Jugo (1)

Nu iedereen, van Den Doolaard tot J.P. Morgan, over Joegoslavie schrijft zal ik ook mijn steentje bijdragen. Het gaat over lang geleden want ik was er maar een keer. Daar moest ik het mee doen.

De reis werd gemaakt met een Volkswagen Variant, een type waarvan de motor plat achterin ligt, onder de laadruimte en derhalve nauwelijks lucht krijgt. Niet echt een auto om mee te nemen naar een ver en warm buitenland, zeker niet met een oplegger erachter, maar die oplegger moest wel want daarop stond een gele Steyr-Puch, een in Oostenrijk vervaardigde Fiat 500-licentie, in een voldoende aantal gefabriceerd om mee te mogen doen (om gehomologeerd te zijn is de technische term) aan standaard toerwagenraces. De inhoud van de halve Porsche-motor - letterlijk, want Ferry Porsche had de 2-cylinder boxer-motor ontworpen - bedroeg 648 cc, dus hij viel in de 650-klasse.

Omdat ik in Nederland met een tweedehandse, in Duitsland gekochte Puchwagen, zoals hij in Oostenrijk heet, Nederlands kampioen geworden was, had men mij uitgenodigd op de fabriek in Graz waar nog een echte ir. Puch, een witte vlezige man in een stofjas en te korte afzakkende sokken, de scepter zwaaide over de Rennabteilung en mij voortdurend Herr Staatsmeister noemde, wat me wel beviel. Ik zou worden opgenomen in het Puch-team waarin al langer een Hongaar reed en een jonge Joegoslaaf, der Jugo genaamd, omdat we zijn naam niet konden uitspreken. Er was een ingewikkeld puntensysteem ontwikkeld waarbij je punten kreeg voor de plaatsen 1 tot en met 6 van aankomst. Die punten golden voor de Europacup Toerwagens en tevens voor onze inkomsten, want je kreeg een aantal Oostenrijkse shillingen per punt, buiten de prijzen in zilver en natura (je kreeg in de satellietlanden waar we veel reden voornamelijk glaswerk als prijs), terwijl de fabriek het inschrijfgeld betaalde. Al met al geen vetpot kan ik u verzekeren.

Ik maakte de reis met een toenmalige racevriend, die op de heenweg het stuur zou nemen aangezien ik achterin op een matrasje zou proberen te slapen. Ik kwam nl. vers uit de Tulpenrally waarin ik niet in de kleinste klasse reed maar juist weer in de zwaarste, van 3 liter, met een Holman & Moody Shelby Mustang.

De reis verliep voorspoedig tot we achter Graz, op een kleine afsteekweg door de bergen een lekke band kregen aan de aanhanger. Daar was geen reserveband bij. De racevriend dacht dat nu zijn tijd gekomen was om te slapen en hij schoot languit het gras in. Ik ontkoppelde de Variant en reed op goed geluk het volgende dorp in, waar, tot mijn stomme verbazing, op 1 mei, de enige alom gevierde feestdag in dit soort landen, een dorpssmid aan het werk was. Ik wees op het wiel. Aha. Plakken kon hij niet maar hij wist wel iemand verderop in de bergen die net zo'n wiel had. Aan zijn auto. Hij reed meteen ongewassen mee. In de bochten hield hij zich goed vast en riep uit een slecht gebit grijnzend: ''Langzaam!'' Ik antwoordde dan: ''Rally!'' Dit was onze enige conversatie.

In de bergen stond een klein huisje. Een man deed open en de smid legde hem uit wat er was. Juist. We liepen de garage in waar ik voor slechts 300 gulden een wiel mocht kopen van zijn auto. Ik koos rechtsachter. Toen het los was, stond de vorige eigenaar erop dat we nog wat zouden drinken om de koop te vieren. Dat wilde de smid wel. Geheimzinnig verdween de gastheer naar de kelder en kwam terug met een mandfles zelfgestookte pruimenjenever. Er steeg een walm uit op die tot buiten te ruiken moet zijn geweest. Om tijd te winnen en om ervan af te zijn sloeg ik het bocht in een keer naar binnen. ''Mooi,'' riep de gastheer. ''Meneer is een liefhebber'' en schonk me weer eens vol.

De smid had intussen zijn oog laten rusten op een schaaltje inktvissalade dat op het dressoir stond. ''Prik een vorkje mee,'' zei de gastheer - ik spreek geen Joegoslavisch maar ik kon de conversatie goed volgen - en ja hoor daar zat hij al met zijn zwarte klauwen achter een bordje.

Op dat moment kwam moeder de vrouw thuis, na de wandeling, met dochter en dochters vriendin, een zeer voluptueuze schoonheid die niet geheel onopgemerkt door de kamer liep. Toen ze de deur achter zich sloot begon de smid meteen tegen de gastheer over haar te mekken, met uitdrukkingen als ''wat een ding zeg'' en ''daar ben je toch ook niet vies van he?'' Ook dat kon ik redelijk volgen. Ze lieten het arme meisje tot drie maal toe flesjes en kurkjes halen want die vriendelijke meneer uit Nederland die wilde zo dolgraag een slokje mee van dat heerlijke pruimenbocht, voor thuis. (Wordt vervolgd)