De warme Vlaamse hand die subsidies uitdeelt

Patrick Dewael, minister van Cultuur in de Vlaamse Gemeenschapsregering sinds 1986 toen hij dertig was, heeft de aandacht getrokken in een interview met Frenk van der Linden voor NRC-Handelsblad van 6 juli. Weinig lezers wisten dat er kortgeleden een boek van hem is uitgekomen over zijn baan en zijn programma, ongewoon voor een minister, onder de titel De warme hand. De robot die symbool is voor de technologie heeft een koude hand, zei hij in een speech in Tongeren in 1986, en hij vervolgde: “De Vlaamse regering heeft echter ook een andere, levende hand met warme vingertoppen”; sindsdien wordt er gesproken van de warme hand waarmee deze liberale minister subsidies geeft.

In het bijzonder is in zijn boek al opgevallen de stelling “Cultuurbeleving prikkelt, motiveert en genereert creativiteit, zodat ook de economische sector baat heeft bij een bloeiend cultuurleven”. In het interview noemde hij kunst en cultuur “een injectie, zo niet een basisvoorwaarde voor een bloeiend economisch leven”. Daarom verbaasde hij zich erover dat wij in Nederland volgens de kaasschaafmethode op de cultuur bezuinigen net als op alle andere begrotingen. Zo gaat het niet onder zijn bewind: “in vijf jaar tijds is mijn begroting met meer dan veertig procent gegroeid”.

Het is een moeilijk grijpbare materie voor oordeelsvorming. Wat noemen wij ook weer cultuur? Dewael geeft een ruime toepassing aan de term. Niet alleen de grote kunsten die ons boven onszelf en boven elkaar uitheffen vallen eronder, ook mode en gastronomie, volksmuziek en praatgroepen. Zijn visie is breed, maar hij kan niet verhelpen dat het woord met zijn preutse u's doet denken aan netjes zitten en pas laat naar huis mogen. Niemand die geboeid wordt door een stuk muziek of een boek voelt zich in een cultuurbeleving opgenomen, of denkt: laat ik iets geven voor de cultuur die mij lief is, zoals het Prins Bernhardfonds wil op zijn acceptgiro's.

De administratieve naamgeving is onaantrekkelijk; toch vinden de meeste lezers en concertbezoekers en studenten het terecht dat er gemeenschapsgeld wordt uitgegeven om hen bezig te houden, en zouden zij er een goed teken voor de samenleving in zien als zij in aantal toenamen.

Vandaar dat de meeste cultuurmensen geneigd zullen zijn Dewael het voordeel van de twijfel te gunnen. Het is denkbaar dat hij gelijk heeft: kunsten en wetenschappen zijn niet alleen onderhoudend voor ons, zij zouden wel eens winstgevend kunnen zijn voor iedereen.

Vervolgens is de cultuurmens zoals altijd verplicht om zijn eigen voorlopige conclusies te betwisten. Denk ik werkelijk dat het zo is, of komt het alleen doordat ik het graag zou willen?

Dan moet opgehelderd worden dat Dewaels visie zich in drie varianten laat uitwerken. De eerste is de neo-Keynesiaanse: wanneer er slapte heerst in de economie is het zaak er niet op te bezuinigen maar er juist meer geld in te steken, dan gaat het raderwerk weer lopen. Als algemene theorie is deze variant verouderd, maar wie weet geldt hij nog in bijzondere gevallen. Welvaart in de cultuur zou ten goede kunnen komen aan toeleveringsbedrijven zoals drukkerijen en de wijnhandel, en dan komt er misschien een sneeuwbaleffect op gang.

De tweede variant is minder speculatief: een bloeiende cultuur trekt toeristen aan. In Londen komen zij voor het toneel, in Parijs voor het Louvre, in Verona voor de opera: wij moeten zorgen dat wij ook iets hebben om vakantiegangers naar onze hotels te halen.

Het toeristische argument staat sterk, maar het lijkt niet te zijn wat Dewael in gedachten heeft. Het klinkt alsof hij een derde variant bedoelt: dat een levendige cultuur de algemene energie en ondernemingslust in eigen land zal bevorderen. Veel mismoedige mensen die telkens ziekteverlof nodig hebben zullen ervan opfleuren en zich inzetten voor de voorspoed van hun bedrijven; eindelijk is er voldaan aan hun “basisvoorwaarde voor een bloeiend economisch leven”.

Zou daar iets van aan zijn? Het is niet internationaal opgevallen dat Japan en Taiwan en Singapore zich moeite hebben gegeven om aan Dewaels basisvoorwaarde te voldoen. Misschien hoeft het nog niet aan het begin van een economische ontwikkeling; pas op den duur, om het animo gaande te houden. De Verenigde Staten dan? Daar zijn uitstekende culturele prestaties geleverd, maar zelden of nooit onder toezicht van ministers voor cultuur.

Het is altijd moeilijk om wanneer wij verband proberen te leggen tussen kunst en macht en voorspoed onze begrippen nauwkeurig te bepalen. Wie er lang over nadenkt raakt in de war; en er is nog iets ergers. In Dewaels visie doet iedereen welgemoed mee: vrijheidslievende, vernieuwende cultuurmakers en ontvankelijke werkers in handel en industrie die door nieuwe wereldbeelden verkwikt worden. Staan die mensen altijd zo prettig open? De waarneming van de dagelijkse werkelijkheid geeft een andere indruk. Zonder af te doen aan de vriendelijke woorden die soms gewisseld worden moeten wij vaststellen dat de meeste cultuurmakers lastige karakters zijn, verdeeld tussen onzekerheid, zelfoverschatting en wedijver; en dat de meeste voormannen van de economie onder te zware druk leven om op hen te letten en zich gestimuleerd te voelen door hun vormgevingen en vernieuwingen.

Hiermee is niet ontkend dat Patrick Dewael een opwekkende werking heeft op zijn lezer. Hij beweegt zich van hak op tak tussen de zorgen van zijn ministerie als iemand die alles uit zijn hoofd weet, en hij loopt geen kans om zijn bezigheden te ontspannen op te vatten. “Zelfs mijn eigen zus wijst me met de vinger, alsof ik de programmadirecteur zelve ben.”

Hij merkt heel goed dat alles moeizaam gaat, maar hij praat onverveerd boven de hoofden uit. “Wanneer krijgt ge nu eens een serieus departement, mijnheer de minister?” heeft hij wel eens te horen gekregen in Limburg, zijn land van herkomst; ook daardoor wordt hij niet van zijn visie afgebracht.

Het is verheugend dat hij de gastronomie onder de cultuurvormen rekent. De Belgen weten van goed eten, en aan de horizon van onze verwachtingen tekent zich een diner qui vaut le voyage af, waar kooplieden en industrielen zich met kunstenaars en academici zullen verenigen onder de hoede van minister Dewael.

Daar zal een voorbeeldige creatieve gezindheid klinken uit de speeches van de verschillende beroepsgroepen, en de genodigden zullen de minister dankbaar blijven dat hij zo'n cultureel gebeuren mogelijk heeft gemaakt.

Vervolgens gaan hun wegen weer uiteen. Als zij nu en dan opnieuw geloven in de culturele basisvoorwaarde zal het meer een kwestie zijn van stemming dan van overtuiging. De werkelijkheid is niet iedere dag hetzelfde.