Van dezelfde stof; Elk kind heeft in zijn jeugdherinneringen een plek die het paradijs is.

Marienlo, het Twents Haagje, hoe toegankelijk ook gemaakt met spoorlijnen, kanalen en wegen, de witte wijven vlogen er nog altijd langs de bosrand bij het vallen van de avond.

Het mystieke land liet zich niet om zeep brengen. In de bossen, aan de voet van eik en beuk, wemelde het van de heksenkringen. Op de kortste dag van het jaar, met een knisperende kou tussen de takken, de buxushagen wit van de rijp en de vorst die ijskristallen maakte in de lucht, blies men er op de midwinterhoorn om de boze geesten te verdrijven. Het sonore, melancholieke geluid uit de meterslange toeter droeg kilometers ver in de omtrek, huiverde en klaagde door de kale boomtakken, drong boerderijen binnen en joeg zelfs heksenbezems in de berkebomen op tilt. De klank uit de Twentse schalmei was even zuiverend als de vrieskou. Heel het landschap resoneerde.

Vaak legde de man die de toeter bespeelde en zich de longen uit het lijf blies de kelkvormige klankbeker op de rand van een waterput, waardoor de betonnen mantel van de put en de spiegel van het zwarte, stilstaande water in de diepte tot klankkast werden. Op zulke midwinteravonden kleurde de hemel lila en violet boven de landstreek ten oosten van de IJssel, ook Transiseliana genoemd.

Transiseliana: de naam van een rijk aan gene zijde van de rivier.

De vermoeide, uit het westen komende reiziger betaalde muntgeld aan de veerman en stapte in een schommelend schuitje dat hem over het water, dat kalm golfde in de lichte en kille bries, naar de andere oever bracht.

Het landgoed De Bellinckhof, eertijds met dubbel 'f' gespeld, lag ver buiten de heerlijkheid van Marienlo, ingeklemd tussen weteringen als de Vriesen Aa en de Graven Aa. Verderop, in noordelijke richting van deze kerkse uithoek de Weitemans Landen met de Zwarte Plas, en weer verder de Pollen en Salland. Dwars door het hoogveen van de Pollen liep de Oude Bavesbeek naar het Duitsche Rijk. Evenwijdig aan het water ging een karrespoor; twee diepe groeven door het rulle zand die zich verloren in de verte van struikgewas, kruipwilg en houtwal.

Tot het bezit van de door een stenen muur omtuinde heerlijkheid behoorden een klooster met groentebedden en een waterbron, een boomgaard en bleekvelden, de kerk, de molen, wat pachthoeven en het stijlvolle grafelijk huis. Een diepe gracht en een hekwerk moesten de woning beschermen tegen leurende kooplieden, avonturiers en vagebonderende bedelaars die het gemunt hadden op de rijkdom uitgestald in de vertrekken van het huis. Al sprak uit de gevel puriteinse soberheid, de salons waren met schilderijen gestoffeerd.

De grafelijke familie die Huize Marienlo bewoonde, en ook de bezitters van havezathen als Warmelo en Diepenheim, genoten in hun woningen van oud-blauw aardewerk, van Chinees en Japans porselein en van de Delftse tegeltableaus in de gang. Dit familiebezit werd gekoesterd, het maakte de trots uit van de huizen, evenals de bescheiden boekerij in een der vertrekken, de bibliotheek met de gordijnen van trijp, waar ook atlassen en een wereldbol pronkten en almanakken en nieuwsbladen werden gelezen. De Twentse adel en haar nazaten gingen er prat op een waardige, weliswaar geen barokke of overdadige, staat te voeren. Zij waardeerden het bezit van een Amsterdamse klok; van fraaie kerkboeken met kunstig gedreven gouden of zilveren sloten, en dit alles niet alleen om er mee te pronken, maar om als levend goed in gebruik te hebben. Zij stelden er een eer in om in de kerk op de avondmaalstafel zilvergerei te zien, geschenk van een der vrome familieleden. Voor elk gastmaal aan huis werd de dis zorgvuldig belegd met glanzend damast, produkt meestal van eigen nijverheid, onwaarschijnlijk groot van afmetingen en talrijk van bestek. Een eettafel rijk aan decor.

