Plantsoenen in Parijs: 1. Parc Monceau

Van ons huis in Parijs naar het dichtstbijzijnde gras waar je op mocht lopen was een wandeling van zowat twintig minuten. Het was een afgebakend stukje van de uitgestrekte grasvelden van het parc Monceau, een klein gedeelte, elk jaar een ander, dat geselecteerd werd voor vernietiging. Het was een verbluffend gezicht, in het hartje van de zomer, al die mensen geconcentreerd op dat ene grasveld; hun activiteiten speelden zich af in horizontale lagen, zoals in een archaeologische afgraving: onderaan liggende, zonnebadende volwassen lichamen; dan, iets hoger, soms struikelend over deze obstakels, kleine stuurloze figuurtjes in verschillende stadia van het leren lopen; vervolgens op een wat hoger niveau grotere kinderen met ballen en fietsjes, en daar weer boven uitstekend stationnaire groepen moeders omgeven door aaneengesloten colonnes van kinderwagens en wandelwagentjes. Zelfs in de lucht boven hen was nog activiteit, want daar zweefden de frisbees. Op dit slagveld groeide aan het eind van de zomer, zoals te verwachten was, geen gras meer; er werd dan nieuw gras geplant en bijna met tegenzin een ander gedeelte afgebakend.

De expeditie naar het park, met kind en wandelwagen, was als de stilte voor de storm. Het was ook een nogal grootsteedse wandeling, je moest diagonaalsgewijze door een hoofdader van het verkeer heen, en dan weer door straten nauw als tunnels, overschaduwd door rijen van onopmerkelijke en bijna identieke gebouwen, plotseling uitmondend in de drukte van de rue de Rome, waar Mallarme heeft gewoond en waar de grote Parijse muziekwinkels zijn; uit hun etalages leerde mijn dochtertje onderscheiden tussen een guitaar en een viool. Het was als door het leven van anderen heenlopen: bijvoorbeeld de brug over de sporen bij het Gare St Lazare, meermalen geschilderd door de impressionisten: generaties kinderen moeten daar bij de balustrade hebben gestaan om net als wij naar de treinen te kijken, of komend langs het Conservatoire de Musique, waar we flarden muziek opvingen, vooral trompet, soms een contrabas. Even verder was het College Fenelon-Ste Marie; de scheiding tussen kerk en staat: er tegenover was een dependance van het Lycee Racine, dat in verkiezingstijd dienst deed als stemlokaal. Er stonden dan rijen genummerde panelen met propaganda van de politieke partijen, en een gendarme er naast vertegenwoordigde recht en orde. Misschien zouden we hier blijven wonen, en mijn dochter zou opgaan in deze gemeenschap waar wijzelf nooit een deel van zouden worden. Maar we zijn er niet blijven wonen en eens zal zij daar misschien lopen, zonder herinnering aan de zomerdagen dat ze door die straten werd gereden in haar wandelwagen.

Het laatste baken op de weg voor je het park bereikte was een kinderschoenwinkel, Les enfants du parc, waar je Startrites kon krijgen en ander duur buitenlands schoeisel. Eenmaal beging ik de vergissing er naar binnen te gaan: het was als een blik in de hel. Overal kinderen, waarvan er uiteraard niet een stil wilde zitten en op zijn beurt wachten. De geenerveerde moeders deelden oorvijgen uit die knetterend als geweersalvo's door de winkel golfden, terwijl het winkelpersoneel misprijzend over de uitgestrekte benen heenstapte.

In een van de romans van Zola, La curee, verwerft iemand met een door speculatie in onroerend goed vergaard fortuin een huis grenzend aan het parc Monceau. Dat waren in die tijd de nieuwste en chicste adressen, en wat er nog van staat is nog steeds indrukwekkend. Een vrijstaand huis in Parijs is al iets uitzonderlijks; deze hebben hun eigen tuinen met een prive uitgang naar het park. Maar het is bijna onmogelijk ze te zien zonder te denken aan de gewetenloze praktijken die zich afspeelden toen ze werden gebouwd, aan de uitzinnige luxe waarin de bewoners leefden en ellendig ten ondergingen, zoals Zola heeft beschreven.

