De 'Ostbelgier': lachende derde tussen Vlamingen en Walen; Een volk van voorzitters

Tussen Nederlandstalige Vlamingen en Franstalige Walen leven in Belgie bijna 70.000 Duitstalige Belgen. Ze proberen met alle hen omringende volkeren “in osmose te leven”. Een ding willen ze niet: aansluiting bij Duitsland. “Toen hier na de val van de Muur de vraag werd gesteld of men nu ook weer bij Duitsland wilde horen, was er niemand te vinden die dat wilde”. Deel vijf van een serie artikelen over nationale minderheden.

De Oostkantons heten ze in de wandeling, de streek in het oosten van Belgie waar nog geen 70.000 Duitstalige Belgen een gemeenschap vormen die Heinz Warny, hoofdredacteur van het in Eupen verschijnende dagblad Grenz-Echo, omschrijft als een “inderdaad voor honderd procent beschermde minderheid”.

Het is wel eens anders geweest, want de bewoners van deze smalle, zich over honderd kilometer langs de Duitse grens uitstrekkende strook tussen het zuiden van Limburg en het noorden van Luxemburg, hebben een bewogen geschiedenis achter de rug, heen en weer geslingerd als ze eeuwenlang werden tussen bisschoppen, hertogen en dictators.

Het noorden van de streek, de omgeving van Eupen, behoorde vijfhonderd jaar lang bij Limburg, het midden tot de abdijen van Stavelot en Malmedy, het zuiden, de streek van St. Vith, stond onder het gezag van de hertog van Luxemburg, terwijl enkele andere dorpen nog tot het bisdom Trier behoorden. Napoleon maakte aan die versnippering een einde: hij deelde de gehele streek in bij het door Frankrijk ingelijfde Belgie.

Het Weense Congres besliste anders, moest wel anders beslissen omdat de Duitsers tot de overwinnaars van Napoleon behoorden: het gebied werd overgeheveld naar Pruisen, waar het meer dan honderd jaar zou blijven. Herinneringen aan die tijd zul je in de Oostkantons niet gauw vinden. Evenmin als aan de jaren '40-'44, toen Hitler het na de Eerste Wereldoorlog aan Belgie weer toegewezen gebied teruggebracht had in zijn Duizendjarig Rijk. Want, zo zegt Erni Mreyen, persoonlijk adviseur van minister-president Joseph Maraite van de Duitstalige gemeenschap: “Wij voelen ons Belgen, geen Duitsers”.

Dat wil niet zeggen dat er voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog in de bevolking van de Oostkantons geen mensen waren te vinden die sympathiseerden met de nazi's. Zeker onder boeren en arbeiders werd bewonderend gekeken naar de economische prestaties van Hitler. Maar dat enthousiasme bekoelde al snel toen na de annexatie in het Derde Rijk de jonge mannen werden gedwongen in de Wehrmacht te dienen. Zij deden dat in elk geval niet vrijwillig, zoals veel Vlamingen en Walen die naar het Oostfront trokken. Van de 7.000 'Zwangssoldaten' uit de Oostkantons kwamen er tweeduizend om het leven. Wegens collaboratie werd na de oorlog een veel kleiner percentage van de bevolking vervolgd dan in Vlaanderen en Wallonie en naar verhouding kwamen er meer mensen uit de Oostkantons, ook al waren ze dan Duitsers geworden, in concentratiekampen terecht dan andere Belgen.

Het leed uit die jaren is goeddeels vergeten, verdrongen soms. Degenen die schade leden hebben vergoeding gekregen, voor het grootste deel althans en de roep om amnestie voor mensen die collaboreerden, zoals in Vlaanderen nog veel wordt gehoord, is hier vreemd genoeg minder van toepassing. Erni Mreyen: “Er is hier natuurlijk collaboratie geweest, maar met het opkomen van de nazi's in de jaren dertig nam de stroming van hen die aansluiting bij Duitsland wilden juist af. En nu bestaat zo'n stroming helemaal niet meer”.