Hun ogenlust ging uit naar hoogkaraats zilveren drinkbekers en kristallen karaffen, naar zelf vervaardigde handwerken, ragfijne borduursels, kleurige en zinrijke merk- en letterlappen. Voorts liefhebberde men graag in voordracht, zang en muziek en aquarelleerden de moeders en dochters van de rijke huizen niet onverdienstelijk.

Buiten de omheinde burcht of havezathe heerste de armoede die komt waar de grond schraal is.

Elk kind heeft in zijn jeugdherinneringen een plek die het paradijs is. De volwassene later verlangt ernaar terug, zonder het ooit opnieuw te vinden en te betreden. Het is onvindbaar geworden. En al is de herinnering het enige paradijs waaruit niemand verdreven kan worden, elke dag is er een van verlies.

De een heeft dat aldoor wijkende domein van vroeger vrijwillig verlaten, gelokt door verre steden of door landen voorbij de horizon. De ander nam noodgedwongen afscheid. Is de bitterheid groot, dan zal de volwassene steeds onverschilliger worden voor alles wat er nog komen gaat in zijn leven na de jaren in het rijk der vroegste jaren, en tegelijk met die nonchalance groeien het egosme, de drang tot het steeds rustelozer najagen van lusten, de hunker naar de drankfles en naar de staat van verdoving, de roeszucht.

Na de werkelijke lusthof van de jeugd resten er slechts de kunstmatige paradijzen: gedroomde tonelen van genot.

Ferdinand Fritzlins herinneringen keerden, jaren later, terug naar het in het groen verzonken landgoed De Bellinckhof met klimop langs de muren, de loom koerende bosduiven in het loof, zijn moeder in het schuin invallende ochtendlicht op het grindpad, de glans van de rode dakpannen na een regenbui, de hovenier met de schoffel op zijn schouder gelegd, de veranda waar in de zomer 's morgens koffie werd geschonken door een van de dienstmeiden.

Tijdens zijn kinderjaren was Ferdinand vaak in het kleine theater van Marienlo te vinden, en nog vaker achter de coulissen, aan gene zijde van het voetlicht, dan in de zaal.

Wat een weerzin beving de kleine Fritzlin als hij door de plaatselijke acteurs vanuit het heiligdom dat 'achter de coulissen' heette de zaal in werd gejaagd, waar het rook naar goedkoop parfum en natgeregende schoenen en waar de toeschouwers in gereformeerde stijl ritselden met snoeppapiertjes en pepermuntjes tussen hun tanden fijnmaalden. De hoog opgetaste pruiken van vrouwen vlak voor hem belemmerden hem het uitzicht. Suikerspinnen waarin hij liever niet zijn tanden zette.

Er was een bloeiend toneelleven in het stadje Marienlo, zich afspelend in Het Groenendaal, een ouderwetse uitspanning langs de weg van Marienlo naar Wierden, net voorbij een driesprong met de richtingen geschilderd op witte bordjes in de vorm van een wijzende hand, getimmerd in de stam van een honderd jaar oude beuk.

In de tuinzaal aan de achterzijde van Het Groenendaal oefende het amateurgezelschap en trad er op. De rechthoekige ruimte, met aan de korte zijde het podium, bood plaats aan tweehonderd toeschouwers. Op de houten speelvloer klosten de schoenen van de acteurs. Boven hun hoofd het toneelhuis, niet meer dan een duiventil op het rieten dak. Bij de scenewisseling verdwenen de decorschermen in de hoogte, geluidloos opgetild door een ingewikkeld stelsel van touwen, lieren en katrollen, en verscheen er een nieuw doek. Alles met de hand bediend. Aan een stellage die eruit zag als van meccano hingen de toneellampen.

In het licht van deze kunstmatige zonnen vertoonden de leden van het gezelschap, dat zich Achter het katoenen gordijn noemde of ook kortweg Het gordijn, enkele keren per seizoen hun kunsten. De zaal was bezet tot de laatste stoel. Er gebeurde verder niet veel in Marienlo.

