De Nieuwe Kerk van god los

Net als mr Heldring, blijkens zijn rubriek Dezer Dagen van dinsdag jongstleden, had ik in The Independent het artikel gelezen waarin William Rees-Mogg de Nieuwe Kerk te Amsterdam beschouwt als het pars pro toto voor de Hollandse van-god-los-heid, omdat God daar niet meer geeerd wordt en de marmeren Michiel de Ruyter de plaats van God heeft ingenomen. Anders dan Heldring had ik ook de discussie gevolgd die daarop in de kolommen van dat dagblad gevolgd is. Iemand noemde het stuk een zeldzaam voorbeeld van 'romantisch katholiek conservatisme'. En een lezer uit Amsterdam wees op de omstandigheid dat voor Rees-Mogg een bezoekje aan dat kerkgebouw volstond voor een typering van 'de Nederlandse cultuur'. Dat is nu eenmaal het prerogatief van de journalist-op-reis: geef hem een enkele taxichauffeur en hij zal u the mood of the nation uiteenzetten.

Als tegenprestatie besloot ik een kijkje te nemen in Westminster Abbey. Rees-Mogg had immers aangevoerd dat deze niet 'in onbruik' is en een lezer had gespecificeerd dat er nog dagelijks tweemaal een eredienst wordt gevierd. Op zaterdag om drie uur zou evensong gezongen worden. In Londen bleek op dat moment een reeks metrostations door diverse calamiteiten gesloten en bovengronds werd mijn voortgang gestuit door een betoging van twintigduizend motorduivels, zodat het nog moeilijk was op tijd in de kerk te komen. Eerlijk gezegd stelde ik mij voor dat het daar toe zou gaan als in sommige Franse kathedralen: terwijl de massa bontgekleurde toeristen door de zijbeuken stommelt en hun gefluister duizendvoudig weerkaatst wordt door de gewelven proberen enkele oude vrouwtjes voor het altaar in gebed te verzinken - ongeveer zoals in het Openluchtmuseum klompenmakers en bezembinders hun oude ambacht beoefenen. Maar bij de toegang tot de abdij vroeg een bediende in rode frok streng of ik echt voor de dienst kwam, anders mocht je er niet in. Ik nam plaats in een bank en de dame naast mij vroeg of ik ook een kneeler beliefde. Dat was niet het geval, waarmee mijn geloofwaardigheid als kerkganger niet toenam. Veelbetekenend was dat zij zelf tijdens de dienst niet tot knielen zou komen, en ik kon dat begrijpen.

Het begon indrukwekkend. Het mannenkoor schreed binnen en het vrome gezang dreef ijl door de hoge ruimte; ik beken dat de tranen mij in de ogen kwamen. Maar al gauw werd mijn aandacht afgeleid door de maatregelen die de plechtigheid moeten afschermen van heidense nieuwsgierigheid. De zijdeur was gesloten en telkens knerpte de klink scherp door gebed, schriftlezing of hymne. Regelmatig slaagden toeristen erin zich toegang te verschaffen en dan schoot een ordebewakende dame toe om er fluisterend op te wijzen, dat er een dienst gaande was. Niet zelden gaven ze te kennen dat dit goed uitkwam en schoven de banken in. Hun knapzakken, surfbroeken en buikbundels maakten hen als kerkganger nog ongeloofwaardiger dan mij; ze namen eenvoudig de gelegenheid te baat om deze trekpleister eens goed in zich op te nemen. Maar hun kinderen verveelden zich spoedig hoorbaar, wat op zich bij een kerkdienst hoort, alleen niet dat de ouders besloten dan maar weer eens op te stappen en zich zogenaamd behoedzaam naar de uitgang te begeven.

De dame naast mij had geergerd de ogen gesloten, maar dat baatte niet. Voor ons besprak een echtpaar gedempt, de kaart op schoot, de hierna te volgen route. Achter ons klonk een ge- zoem als van een bijenzwerm. Toen ik omkeek zag ik achter dikke koorden een drom dagjesmensen staan te wachten tot het over was, en zij hun recht als bezichtigers van het eeuwenoude ge- bouw konden hernemen.

