BRIEVEN UIT NAZI-DUITSLAND

Ik denk zoveel aan jullie: een briefwisseling tussen Nederland en Duitsland 1920-1949 bezorgd en toegelicht door Hedda Kalshoven-Brester 423 blz., gell., Contact 1990, f 45,- (gebonden f 65,-) ISBN 90 254 6914 0 pbk. ISBN 90 254 6922 1 geb.

'We zijn tegenwoordig altijd extra benieuwd naar je lieve brieven, fijn dat je alles zo uitgebreid vertelt. We leven zo mee met wat er allemaal in Duitsland gebeurt. Ik denk steeds: kon ik er maar eens even heen en zelf oordelen. Uit de verte zie je alles veel objectiever en rustiger, je oordeelt veel nuchterder dan wanneer je er zo middenin zit. Een ding hoop ik: dat Hitler zijn doel langs vreedzame weg kan blijven nastreven, en dat alles wat hij doet in de eerste plaats voor Duitslands bestwil is.'

Het is 11 maart 1933 en de brievenschrijfster heet Irmgard Brester-Gebensleben. Dertien jaar eerder - in juni 1920 - was zij, toen een dertienjarig Duits meisje uit Braunschweig, als 'oorlogskind' naar Nederland gekomen om in een Utrechts gezin, de familie Brester, aan te sterken. Het contact tussen Immo, zoals het meisje werd genoemd, en het pleeggezin bleef na dit eerste bezoek bestaan. Negen jaar later, in 1929, trouwde zij met August Brester, een van de twee zoons.

In de drukke correspondentie tussen Immo en haar familieleden in Duitsland, doen de laatsten verslag van de opkomst van het nationaal-socialisme. In het begin afstandelijk, later steeds meer betrokken. De meeste van haar familieleden treden toe tot de partij. Wanneer Duitsland in 1940 ons land binnenvalt, kiest Immo voor haar Nederlanderschap. De brief waaruit in de aanhef van dit artikel werd geciteerd, vormt een omslag, in die zin dat het de eerste brief is waarin Immo enige twijfel verwoordt over de juistheid van de politiek van de NSDAP: ''Zijn (Hitlers) maatregelen tegen de communisten worden ook hier met gejuig begroet, als ze maar niet naar een dictatuur leiden.'' Ook de economische politiek noemt zij 'kortzichtig': (over de hoge invoerrechten op bijvoorbeeld Hollandse eieren) ''Ik heb aldoor het gevoel dat het gezichtsveld van de nazi's te beperkt is.''

VERSCHEURDHEID

De brief markeert het begin van de innerlijke tweestrijd die Immo ondergaat: de keuze tussen haar oude en haar nieuwe vaderland, tussen haar Duitse en Nederlandse familie. Ze wordt heen en weer geslingerd tussen hoop en enthousiasme enerzijds, en twijfel en verdriet anderzijds. Die verscheurdheid vormt de kern van Ik denk zoveel aan jullie, waarin de correspondentie tussen met name Irmgard en haar grootmoeder Minna, haar moeder Elisabeth en haar broer Eberhard gedurende de jaren 1920-1949 centraal staat. De fragmenten uit een selectie van de brieven werden bezorgd en van toelichting voorzien door Hedda Kalshoven-Brester, dochter van Immo.

Het zijn fascinerende epistels. Zelden gaven particuliere brieven een zo indringend beeld van een tijdperk: de ontreddering en chaos na de ineenstorting van het Duitse keizerrijk; de angst voor het opkomende bolsjewisme, de materiele nood door de financiele crisis, het zelfbeklag over het verraad van Versailles, het enthousiasme over Hitler cum suis en de hoop op betere tijden, het rotsvaste geloof en het blinde vertrouwen. En tenslotte de ontreddering en chaos na de ineenstorting van het Derde Rijk. Het zijn vooral de gedetailleerde beschrijvingen van het dagelijkse leven die het boek zo interessant maken. De schets van een situatie waarin een jonge vrouw haar trouwring geeft als onderpand voor een brood, belicht de enorme inflatie in het begin van de jaren twintig op een emotionelere manier dan de zakelijke vermelding dat de koers van een gulden om 10.00 uur RM 125.295.000 was en slechts een uur later RM 125.914.000. Maar niet alleen het decor (de politieke ontwikkelingen) waartegen wordt verhaald over zaken als theater- en concertbezoek, de nieuwe inrichting van eet- en slaapkamer dan wel pleziertochtjes maakt de brieven uniek. Het is vooral de stellingname van met name Elisabeth, waarvan we nu zo goed weten dat die fout was.