Aan die andere kant van het voetlicht tijdens repetities of voor aanvang van de voorstelling, daar was Ferdinand het liefst. Te midden van de glimmerende stofdeeltjes in de theaterlampen, de touwen die na afloop van de vertoning het roodfluwelen gordijn ophaalden, de geur van met goudgalon afgezette kostuums, dicht bij de krullendraaierij van de acteurs en de nog natte verf van pas geschilderde decorstukken. De lichtbundels sneden door de rokerige ruimte. Alles opsmuk.

Bosschages waren nooit zo bedrieglijk echt (veel echter dan ooit buiten langs de grindpaden in het park van De Bellinckhof) als met fijn penseel afgebeeld op een reusachtig linnen doek. Voor wie wilde, geurden de bladeren en twijgen naar jasmijn. De struiken hingen aan kabels hoog in het toneelhuis, vanwaar ze op gezag van de toneelmeester neerdaalden. In de korte onderbreking tussen de bedrijven werd het doek opgehaald tot in de nok van het theaterzaaltje, en daar kwam alweer als bij toverslag een andere schildering. De hocuspocus der illusie, afkomstig uit de toneelhemel. Landgoed, zeegevecht, stadsmuur of vergezicht.

Duvelstoejager, leerde Ferdinand, heette de man die ronddraafde achter de schermen, aan touwen ging hangen of ze juist liet vieren naargelang een decorstuk omhoog moest of omlaag. Hagelde het of regende het pijpestelen, hij schudde met een blikken bus vol droge erwten. Rook maakte hij met een rookmachine. Hij klakte met zijn tong: de paarden draafden. Met een handjevol glasscherven in een blikken bus, gooide hij tienmaal dezelfde ruit in. Wind gierde over de daken of door de kieren van een eenzaam huis dank zij een stuk grof zeil dat was gespannen om twee cilinders. Draaide de duvelstoejager met een hengsel aan een van beide trommels, dan ontstond een zacht schurend ruisen. Net de wind die op een voorjaarsavond door boomtoppen waait. Draaide hij sneller aan het toestel, dan zwol de wind aan tot een storm, windkracht acht, negen. Het lag allemaal besloten in de handen van de duvelstoejager. Maar ook was hij de man die op het laatste nippertje met een veiligheidsspeld de aan de achterzijde opengescheurde japon van een der diva's sloot. Moest een auto gestart worden, hij reed de zijne tot aan de openslaande deuren van de tuinzaal en liet de motor loeien. Telefoons op het toneel rinkelden op zijn gezag. De meester van het bedrog.

De vader van Ferdinands vriend in het Twentse, Johan Verdegaal, was in zijn vrije tijd zo'n duivel-doet-al. Borstelig haar boven spitse wenkbrauwen, ogen waaruit aldoor de vonken der begeestering te voorschijn sprongen. Souffleerde hij de weinig tekstvaste leden van Achter het katoenen gordijn, dan was zijn stem tot op de achterste rij te horen. Ooit was het de bedoeling van dit gezelschap de achtergebleven bevolking van Marienlo en omstreken tot lering te dienen, maar dat streven liet men al snel varen. Ernst stond niet hoog in het vaandel geschreven. Liever vertier. Hoe kon anders de troosteloosheid van het Marienlose leven, op sommige dagen bij grijs weer net een langgerekte trage zondagmiddag, nog enige kleur krijgen? Het westen immers lag mijlenver weg, aan het eind van een klinkerstraat waarover niemand zich tot voorbij de horizon waagde. Die weg voerde langs gehuchten als Wierden, Rijssen, Nijverdal en Holten. Het vee had er voorrang.

Johan had een afkeer van de rammelende uitvoeringen die Het katoenen gordijn gaf in het kunstpaleis van Marienlo. De houten lambrizering van het interieur deed hem nog het meest denken aan een gelagkamer in een dorpscafe, waar hertekoppen met dode ogen aan de muur prijkten. Hij kon het niet aanhoren dat zijn vader luidop souffleerde met 'Houd de dief!' of 'Verlaat me niet! Ik val flauw...', en dat juist op het ogenblik dat een der notabelste dames zich achterover liet vallen en net buiten beeld van de zaal neerplofte op een stapel kussens. Haar boezem deinde in een ode aan de weelderigheid van haar lichaam. Voor Johan was het of hij keek naar een hok buitelende konijnen.

