Gedenken kan veel zinvoller, ten gunste ook van de levenden

Er komt geen einde aan het plaatsen van monumenten voor de omgebrachte joden. In sommige gemeenten wordt, vijftig jaar na de vervolging, het eerste monument neergezet. In andere gemeenten wordt nog een monument onthuld. Toch heeft het ongeveer 25 jaar geduurd voor men de vermoorde joden ging gedenken. In die eerste 25 jaar na de bevrijding deed men moeite de herinnering te verdringen. Sindsdien is er een inflatie van monumenten. Miljoenen guldens zijn in steen omgezet. Hoeveel zinvoller zou men kunnen gedenken. Ten gunste ook van de levenden.

Zandvoort plaatst op 4 augustus een gedenksteen, 51 jaar nadat de synagoge is verwoest. Zandvoort, voor 1940 vooral door het joodse proletariaat uit Amsterdam bezocht, had de primeur van een verwoeste synagoge. Zij werd al in de nacht van 4 op 5 augustus 1940 verwoest. Als eerste gemeente ging Zandvoort tot arisering over. Als eerste gemeente wenste Zandvoort ook, afgelopen 4 mei, de stille tocht te schrappen. De gedenksteen komt op de plaats waar de synagoge heeft gestaan.

Geheel anders is het in Enschede. Het is de gemeente waar, dankzij enige verzetsstrijders en leden van de plaatselijke Joodse Raad, bijna eenderde van de joodse gemeenschap de vervolging overleefde. In het Volkspark is, lang geleden, ter herinnering aan de vermoorden een monument geplaatst van een joodse vrouw met kind. Binnenkort komt er nu voor de synagoge opnieuw een monument omdat vijftig jaar geleden de eerste joden uit Enschede werden gedeporteerd.

In Westerbork, het Nederlandse voorportaal van de vernietigings- en concentratiekampen, zal volgend jaar, als het vijftig jaar geleden is dat de eerste deportatietrein uit Westerbork vertrok, de onthulling volgen van 102.000 gedenksteentjes. Voor iedere uit Westerbork gedeporteerde jood, alsmede voor enige zigeuners, een steentje. Kosten twee miljoen gulden. Er staat in Westerbork al een monument van Ralph Prins en er is het Herinneringscentrum met een vaste expositie over de jodenvervolging.

Nadat de slag die de Duitsers de joden hadden toegebracht in zijn volle omvang doordrong, werden op de te groot geworden joodse begraafplaatsen herdenkingsstenen geplaatst. Het waren de joden zelf die gingen gedenken. Anderen hadden geen interesse. Kamp Westerbork werd op den duur afgebroken. Onmiddellijk na de bevrijding werd zelfs de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam weer beschikbaar gesteld voor 'vergaderingen, lezingen, concerten etc, voor gezelschappen van 40 tot 800 personen', zoals in het Algemeen Handelsblad werd geadverteerd. Toch was het de Hollandsche Schouwburg waarin de joden van Amsterdam en omgeving werden geconcentreerd alvorens te worden gedeporteerd.

Op initiatief van de zionistische en socialistische leider Sam de Wolf hielden particulieren een inzameling om het pand te kopen. Het werd vervolgens aan de gemeente Amsterdam aangeboden. Die liet het gebouw zo verwaarlozen dat het, op de voorgevel na, moest worden gesloopt. Eerst in 1962 werd op de vroegere binnenplaats van de Hollandsche Schouwburg een gedenkruimte gecreeerd.

Joods Nederland was genoodzaakt een groot deel van zijn gebouwen te verkopen. Synagogen werden kerken, badhuizen, opslagplaatsen. Tegen afbraakprijzen. Het synagogecomplex aan het J.D. Meijerplein te Amsterdam werd voor 500.000 gulden aan de gemeente Amsterdam overgedragen, nadat men had gedreigd de gebouwen steen voor steen af te breken als de gemeente nog langer bleef traineren. Pas in 1987 kregen de vroegere synagogen weer een functie. Het Joods Historisch Museum nam er zijn intrek.

