Fiscale paradox

EEN LAND HEEFT belang bij onderhoud van zijn infrastructuur. Ook een armlastige overheid moet zorgen voor nuttige zaken als wegen, bruggen en dukdalven.

Maar hoe meer de burgers rechtstreeks in die zorg delen, des te minder drukken de onderhoudslasten op de overheid. Vandaar dat het logisch is dat de overheid het bezit van een eigen huis stimuleert. Het is een simpele waarheid dat een eigenaar beter voor zijn eigendom zorgt dan degene die dat goed van hem huurt of leent. Met leaseauto's wordt ruwer omgesprongen dan met particuliere voertuigen.

Opeenvolgende regeringen hebben daarom gezegd dat het eigen-woningbezit moet worden bevorderd. Ook al omdat de staat in minder huurwoningen behoeft te voorzien als er meer mensen in een eigen huis wonen. En toch woont ondanks al die mondelinge steun maar 44 procent van de Nederlanders in een eigen huis. Alleen in Duitsland is dat percentage ook zo laag. In Groot-Brittannie en Belgie is het zelfs 65 procent van de bevolking.

IN HET huisvestingsbeleid bestaat een groot verschil tussen woorden en daden. In de jaren zestig nam de behoefte aan huurwoningen sterk toe. Jonge mensen gingen eerder op zichzelf wonen en het kleinere gezinsverband rukte op. De overheid werd geconfronteerd met explosief stijgende kosten van de woningbouw. Op zoek naar geld kwam de regering twintig jaar geleden met een originele fiscale redenering. Het bezit van een eigen huis is niet alleen een vorm van consumptie maar ook een vorm van belegging. Het rendement van de belegger is zijn 'woongenot'. Dat is immaterieel inkomen en dat moet volgens artikel 34 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 tot het fiscale inkomen worden gerekend.

Maar hoe groot is dat woongenot? Daartoe wordt gekeken naar de huren die voor vergelijkbare woningen worden betaald. Dat 'rendement' wordt vervolgens gecorrigeerd voor een reeks van factoren waaronder afschrijvingen en onderhoudskosten. Uit dat gecijfer werd het huurwaardeforfait geboren. De huizenbezitter moest belasting betalen over een fictief inkomen over een woongenot dat hij anders had moeten huren. Uitgangspunt: de huizenbezitter dient solidair te zijn met de huurder. Het huurwaardeforfait is sindsdien ingeburgerd geraakt. Voorstellen tot verhoging leiden periodiek tot felle debatten over de omvang ervan, maar niemand stelt het uitgangspunt van solidariteit van de huizenbezitter met de huurder ter discussie.

DE HUISEIGENAAR weet niet beter dan dat het huurwaardeforfait omhoog gaat als de huren stijgen. CDA-senator Boorsma illustreerde de paradox van het huurwaardeforfait onlangs treffend tijdens het debat over de verhoging van het forfait. Hij stelde de vraag of het redelijk was om - als een bibliotheek meer moet vragen aan zijn klanten voor het uitlenen van boeken als gevolg van bezuinigingen - ook de prijzen voor hen die geen boek lenen maar het in de winkel kopen te verhogen. En zo zijn er meer voorbeelden. De eigenaar van een wasmachine geniet ook een fictief inkomen. Als hij het apparaat niet had zou hij immers naar de wasserette moeten gaan.

De veronderstelde solidariteit van huiseigenaar en huurder is overigens rechtstreeks in strijd met het aanvankelijk gekozen beleid van stimulering van het eigen-huisbezit. Een beleid dat de regering nog steeds zegt na te streven - sterker nog, in 2000 zou 50 tot 55 procent van de bevolking in een eigen huis moeten wonen. Het ging er niet om dat het even gunstig was om een huis te huren of te bezitten. Het ging erom dat het uiteindelijk voor het land goed is dat zoveel mogelijk mensen in een eigen huis wonen. Volgens dat beleid mag het bezitten van een eigen huis dus best goedkoper zijn dan het huren van een huis. De huiseigenaar betaalt die 'winst' terug in de vorm van goede zorg voor zijn bezit en dat is in het algemeen belang. De solidariteit is bovendien eenzijdig. De huiseigenaar moet overdrachtsbelasting betalen als hij wil verhuizen, de huurder niet.

HET HUURWAARDEFORFAIT is geen belasting op goede gronden maar een creatieve vondst van een regering op zoek naar inkomsten voor een armlastige overheid. En zoals zo vaak strijden het belang op korte en dat op lange termijn met elkaar. Mede dank zij het in stand houden van het huurwaardeforfait en de voortdurende verhoging ervan blijft het eigen-woningbezit in Nederland achter bij de doelstelling. Die achterstand kost de overheid geld in de vorm van extra zorg voor huurwoningen. Die geldzorgen houden het huurwaardeforfait in stand. De fiscale paradox is compleet.