn spaargeld weg. De Polen zeggen dat Oralaboro het gedaan heeft, maar ik verdenk een Pool. Ik sla zijn neus stuk en krijg mijn geld terug. Tijd om te vertrekken. Polen - bah! Ik haat ze.

Oralaboro belt naar zijn zus. Hij komt terug en zegt: “Dus jij bent die Rus van me zus!” Inderdaad, en ik zou het verzwijgen als onwaarschijnlijk, wanneer ik niet had beloofd hier de waarheid te schrijven.

Emilie zei altijd dat haar broer niet deugde: “Hij is lui. Hij heeft de slavenmentaliteit.”

Dat is haar vooroordeel. Niemand leliekopt zoals Oralaboro leliekopt.

“En zij zegt altijd dat je bij haar weg wilt, omdat ze van een uitkering leeft. Ze zegt dat je een rijke vrouw wil, die overdag weg is en die wit is.”

“Ze heeft gelijk, de schat.” wordt vervolgd