Vallen

Toen de eekhoorn op een ochtend zijn deur uitkwam zag hij de olifant zitten, op een kleine witte wolk, hoog in de lucht, boven de wilg.

“Eekhoorn!” riep de olifant en zwaaide met zijn poten en zijn slurf.

“Ja”, riep de eekhoorn terug.

“Hoe kom ik hier van af?” riep de olifant.

“Ik denk dat je moet vallen”, riep de eekhoorn.

“Vallen??” vroeg de olifant.

“Ja.”

“Hoe gaat dat?”

“Ja...”, riep de eekhoorn, “hoe moet ik dat uitleggen...”

Het was een warme ochtend, de zon klom langzaam boven de bomen uit en de wolk werd snel kleiner.

“Kan je het niet voordoen”, riep de olifant met een benauwde stem, “nu meteen?”

“Dat is goed”, zei de eekhoorn en hij viel met veel geraas uit de top van de beuk naar de grond.

Met een grote bult op zijn achterhoofd en een gekneusde staart kroop hij overeind en keek omhoog.

“O”, riep de olifant. “Dat is dus vallen!”

“Ja”, kreunde de eekhoorn.

Toen liet de olifant zich ook vallen.

Maar hij viel niet zo goed als de eekhoorn, hij leek wel te dwarrelen, maar dan een heel vlug soort dwarrelen. Een eind voorbij de wilg viel hij achterstevoren tussen het riet in de rivier.

Door zijn snelheid viel hij meteen door het water heen naar de bodem en kwam door het dak in het huis van de waterslak terecht.

“Had ik op je moeten rekenen?” vroeg de waterslak verbaasd, toen de olifant met een zware klap in zijn luie stoel viel.

“Nee nee”, kreunde de olifant.

“Gelukkig maar”, zei de waterslak, “want dan hoef ik dus niets in huis te hebben.” Hij wreef zich in zijn handen.

“Maar ik heb misschien wel iets in huis”, ging hij verder. “Zal ik eens kijken? Waar houd jij van?”

En met een krachtige zwaai gooide hij de deur van een donker kastje open.

“Ik ben uit de lucht gevallen”, zei de olifant zacht. “Van een wolk.”

“O ja?” zei de waterslak, terwijl hij zich voorover boog in het kastje. “Ik bedoel: zo zo!”

Even later zaten zij tegenover elkaar en aten zoete algen, terwijl zij af en toe een slokje troebel water namen.

De olifant legde zo goed mogelijk uit wat vallen was. De waterslak had daar nog nooit van gehoord.

“Lijkt het op drijven?” vroeg hij.

“In de verte”, zei de olifant. “Heel in de verte.”

“Tsjonge, tsjonge”, zei de waterslak. “Dat zoiets mogelijk is.”

De olifant sloeg zijn knieen nog eens over elkaar, veegde een paar modderspetten van zijn slurf en zei: “En dan heb ik het nog niet eens over vliegen, waterslak.”

“Nee”, zei de waterslak. “Daar heb je het nog niet eens over.”

Hij schudde zijn hoofd en schepte het bord van de olifant nog eens vol.

Later die ochtend spraken zij nog over springen, dat volgens de olifant heel in de verte op schuifelen leek en ook wel op kabbelen.

“Kan jij kabbelen?” vroeg de waterslak.

De olifant dacht even na en zei toen, aarzelend:

“Nee, ik geloof het niet.”

“Ik ook niet”, zei de waterslak. “Maar het is wel mijn liefste wens: zachtjes kabbelen, als ik dat nog eens zou kunnen...”

Er verschenen rimpels op het voorhoofd van de olifant en nog lang zaten zij zwijgend bij elkaar in het huis van de waterslak op de bodem van de rivier.