Immo Gebensleben groeide op in een familie met een sterke zin voor traditie en nationaal gevoel, en in bewondering voor alles wat militair was. Na de verloren oorlog van 1914-1918 en de revolutie drukten heimwee naar de verdwenen glorie van het keizerrijk, het gevoel van vernedering en de materiele nood hun stempel zwaar op het denken bij haar thuis. Grootmoeder Minna von Alten-Rauch was een sterke vrouw, die twee oorlogen doorstond en drie van haar vier kinderen verloor. Ook haar laatste kind, Elisabeth, overleed voor haar dood. Ook deze Elisabeth von Alten, de moeder van Immo, was traditioneel ingesteld. Haar man Karl Gebensleben was Stadtrat (wethouder) in Braunschweig en ze leefde intens mee met wat zich op het politieke toneel afspeelde. Het verschil tussen Utrecht en Braunschweig moet voor de dertienjarige Immo groot zijn geweest. Haar Nederlandse pleegouders waren rustige, nuchter denkende mensen, overtuigde antimilitaristen, die waarde hechtten aan zelfstandig denken en oordelen. ''Maar denk eraan: geen autoriteitsgeloof, hoor je me, zelf nadenken!''

PAKJESAVOND

De eerste brieven van Elisabeth aan haar dochter bevatten slechts mededelingen over politieke ontwikkelingen en zij beperkt zich tot Braunschweig; Immo bericht over haar eerste pakjesavond, de opening van de Jaarbeurs en de eerste woordjes van dochter Hedda. Maar al snel worden er standpunten ingenomen. Immo's vader is weliswaar lid van de Burgerlichen (Deutschnationale Partei), maar vanaf de eerste vermelding van Hitler en de NSDAP (op 21 december 1931) schrijft Elisabeth enthousiast over de nationaalsocialisten. Immo reageert op een van die eerste berichten: ''Als het echt zo zou zijn, zo idealistisch!...eigenlijk te mooi om waar te zijn.''

Elisabeths eerste antisemitische opmerkingen volgen dan al snel: ''We hebben de Dreigroschenoper gehoord. (...) Het is toch ongehoord dat ze je zo'n stuk met de daarbij behorende ellendige jazzmuziek voorzetten, dat over de grootste ellende en gemeenheid van het leven gaat. De joden weer aan het werk, die ons volk steeds verder omlaag willen trekken.'' Reizend per trein ontmoet ze een jood, ''heel onsympathiek en verdacht (...) al had hij ons niet echt lastig gevallen.'' Immo reageert nu niet onmiddellijk, maar twee maanden later en in algemene termen, echter wel zonder aan duidelijkheid te wensen over te laten.

Aan socialisten en communisten hadden de Gebenslebens altijd al een grondige hekel gehad. Dat maakte ze beiden (hoewel Mutti meer dan Vati) extra ontvankelijk voor propaganda. Bijna letterlijk neemt ze de woorden van - in dit geval Hitler - in een brief aan Immo over, wanneer ze uitlegt dat niet de nazi's de Schaufenstersturm hadden uitgevoerd hoewel de ruiten van vooral joodse zaken aan diggelen waren gegooid, want: 'Vaak zijn het provocateurs die, zoals vaststaat, in de NSDAP genfiltreerd zijn om de nationale beweging in binnen- en buitenland in diskrediet te brengen.'' Communisten en meelopers - 'domme jongeren' - waren het, concludeert Elisabeth. Even verderop citeert ze Hitler: ''Pas op voor provocateurs en spionnen die, zoals we uit bewijsstukken weten, door de communisten binnen onze gelederen zijn gezet.'' Haar was nooit verteld zelf te denken.