Dat is mede te danken aan de Belgische staatshervorming die het afgelopen decennium serieus ter hand is genomen en nu zijn voltooiing nadert. In 1973 kregen de Duitstaligen al een Raad van de Duitse cultuurgemeenschap, die in 1984 werd veranderd in de Raad der Duitstalige Gemeenschap, compleet met een eigen Executieve, net als Vlaanderen en Wallonie hebben. Die Executieve bestaat uit drie ministers die bevoegdheden hebben op het gebied van het onderwijs, de cultuur, de sport, de media en sociale aangelegenheden als de gezondheidszorg en de bejaardenzorg. De Executieve wordt gecontroleerd door de Raad, waarin 25 leden zitting hebben. Bij de verkiezingen vorig jaar oktober behaalden de christen-democraten acht zetels, de liberalen vijf, de socialisten, de Partei der deutschsprachigen Belgier en de milieupartij elk vier.

Er werd een 'grote' coalitie gevormd van christen-democraten, liberalen en socialisten, anders dus dan de regering in Brussel, waarin geen liberalen zitten, maar wel net zoals in de Vlaamse Executieve. Bovendien heeft Duitstalig Belgie drie afgevaardigden in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en twee in de Senaat.

De christen-democratische premier Joseph Maraite, die zetelt in een statig pand in het centrum van Eupen, het vroegere woonhuis van een textielbaron, is zich bewust van de wat belachelijk lijkende structuur die in het leven is geroepen om 68.000 mensen, een kleine provinciestad, te besturen. “We moeten er inderdaad voor zorgen dat het apparaat niet te groot wordt. We moeten flexibel blijven en pragmatisch. Het is hier te klein om in een getto te leven. We willen dan ook samenwerking met de ons omringende gewesten en gemeenschappen, we hebben culturele akkoorden gesloten met de Benelux, met Oostenrijk, met de Bondsrepubliek en Frankrijk. En we willen contacten met de twee Duitse deelstaten waar we aan grenzen.”

In de huidige structuur valt Duitstalig Belgie onder het gewest Wallonie, wat inhoudt dat beslissingen over economische zaken in Namen, de hoofdstad van Wallonie, worden genomen. Daarin moet volgens Erni Mreyen op den duur verandering komen, naar het voorbeeld van Vlaanderen, waar gewest en gemeenschap zijn samengevoegd. Mreyen: “Het meest logisch zou zijn dat er een vierde gewest in Belgie komt, na Vlaanderen, Wallonie en het Brusselse gewest ook nog een Duitstalig gewest. Dat hoeft niet te betekenen dat we helemaal autonoom moeten worden - voor 24 km autosnelweg hoef je natuurlijk niet een ministerie van verkeer in het leven te roepen - maar wel dat we gewestelijke competenties krijgen”.

Duitstalig Belgie moet, zo heeft Kurt Ortmann, de voorzitter van de Raad der Duitstalige Gemeenschap, het eens geformuleerd, “in osmose leven” met het omringende gebied. Minister-president Maraite zegt het hem na: “Als Europa '93 er is mag dit geen enclave zijn. We moeten zorgen dat we zoveel mogelijk contacten hebben en rekening houden met de ontwikkelingen”.

In de praktijk betekent dat dat Duitstalige jongeren in het gebied zelf geen hoger onderwijs kunnen volgen, maar voor 80 procent in Belgie en voor twintig procent in Duitsland studeren. Rechten en talen meestal in Belgie. Want wie in Bonn rechten studeert kan wel advocaat in de Bondsrepubliek worden, maar niet in Belgie.

De jongeren in dit gebied hebben vaak een streepje voor op de Vlamingen, en zeker op de Walen. Want ze zijn bijna van nature drietalig: het Nederlands is evenals het Frans verplicht op school en vaak leren ze ook nog Engels. Wat dat betreft zijn de bewoners van de Oostkantons Europeanen in optima forma. Financiele problemen bij het onderwijs zijn er soms wel: het Duitstalig onderwijs moet zijn geld krijgen van de Waalse gemeenschap, die in grote financiele nood zit. Voor onderwijs van gehandicapte kinderen is ook extra geld nodig: gehandicapten moeten naar blinden- of doofstommeninstituten in Duitsland, wat extra kosten met zich meebrengt. Het gaat om kleine aantallen, 36 blinde Duitstalige kinderen en vijf doofstomme.