Ik moet het Rees-Mogg toegeven: hier werd inderdaad een eredienst gehouden. Maar of het een toonbeeld was van religieuze eerbied? Per saldo leek de gang van zaken in die Franse kathedralen nog eerbiediger: beter een continu geluidsdecor dan deze meer subtiele maar daarom juist des te hinderlijker stoornis, beter complete anarchie dan deze krampachtige en falende pogingen het decorum te handhaven. Zijn de Engelsen minder goddeloos dan wij? Een lezer van The Independent wees er op dat in Norfolk en Suffolk de meeste kerken gesloten zijn, ten prooi aan verval en vandalisme. Een ander vond zijn oude chapel in Londen omgetoverd in een disco, met aan de wanden nog de namen van de jonge parochianen die in de Eerste Wereldoorlog omkwamen.

Voor alle zekerheid (hoor-en-wederhoor-en-nogeenshoor) bezocht ook ik, terug in Amsterdam, de Nieuwe Kerk. Inderdaad bevindt zich de tombe van admiraal De Ruyter op de plaats van het altaar; de calvinisten hadden wel korte metten gemaakt met de roomse eredienst. Overigens heerste er, in het hoogtij van het toerisme, een aangename rust, een haast serene sfeer. Je had er kunnen bidden als je wilde, maar daar was geen regeling voor getroffen. Hier vond indertijd na het overlijden van Joop den Uyl een van de meest indrukwekkende plechtigheden plaats, die ik ooit bijwoonde - geen kerkdienst, wel eerbied.

''De restauratie van de kerk heeft tachtig miljoen en twintig jaar gevergd,'' licht de heer Alberdingk Thijm, voorzitter van het bestuur der Stichting De Nieuwe Kerk, toe. ''Daarna was de Hervormde gemeente in het centrum van Amsterdam uitgestorven. In het bestuur zitten hervormde, joodse en - het zal de heer Rees-Mogg goed doen - katholieke mensen. Wij programmeren met pieteit en respect: geen pasar malams, geen modeshows.''

Het antwoord op de analyse van Rees-Mogg werd gegeven door de eerder genoemde Amsterdamse lezer van The Independent: ''Kerken beslaan kostbare ruimte in het centrum van de Europese steden. De riten waarvoor ze werden gebouwd dienden niet alleen religieuze doeleinden, maar gaven ook geschoolde minderheden de gelegenheid politieke macht uit te oefenen over de rest van de bevolking. Nu die verdeling - Ford zij dank - verdwenen is, is het alleen maar goed dat de ruimte die de kerken innemen besteed wordt aan culturele functies waarvan de gehele maatschappij profiteert. Op den duur kan dat heel wel het gemeenschapsleven minstens zozeer ten goede komen als de minder op gelijkheid gerichte sacrale activiteiten van het verleden.''

Het uitgangspunt bij het beheer van de Nieuwe Kerk is volgens Alberdingk Thijm 'de ontmoeting tussen gemeente en gemenebest', dat wil zeggen tussen de geest van de Reformatie en de moderne gemeenschap. Alleen is hij daarin nogal teleurgesteld door laatstgenoemde factor, vertegenwoordigd door de overheid. De kerk ontvangt jaarlijks een half miljoen bezoekers en uit de recettes kan het budget van een miljoen gulden doorgaans gefourneerd worden. Dat aan zo'n gebouw geen cent subsidie wordt verstrekt is al opmerkelijk, dat de gemeente Amsterdam het gebouw thans ziet als een 'melkkoetje', goed voor enige tonnen aan onroerend-goed-belasting, acht de voorzitter ronduit 'schandalig'. Hij vecht de rechtsgronden van die inning nog aan, maar als de kerk deze strijd verliest komt de fiscus op de proppen en daarmee de rode cijfers. Het is, zou ik zeggen, van-god-los maar ik denk niet dat Rees-Mogg daarop doelde.