De brieven van Elisabeth aan Immo worden hoe langer hoe enthousiaster. Met grote blijdschap ziet ze de troepen voorbij marcheren: de Reichswehr, Stahlhelm (de bond van oud-strijders), Schutzpolizei, SA en SS - en allemaal in Potsdammer paradepas. Vooral de redevoeringen van Adolf Hitler zetten haar in vuur en vlam. Uit de eerste brief die Hedda Kalshoven-Brester onder ogen kreeg en die haar nieuwsgierig maakte naar de rest:

''Het is een belangrijke dag vandaag. De wereld houdt haar adem in om de rijkskanselier te horen. Hij spreekt niet voor miljoenen, nee, voor honderden miljoenen. Immo, weet je dat ik vandaag bijna niet zonder tranen in mijn ogen aan de man kan denken! Is het echt mogelijk dat er in een mens zo'n kracht schuilt? En denk eens, Immo, een eenvoudige man uit het volk, een man die in de wereldoorlog in een loopgraaf lag! En die is Fuhrer van vijfenzestig miljoen mensen geworden! Hij zal de Fuhrer van de hele wereld worden! Ja, misschien lach je nu, Immo. (...) Als ze maar eens naar hem wilden luisteren en hem goed begrijpen! Deze man kent geen angst! Ik heb zo vaak aan hem gedacht toen ik onlangs bij de Siegfried zat: die moet leren om bang te zijn en dat niet leren kan. En die ruime blik en grote waardigheid. Onbevreesd en waarachtig zal ook zijn toespraak van vandaag zijn. En al verdraaien de tegenstanders van Duitsland er straks nog zoveel van, voor het ogenblik zullen alle buitenlanders die hem vandaag in werkelijkheid horen en niet vertekend door de pers, door zijn overweldigende persoonlijkheid gegrepen worden.''

Bladzijde na bladzijde bruist het enthousiasme de lezer tegemoet. Wat dat betreft (en alleen wat dat betreft), is het jammer dat zowel zij als haar man al voor de oorlog is overleden, zodat de desillusie en schaamte die zij ongetwijfeld zouden hebben hebben gevoeld, niet verwoord is.

WANHOOP

Immo's broer Eberhard had zich al in een vroeg stadium als vrijwilliger aangemeld. Hij vocht aan het oostfront, werd tot Oberleutnant benoemd en sneuvelde in 1944 in Belgie. De keuze zich vrijwillig te melden, had ernstige gevolgen voor zijn relatie met vrienden en familie. Van zijn oude vriend Carl-Heinz Zeitler zijn slechts enkele brieven opgenomen, maar het zijn wel de langste. Politiek gezien groeiden hij en Eberhard steeds verder uit elkaar, en juist de bedekte termen (de brieven werden gecensureerd) waarin deze Carl-Heinz zich tegenover Immo moest uitdrukken om aan zijn wanhoop uiting te geven, maken zijn brieven beklemmend. Eberhard zelf is de wanhoop nabij als blijkt dat zijn geliefde Herta een joodse grootouder heeft. Maar in tegenstelling tot de relatie met zijn vriend Carl-Heinz Zeitler verbreekt hij de relatie met Herta niet. Net zo min als die met Immo, ondanks de tweestrijd die de laatste moet voeren en die ook door haar dochter Hedda wordt gevoeld: ondanks de groeiende afkeer van iedere Duitse soldaat die ze tegenkwamen, ''vlogen we hem (Eberhard) om de hals en drukte ik mijn gezicht tegen hetzelfde grijsgroene uniform dat 'die rotmoffen' droegen''.

Na de oorlog (alle directe familieleden van Immo zijn dan overleden) kwam de correspondentie tussen haar en vrienden en bekenden in Duitsland langzaam weer op gang. Soms kreeg Immo wel eens het verzoek om wat koffie of spek te sturen. Die brieven verscheurde zij, boos om zoveel onbegrip.