Want in de Oostkantons zijn alle problemen kleinschalig, maar ook de gevoeligheden groter. Daar kan de hoofdredacteur van Grenz-Echo van meepraten. Heinz Warny is een grote, bedachtzaam pratende man met langzame gebaren en een intelligente blik in de ogen. “Als wij iets verkeerds schrijven staat er direct iemand op de stoep om zijn abonnement op te zeggen.” Bij rechtbankverslagen moet een verdachte heel omzichtig worden beschreven, zelfs zonder initialen, “want in zo'n kleine gemeenschap kent iedereen iedereen”. Warny vertelt over een vrouw die haar man had vermoord. “Die kende ik goed. Toen ze uiteindelijk, na lang voorarrest, werd vrijgesproken - er waren verzachtende omstandigheden - kwam ik haar de volgende dag tegen. Dan sta je wel even raar te kijken. We brengen het allemaal, maar wel in een wat omfloerster vorm.”

Meer dan Wallonie en Vlaanderen zijn de Oostkantons de afgelopen jaren milieubewust geworden. Toen in Raeren, ten noorden van Eupen, op voorstel van de gemeenteraad een centerpark zou worden aangelegd, wekte dat zo'n beroering onder de bevolking dat bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen de meerderheid in de raad de laan uit werd gestuurd.

Van Eupen, waar zich de meeste industrie bevindt, voert de weg door heuvelachtig landschap via de Hoge Venen in de omgeving van het overwegend Franstalige Malmedy naar Sankt Vith, waar het kleine en propvolle kantoor van de Dienst voor Toerisme van de Oostkantons is gevestigd. Want al zijn de Duitstalige Belgen dan allergisch voor massatoerisme, zij weten heel goed dat eenderde van de inkomsten van hun gebied direct of indirect afkomstig is van het toerisme. Het merendeel van de bezoekers is uit Belgie zelf afkomstig (54 procent), maar het aantal Nederlanders is de afgelopen jaren sterk toegenomen, tot meer dan 35 procent. Duitsers komen er ook wel, maar in veel mindere mate, zeven procent. Het lijkt er vaak op dat Duitsers een wat geringschattende kijk hebben op de 'Ostbelgier'. Duitsers die in Aken werken maar in de Ostkantons wonen, integreren niet in de bevolking, heeft Heinz Warny al gewaarschuwd.

En andersom botert het ook niet erg. De Duitstalige Belgen zijn wat televisie betreft natuurlijk wel aangewezen op de Duitse netten - er bestaat alleen een Duitstalige omroep, de BRF, de Duitstalige zender van de BRT - maar voor het overige orienteert de bevolking zich volledig op Belgie. En zet zich, net als de Vlamingen dat doen, zo mogelijk af tegen tekenen van Waalse suprematie. Dat uit zich bijvoorbeeld in wegwijzers waarvan de Franse benamingen van Duitstalige dorpen worden overgekalkt.

“Ach, dat zijn een paar taalfanaten”, zegt de kleine dynamische Manfred Dahmen, de directeur van het Verkehrsamt der Ostkantone. “Men is zich nu eenmaal heel erg bewust van die taal, die tenslotte nog niet zo lang als officiele taal in Belgie is erkend. Maar toen hier na de val van de Muur de vraag werd gesteld of men nu ook weer bij Duitsland wilde horen, was er niemand te vinden die dat wilde.”

Echte problemen zijn er eigenlijk niet in de Oostkantons. De werkloosheid (vorig jaar 6,5 procent) ligt er lager dan in Wallonie, iets hoger dan in Vlaanderen, maar de dienstverlening blijft een groeiende bron van werkgelegenheid. In een zo kleine gemeenschap is het vaak ook gemakkelijker om aan werk te komen dan in de anonimiteit van grote bevolkingsagglomeraties. Het verenigingsleven tiert er bijvoorbeeld welig, wat Dahmen tot de opmerking verleidt dat “elke Ostbelgier die geen voorzitter is van een of andere vereniging, dat aan zichzelf te wijten heeft”. Door de kleinschaligheid worden de zaken ook veel sneller geregeld dan in de rest van het land. Dahmen: “Toen hier een jeugdherberg moest worden gebouwd duurde het niet langer dan twee jaar voor die er stond nadat er een stuk grond was gevonden”.