In tal van steden werden de joodse buurten afgebroken. Reeds in 1949 stippelde Amsterdam de weg uit die tot het afbreken van de vroegere joodse buurt zou leiden. Stadsvernieuwing. Er was geen behoefte aan joodse herinnering. Men wilde zich met de gebouwen en buurten ontdoen van de herinnering aan het joodse volksdeel.

Zo zou het niet blijven. Het was Presser die met het in 1965 uitgekomen werk Ondergang, de vervolging en de verdelging van het Nederlandse jodendom, een schokeffect teweegbracht. Was eerst gepoogd de joodse herinnering te verdringen, vervolgens trachtte men de herinnering aan het joodse volksdeel terug te halen. Wat nog bestond aan gebouwen waarin vroeger synagogale diensten werden gehouden, maar die voor andere doeleinden werden gebruikt, werd op particulier initiatief teruggekocht. De gebouwen kregen een culturele bestemming.

In de jaren tachtig kreeg een andere vorm van herdenken de overhand: Opdat men niet vergete en Opdat het niet weer gebeure. Met dat doel werden gedenkstenen en monumenten geplaatst. Waar dat toe leidt is duidelijk. Iedere gemeente wenst ten minste een monumentje te bezitten. De gevolgen zijn vooral in Amsterdam duidelijk. Op vijfhonderd vierkante meter in de vroegere joodse buurt zijn zeven monumenten.

In de straat waar ik met praten, lezen en schrijven mijn brood verdien, is een gedenksteen neergezet voor gevallen strijders. Deze is op tien meter afstand van een urinoir geplaatst. Mensen gebruiken het urinoir, honden de gedenksteen.

Tweehonderd meter van het monumentje verwijderd is voor de Stopera een eenvoudig, maar prachtig monument in de bestrating verwerkt. Het is het monument voor het omgebrachte weeskind dat onderdak had gekregen in Megadie Jethomim, het joodse jongensweeshuis dat op die plaats bestond. Weinig passanten weten dat zij over een monument lopen.

Vijftig meter verder is het monument voor de Joodse Verzetsstrijder. Het wordt gebruikt als fietsenrek voor degenen die de Waterloopleinmarkt of het stadhuis bezoeken. In de nabijheid is ook nog het, kort na de bevrijding geplaatste en gezien de geschiedenis wat cynisch aandoende Monument van Joodse Dankbaarheid. Een huldebetoon voor de hulp aan joden. Het monument is bijna onvindbaar en bovenal onbereikbaar. Dan is er de plaquette op het gebouw dat tijdens de vervolging de creche-dependance was van de Hollandsche Schouwburg. Uit dat gebouw werd voor tal van kinderen een onderduikplaats verzorgd.

Van de zeven monumenten op de vijfhonderd vierkante meter hebben er twee een functie. De Hollandsche Schouwburg en De Dokwerker, geplaatst ter herinnering aan de heldhaftigheid van de Amsterdammer. Daar hoefde geen 25 jaar op worden gewacht. Dat werd al in 1952 neergezet.

Het plaatsen van monumenten ter herinnering aan joden is in Nederland zeer laat begonnen. Maar er schijnt geen einde aan te komen. Uiteraard zijn de honderdduizend omgebrachte joden uit Nederland, die deel uitmaken van de zes miljoen, nimmer voldoende te gedenken. Maar hoeveel zinvoller zou dat kunnen dan met steeds maar meer monumenten, die door hun aantal geen functie meer hebben. Hoeveel zinvoller kunnen de miljoenen die aan monumenten worden uitgegeven, worden aangewend. De doden kunnen worden herdacht door de levenden, ten dienste van de levenden.

Dat kan gebeuren door aan een of meer universiteiten leerstoelen te scheppen voor joodse geschiedenis of door opdrachten te verstrekken tot het beschrijven van de geschiedenis van de joden in Nederland, wat een nog nauwelijks ontgonnen terrein is. Van de geschiedenis van de joden in Nederland is vrijwel alleen de zeventiende eeuw beschreven en de periode 1933-1945. Nog steeds worden er miljoenen gestoken in stenen. Daar zijn de doden niet mee geeerd en de levenden niet mee gediend.