Hoewel de oude Verdegaal voor Ferdinand Fritzlin en zijn vriend in Het Groenendaal altijd twee plaatsen vrijhield, was Johan op de avond van vertoning in geen velden of wegen te bekennen. Ferdinand sloop dan vlak voor aanvang weg uit de zaal en bereikte via een geheime doorgang het koninkrijk dat heet 'achter de coulissen'.

Van toneel, dacht Ferdinand, kon hij iets leren.

De gebeurtenissen die zich voor zijn ogen ontrolden - overspel, dood, verraad, ontrouw, vergeefse liefdes, voorbije vriendschappen, het afscheid naar verre landen - leken immers op de gebeurtenissen in de buitenwereld. Het toneel was niet meer dan een afspiegeling daarvan, net zo opwindend of droefgeestig, maar dan ineengeklonken tot een avond waar de mens buiten de schouwburg een heel leven voor nodig heeft. Of er in zijn hele leven nooit aan toekomt.

Het gezelschap dat zo'n vier premieres per seizoen gaf, bood steeds meer revue en variete, soms een enkel blijspel met dwaze verkleedpartijen, maskerades, bedrogen echtgenoten en minnaressen onder het bed of in de kast verscholen. Pas later zou Ferdinand Fritzlin erachter komen dat huwelijkse perikelen van ontrouw en chantage, drankzuchtige vaders naar wie moeder en kind ('Waar is papa nou?') op zoek gaan in de cafes, kortom, dat hele regiment van gevaren dat het bastion van de echtverbintenis bedreigt, de onuitputtelijke bron is van alle toneel. In de jaren van Achter het katoenen gordijn was hij voor dit inzicht te jong.

Toch werd Ferdinand een verlorene, daar in Het Groenendaal. Hij raakte er zijn onschuld kwijt.

Valsheid verwarde hij met echtheid, een leugen hield hij voor waarheid. De belofte van liefde tussen echtelieden bleek een farce te midden van de sensuele frivoliteit van de twee veel te benauwde kleedkamers waarover het gezelschap in Het Groenendaal beschikte. Ferdinand kon niet langer een verzonnen verhaal onderscheiden van een echt verhaal, of het veinzen van een gemoedsaandoening van het werkelijke gevoel. Voor hem behelsde het allemaal de oprechte waarheid.

In Ferdinands ogen was Johans vader de aanstichter van deze zondige en dubbelhartige wereld. De man zelf leek nog het meest op een tovenaar met zijn flossige wenkbrauwen, altijd als in verbazing opgetrokken, en de spitse vooruitwijzende kin. Was hij aan het woord, dan priemde hij met een wijsvinger in de lucht. Rusteloos stiefelde hij bij de repetities over en weer op het podium, en al waren de spelers zijn gestechel allang moe, zonder de oude Verdegaal kwam er van de vertoningen al helemaal niets terecht. Wie liet anders een stormwind van zijn hand waaien? Of schilderde tot aan het ochtendgloren aan de decorstukken en sprong bij een voorstelling weleens weg uit zijn souffleurshokje om een krakkemikig, wankelend kamerscherm voor omvallen te behoeden?

Verdegaal leefde op tussen de toneelgordijnen; hij sprak er twee keer zoveel als daarbuiten, twee keer zo luid ook.

Wat was het geheim? De rolverdeling van de komedies volgde de persoonlijke genegenheden en liefdes binnen het toneelgezelschap, en stond haaks op de huwelijkse banden. Dus wie beminde op het toneel, beminde in werkelijkheid ook in het hart, al dachten de wederzijdse echtelieden in de zaal dat het maar spel was, theater, vastenavondgekte en franje.

Ferdinand voelde zich verbonden met de toneelspelers. Hij, goedgelovig en begerig naar die wereld waarin vrouwen hun gezicht poederden, liet zich door hen op sleeptouw nemen en inkapselen. Samen met de acteurs van Het katoenen gordijn koesterde hij minachting voor de toeschouwer in de zaal, die de waarheid van het toneel tot vermaak bestempelde en afdeed als tijdverdrijf voor zwakke zielen. Voor hem was de grens tussen werkelijkheid en gespeeld voorgoed vliedend: alleen de taal der hartstocht op de krakende planken onder het kunstlicht was echt, hoe van bordkarton zo vals het prieel van geschilderd lover ook was waar de geliefden elkaar de bekentenis deden.