Sommige van die paleisjes zijn nu kantoren, maar het parc Monceau is nog steeds omgeven door een overvloed van signes exterieurs de richesse; de kinderen die je er ziet zijn vermoedelijk de best geklede in Parijs. Niet modieus, niet ostentatief, maar duur en sober; le look du parc Monceau is ingetogen ouderwets en sterk Engels benvloed: de chicste baby's scheppen hun eerste luchtje in een Silver Cross kinderwagen, gaan dan over op pastelkleurige gebloemde jurkjes met smokwerk, of onberispelijke lange shorts in marineblauw. 's Winters dragen ze de tweedjassen met fluwelen kragen waar de Britse koninklijke familie al sinds mensenheugenis zo dol op is, herinnerend aan vooroorlogse foto's van de prinsessen Elizabeth en Margaret Rose. Deze kinderen luisteren naar namen als Alix en Marie-Astrid, Charles-Edouard en Pierre-Henri (ik heb werkelijk een tweeling met deze namen gekend, ze zaten vastgegespt in een enorme dubbele wandelwagen en hadden allebei dezelfde uitdrukking van duivelse ondeugendheid op hun gezicht; hun kinderjuffrouw deed herosche pogingen hun juiste benamingen te gebruiken, maar zijzelf noemden elkaar iets dat klonk als Chouchou en Pipou). Een veelgehoord geluid in het park was ook het hoge gegier van peperdure op afstand bediende autootjes, die pijlsnel tussen voeten en kinderwagenwielen doormanoeuvreerden als een miniatuur Paris-Dakar.

Het parc Monceau herbergt ook de kwaadaardigste oude dames. Nu zijn zulke dames een soort Parijs specialisme, maar die in het parc Monceau zijn onovertroffen - in het voordringen bij de ijsjes- en speelgoedkiosk, in het maken van scherpe opmerkingen over andermans kinderen en in het ostentatief afweren van wandelwagens, alsof die er op uit waren hen omver te rijden. Eens hield een van hen stil om te kijken hoe mijn dochtertje op en neer sprong in een regenplas met haar nieuwe rubberlaarsjes. 'On s'amuse', merkte ze op, goedmoedig, naar het scheen. Maar toen hervatte ze schamper: 'Ah oui, on s'amuse. We maken ons vuil, we laten Mama wachten en we zijn iedereen tot last' (On se salit, on fait attendre maman et on embete tout le monde). Medelijden overvalt je met het kind dat naar het park moet met zo'n grootmoeder; ook de moeders zijn vaak prikkelbaar ('Ah! ce que tu peux m'agacer!'), maar bij de grootmoeders ('Veux-tu descendre de la! Tu vas te salir! Viens mettre ton pull!') grenst 't soms aan het caricaturale; hun maniakale preoccupatie met sjaals, mutsen, jasjes en truitjes is pure pesterij; ik heb eens een jongetje gezien dat op een snikhete dag zijn 'pull' moest aandoen wanneer hij in de schaduw ging spelen, 'sinon tu vas attraper froid'.

Je kon ook nogal duur uit zijn in het parc Monceau; de prijzen van de ijsjes waren exorbitant; de schommels, waarvoor je zoals in wel meer Parijse plantsoenen van te voren een entreebiljet moest kopen, waren duurder dan elders en dat gold ook voor de draaimolen. Die was bovendien iets te luid (niet alleen wat betreft de muziek) voor de toon van het park, hij zat vol flikkerende neonlichten en was op geen stukken na zo mooi als zijn oude soortgenoot van de jardin des Tuileries, waar ik eens een aantal kinderen op zag ronddraaien in totale stilte, heel bevreemdend, of je opeens doof was geworden; er was geen muziek en de kinderen waren ademloos geconcentreerd op het vangen van een neerhangende ring met daartoe verstrekte stokjes.

De zandbakken van het parc Monceau waren voorzien van zeer praktische omheiningen, die het kleine kinderen min of meer onmogelijk maakten er onopgemerkt vandoor te gaan. Ze arriveerden met batterijen van emmertjes en schepjes met hun namen er op. De moeders bewaakten dit gereedschap met argusogen; een stilzwijgende etiquette, waaraan overigens niet altijd de hand werd gehouden, vereiste dat iedereen zijn eigen kinderen berispte als ze iets van een ander gebruikten ('Ne touche pas, c'est a la petite fille'). Als je dan zei dat het best mocht, griste de moeder het kind het object uit de handen en gaf het terug: 'Il faut qu'il apprenne'.

De beste herinneringen die ik aan het parc Monceau heb bewaard zijn de middagen dat het regende. Weg waren dan de mopperende grootmoeders, de Filippino kindermeisjes en hun modieus geklede pupillen, weg de bruidsparen poserend voor de fotograaf bij de namaak-rune; zelfs de eenden in hun door zuilen omringde vijver leken te herademen. Ik had in die tijd een vriendin, een Engelse die solo-danseres was geweest bij de Moulin Rouge, die ik soms in het park ontmoette (ik had haar daar leren kennen); dan schuilden we onder een boom en keken naar onze kinderen die speelden in het natte zand, en voelden ons gehard en onfrans. Eens, op zo'n middag, zagen we twee andere moeders gedecideerd voorbijstevenen door de plensbui, nagedraafd door een paar kinderen in regenpakken. We hoorden een stem, zo'n stem die ver draagt over de heidevelden. 'Jolly good', zei die stem. 'Nothing like a bit of fresh air!'