MEMOIRES (19)

Ik keek naar de oranje-rode gloed die uit de glazen koepel sloeg. Om mij heen stonden een paar van mijn zaalgenoten uit het logement in de Alexandrinenstrasse; ze rilden en bliezen hard in hun handen. We hoorden ruiten springen, balken knappen, plafonds inzakken. We zagen de brandweerlieden, de politiemannen, de toegestroomde nieuwsgierigen. Waar het nieuws vandaan kwam, weet ik niet, maar het was plotseling bekend: ze hebben de Hollander gearresteerd! Terwijl ik de mannen het aan elkaar hoorde doorvertellen, wist ik dat aan mijn verblijf in Berlijn een einde was gekomen.

Ik dacht aan de jonge metselaar met zijn wezenloze gezicht en aan zijn antwoord op mijn vraag wat hem naar Berlijn had gebracht. De revolutie, had hij gezegd. Nu was ik getuige van zijn eigen eenmansrevulotie. Ik herinnerde me hoe ik hem voor de bioscoop met een doos lucifers had zien spelen, hoe zijn ogen glinsterden toen hij er een brandend in de sneeuw wierp.

Achteraf, achteraf. Was hij een ordinaire pyromaan die naar een excuus zocht om zijn neigingen uit te leven, of was hij een revolutionair in de ware betekenis van het woord? Ik wist het toen niet en ik weet het ook nu nog niet. Soms lijkt hij op de een, soms op de ander. Waarschijnlijk was hij beiden: puur idealisme bestaat niet. In ieder geval staat vast dat hij geen strategisch talent was, want zijn wanhoopsdaad. ('Iemand moet iets doen!') had alleen maar averechtse gevolgen: de nazi's buitten de brand in de Reichstag ten volle uit en maakten zoveel mogelijk vijanden onschadelijk, de communisten beschuldigden Van der Lubbe van homoseksuele collaboratie met SA-bonzen en deden niets.

Tegenwoordig zie ik het vooral als een kwestie van interpretatie. Een halve idioot steekt een gebouw in brand. Een ieder geeft die onbegrijpelijke, in laatste instantie zinloze daad zijn eigen betekenis. En op zijn manier heeft een ieder gelijk. De getuigen van de geschiedenis geven ons een communistische en een nazistische Van der Lubbe, een verraderlijke en een onschuldige, een idiote en een idealistische, een debiele en een visionaire Van der Lubbe. Ik herinner me vooral de jongen die in de bioscoop mijn arm vastgreep.

Mijn voorgevoel bedroog me niet. Toen ik die ochtend vroeg terug wilde gaan naar mijn logement en de hoek van de Alexandrinenstrasse omsloeg, hoorde ik mijn naam roepen. Het was Willie, een van mijn communistische arbeidersvrienden uit de cafes. Hij had mij opgezocht in het Mannerheim om mij het nieuws van Van der Lubbes arrestatie te vertellen en had de wagens van de Kripo zien staan. Niet teruggaan, zei hij tegen me. Het sneeuwde, maar onder zijn lange jas had hij zijn onderhemd aan. Nog een Hollander in hetzelfde armenasiel als brandstichter? Ik zou zo goed als zeker worden gearresteerd, ook al omdat de politie er vast van overtuigd zou zijn dat een brand van die afmetingen nooit het werk van een man kon zijn. En wie door de nazi's werd gearresteerd was altijd schuldig, zei Willie. Ik geloofde hem. Ik draaide me om en liep met hem mee naar zijn huis. (Hij had gelijk gehad; later bleek ik inderdaad op de arrestatielijst van de Kriminalpolizei had gestaan.)

Diezelfde nacht vertrok ik uit Berlijn. Behalve mijn tas met manuscripten en wat geleende kleren van Wille had ik niets bij me. Ik had ruim vier jaar in de stad gewoond en het was zoals Auden me tijdens deze ontmoeting in Amsterdam voorspeld had:

Berlijn had van mij een expert in de liefde gemaakt. Ik kende honderden lichamen, ik wist wat het was om te verlangen en te bedriegen en te verliezen. Parallel aan die ervaring liep een andere: ik was begonnen met schrijven. Overigens zonder mezelf serieus te nemen; ik had immers geen persoonlijkheid? Zoals ik me in het dagelijks leven voortdurend spiegelde aan anderen, zo vulde ik ook mijn eigen boek in de eerste plaats met de belevenissen die niet van mijzelf waren.

Ik had een trein willen nemen, maar bij het station zag ik overal politiemannen staan en ik durfde niet verder. Ik probeerde te liften bij een uitweg. Na uren wachten werd ik verkleumd' en uitgehongerd meegenomen door een handelsreiziger in gezondheidscorsetten en breukbanden. Hij was een ronde, praatgrage man en kletste er vrolijk op los in zijn kleine bestelwagen - over de brand, het communistische gevaar en het nieuwe Duitsland, onderwerpen die inmiddels een thematische drieeenheid vormden - tot we de volgende ochtend zijn bestemming Kassel binnenreden. Daar kocht ik van mijn laatste geld een brood. Ik besloot meteen verder te liften.

Ik weet nog dat ik twee dagen later uitgeput in de bossen bij Venlo de grens overstrompelde. Ik had hier willen beschrijven hoe ik daar gekomen was, hoe ik mijn tas had verloren, hoe ik de dag daarop mijn ouders in Amsterdam terugzag. Ik had kleren aan die niet van mij (of van Willie) waren. Ik had een paar honderd Mark in mijn broekzak. Over mijn kin liep een vreemde rode striem.

Ook had ik willen vertellen of ik mijn oude studentenbestaan weer oppakte, of en hoe ik de politieke ontwikkelingen volgde, of ik nog contact had met mijn Duitse vrienden, hoe het verder ging met mijn liefdesleven. Ik herinner me er niets meer van.