Toneelgif en toneelwhisky, nepzwaarden en jachtgeweren met dichtgesmolten loop, tranen kunstmatig als imitatieparels, verdichtsel, trucage en zwendel: hij raakte erin verstrikt. Hij was graag onder die ongedurige toneelspelers. Pas vele uren nadat de laatste toeschouwer Groenendaal had verlaten, stapten de acteurs (dilettanten, maar toch) in hun auto's en waagden zich aan levensgevaarlijke, nachtelijke ritten door het dorp of over bochtige landwegen naar huis. De doktersvrouw even onbezonnen als de notaris; de vrouw van de dominee der Hervormde Kerk net zo onbesuisd als de ambtenaar van de burgerlijke stand, die trouwens altijd in elkaars gezelschap waren. Zij vertolkten iets van de fantasie voor het wilde leven. Hun toneelvereniging een geheim bondgenootschap.

Ferdinand hoorde het grind onder de banden opspatten en keek de wagens na, tot de rode achterlichten uit het zicht verdwenen. Er waren na de repetitie of voorstelling heel wat flessen leeggedronken, echte wijn en echte jenever vol alcohol, niet whisky zoals die eruit ziet en smaakt op de Buhne: als koude thee. Daar gingen ze weg in hun duistere, dubbele bestaan, de auto's met het pastelkleurige koetswerk van die jaren rakelings langs boomstammen sturend.

Hij had geen haast om met zijn fiets thuis te komen. Het waren maar een paar minuten van Het Groendendaal door de bomenlaan naar De Bellinckhof, de dynamo zacht zoemend tegen de zijkant van het voorwiel. De nachtlucht fris op zijn gezicht.

Zijn gedachten gingen terug naar de verlaten uitspanning. Ergens in de kleedkamer zou nog wel een lamp branden, door de toneelmeester vergeten uit te doen. Een kledingstuk lag achteloos gedrapeerd over een stoelleuning. Tegen de zoldering klonk de echo van het applaus. Een tekstflard hield zich schuil tussen de gordijnen. Op het lege toneel stonden de schimmen van de acteurs, hun stemmen weerkaatsten tegen de zoldering en onzichtbare vingers bladerden door een vergeten tekstboek in de hoek.

Het was poezie uit de oude tijd, bedekt door spinrag en tegelijk springlevend: “Van dezelfde stof zijn wij als dromen zijn; en ons kleine leven is door slaap omringd.' Een schouwburg is de wereld samengebald op een plaats. Een kamer verbeeldt een huis, een enkele berkeboom een bos. Die paar houten planken omspannen de aarde, ze strekken zich kilometers ver uit. Niets maakt zo duidelijk dat alles onderdeel is van een grotere ordening dan het theater.

Maar welke grotere ordening? De jonge toneelheld kon er nauwelijks woorden voor vinden terwijl hij de oprijlaan naar De Bellinckhof in zwenkte. Als een zwarte schatkist lag het landgoed tussen de bomen. Hij ging op de trappers staan en remde, sprong op de grond en keek langs de bomen omhoog naar de lichte, jagende wolken langs de hemel. In de stilte die hem omringde daagde het besef van een onmetelijke buitenwereld; het joeg hem angst aan. Er brandde geen enkel licht in het huis, zelfs niet de lantaren boven de entree. Ook het dienstmeisje voor de nacht sliep.

Hij dacht eraan hoe op dit ogenblik de vuist van zijn vader zijn kleine vuist zou kunnen omsluiten, was de man niet aan gene zijde van de wereld, daar waar brieven onbeantwoord blijven, in het hart van een ver land voorbij de evenaar, vanwaar hij misschien nooit terugkeerde. Ferdinands hand was dan onzichtbaar verborgen in de zijne, en toch wist hij dat zijn kleine vuist er nog steeds was. Opgegaan in iets groters, erdoor beschut.