'Acht jeugdtoneelopvoeringen zijn veel te weinig'

ROTTERDAM, 3 AUG. “Belachelijk is het. Onzin. Die mensen van de Arbeidsinspectie denken zeker dat je hier wordt uitgebuit.” Het is een zomerse vakantiedag, te warm om je op te winden, zelfs in de kantine van het uitgestorven Jeugdtheater Hofplein waar de airconditioning overuren maakt. Toch reageren Anna Visser, Rachel Baas en Lotte Tappers met verontwaardigde opwinding op het nieuws dat de Raad van State deze week de Arbeidsinspectie gelijk heeft gegeven in het standpunt dat kinderen van nog geen vijftien maximaal acht keer per jaar in een theatervoorstelling mogen optreden.

Anna (16), Rachel (14) en Lotte (12) volgen naast hun gewone schoolopleiding sinds respectievelijk drie, vijf en zes jaar de acht jaar durende Jeugdtheateropleiding in Rotterdam voor jongeren tot ruim twintig jaar. Iedere zaterdag krijgen ze vijf uur lang theorie- of praktijklessen in toneelspelen, dansen en zingen. Om het jaar spelen ze in een produktie, voor de gelegenheid geschreven door artistiek leider en jeugdtheatermaker Louis Lemaire of door een moderne Nederlandse schrijver (in het verleden waren dat onder anderen Guus Kuijer en Joke van Leeuwen). Volgens de leerlingen behoren de opvoeringen tot de hoogtepunten van de opleiding.

Acht keer optreden met een stuk is veel te weinig vinden ze. “Het gaat veel beter”, zegt Rachel, “als je een stuk vaak kan spelen. Het liefst zou ik het twee keer per dag doen.” Lotte knikt instemmend en voegt daaraan toe: “Als je erg moe bent kan je hier blijven slapen.” Anna, de opstandigste van de drie: “Misschien is de Arbeidsinspectie bang dat we door deze opleiding onze school verwaarlozen, maar er wordt hier op gelet dat we eerst ons huiswerk afhebben. De opvoeringen zijn trouwens altijd in de kerst- en paasvakantie, dus op tijden dat er geen school is en geen huiswerk. We kunnen dan ook makkelijk vijftien voorstellingen geven.”

Hoewel de Arbeidsinspectie er anders over denkt, is de wet in het verleden niet altijd zo streng nageleefd. Toen Jeugdtheater Hofplein in 1985 werd opgericht door Louis Lemaire (voordien verbonden aan de Rotterdamse jongerentoneelgroepen Wiedus en Ziezo) konden voorstellingen 24, 30, ja zelfs 36 keer gespeeld worden zonder dat er een haan naar kraaide. De eerste vijf jaar ging goed, maar tijdens de voorstelling Wij zijn jong in 1989-90 begon “het gedonder”, zoals Anna het uitdrukt.

Voorzitter van het bestuur van het Jeugdtheater, Hans Fortuin: “Nadat de mensen van de Arbeidsinspectie in de Kamer te kennen was gegeven dat ze niet genoeg hun best deden gingen ze plotseling strenger optreden en dwars liggen. Op een dag stapten hier een paar ambtenaren in regenjassen naar binnen om de voorstellingen te tellen. Bij de negende is proces verbaal opgemaakt en ben ik verhoord. Ze hadden inderdaad gelijk doordat ze heel formeel getoetst hebben, maar ik begrijp eigenlijk niet waarom ze hun tijd niet aan belangrijkere zaken besteden waarbij werkelijk sprake is van kinderarbeid.”

Louis Lemaire, die niet van zins is zich zonder slag of stoot bij de beslissing van de Raad van State neer te leggen, wil ook in de toekomst meer dan het toegestane aantal voorstellingen organiseren omdat de leerlingen anders geen kans hebben “in te spelen”. Lemaire: “Er zijn kinderen die vragen waarom hun broertje wel veertig voetbalwedstrijden mag spelen en zij niet twaalf keer per jaar mogen optreden voor publiek - dat geeft precies aan hoe onacceptabel de situatie is.”

Misschien kan alsnog een compromis gesloten worden, maar desnoods zal hij wachten tot ze hem “met het leger komen halen.” Volgende week beginnen in ieder geval de voorbereidingen voor het nieuwe jaar. Vanaf spetember zullen zeshonderd leerlingen teksten gaan interpreteren, toneelstukken van Shakespeare analyseren tijdens de dramaturgieles en stukken op video bekijken bij cultuurgeschiedenis. Alles is afgestemd op niveau en - enigszins - op leeftijd van het kind: de kleinsten van vijf jaar en ouder doen eenvoudige spellessen.

Anna, Rachel en Lotte vinden het lesprogramma niet zwaar. Anna: “Het is natuurlijk een voordeel dat je hier nooit een proefwerk of huiswerk hebt. Toch zijn er mensen die je voor gek verklaren als je vertelt dat je dit in je vrije tijd doet. Maar waarom eigenlijk: ik heb er zelf voor gekozen en ik vind het heerlijk, hier zijn mijn vrienden.” Lotte, die de praktijklessen heel leuk vindt, beschrijft een oefening waarbij het erop aan komt een emotioneel moment uit het verleden opnieuw te beleven; wat ze verder graag doet is “oude stukken interpreteren”.

Gerard Tappers is de vader van Lotte. Een van de positieve kanten van het Jeugdtheater, zegt hij, is dat Lotte er gedisciplineerder is geworden. “Ik heb de indruk dat ze daar het schoolwerk en het toneel goed kunnen combineren, waardoor de kinderen leren hun energie te verdelen. Aan Lottes reacties merk ik dat ze veel belang hecht aan een produktie en dat een rol voor haar heel stimulerend is.”

De voorstellingen worden altijd in twee bezettingen gespeeld, dit om “pedagogische en didactische redenen”, aldus Lemaire. “Als twee kinderen aan een rol moeten werken, leren ze hoe ze samen naar iets kunnen graven en dingen van elkaar kunnen overnemen. Het is een vorm van teamsport die bij acteren heel belangrijk is. We hebben er voor gekozen de leerlingen om het jaar aan een stuk mee te laten doen, zodat ze in de tussenliggende jaren theorie krijgen die ze later moeten toepassen. Zo beginnen we in het derde lesjaar met het uitleggen van vijf basisprincipes van Stanislavski, in het vierde jaar kunnen ze het geleerde dan in praktijk brengen.”

Waar het uiteindelijk om gaat, legt hij uit, is kinderen te interesseren voor kunst en cultuur, maar niet op een pretentieuze manier. Lemaire: “Dit is het soort school waar ik vroeger zelf dolgraag naar toe had willen gaan, maar in Hilversum waar ik woonde was alleen maar ballet en ik heb het daar nooit verder gebracht dan vierde kabouter van rechts. Laatst is een oud-leerling hier teruggekomen als docent, dat is toch fantastisch?”

Of Lotte, Rachel en Anna ooit zullen terugkomen om les te geven, weten ze nog niet, maar vast staat dat ze 'iets' met toneel willen doen. Het is een keuze die sterk benvloed is door de opleiding. Natuurlijk, ze doen op school ook wel toneel, maar dat is “nep” volgens Lotte en niemand vindt er wat aan. “Hier leer je echt toneelspelen.” Rachel: “En je wordt nooit uitgelachen. Zelfs de jongens hier spelen voor hun lol toneel.”