Speel jij nog met een teddybeer?

Levend Speelgoed, stond op het winkelraam. Heleen had het gezien vanuit de tram die over de brug reed, dan had je even een seconde dat je in het nauwe straatje kon kijken en ze had net genoeg tijd gehad om het te lezen. Daarna had ze alsmaar bij haar moeder gezeurd of ze naar die winkel mocht en nu eindelijk had haar moeder toegegeven, omdat het bijna haar verjaardag was.

Het bleek een klein, donker winkeltje, met een stoffige etalage waar niets in lag; alleen een kaartje met datzelfde opschrift, Levend Speelgoed, en daaronder de woorden: 'te bevragen binnen'. Heleen kon merken dat haar moeder het maar een beetje raar vond, maar ze gingen toch naar binnen. In de winkel was geen licht aan; alles zag er stoffig en ouderwets uit: een houten toonbank met daarachter planken van donker hout, en op die planken zaten alleen maar een paar beesten van pluche: een olifant, een konijn, een aap, een leeuwtje en een teddybeer. Dat was alles en ze zagen er niet eens nieuw uit.

- Hallo, riep Heleens moeder, is hier iemand? Er gebeurde eerst niets en toen hoorden zij gestommel in de kamer achter de winkel. Er ging een deur open en daarin verscheen een dametje met heel zorgvuldig gekapt grijs haar en een lange zwarte japon aan. Om haar hals droeg zij iets dat Heleen nog nooit gezien had: een soort manchet van zwart kant, waarop zwarte gitten kraaltjes waren gestikt. Een zwarte poes die met haar mee naar binnen was gekomen sprong op de toonbank en ging zich zitten wassen.

- Mijn dochtertje had uw winkel gezien, begon Heleens moeder een beetje onzeker, en ze wilde met alle geweld komen kijken, ik denk dat ze nieuwsgierig was door het opschrift op het raam. U verkoopt speelgoed?

- Ja, zei het dametje, de dieren die hier op de schappen staan.

- En ze leven echt? vroeg Heleen.

- Hahaha, lachte Heleens moeder, ja hoor schat, dat staat immers ook op de winkel, levend speelgoed, ze leven echt.

- Jazeker, zei het dametje, ze leven echt.

Heleen keek naar de dieren op de plank. De olifant had een rode muts op met een kwastje dat over zijn voorhoofd hing, de aap droeg een maillot waar alleen zijn handen en zijn voeten uitstaken, met een beetje zwart haar bij zijn polsen en enkels; het konijn had een trommel voor zijn buik en de leeuw had een halsband om, maar het was vooral de teddybeer waar Heleen haar ogen niet van af kon houden: hij had een jasje aan dat open hing zodat je zijn buik kon zien, en zijn snuit was gemaakt van een lichtere kleur bont dan de rest van zijn lichaam. Zijn ogen waren een beetje dof, alsof hij al heel oud was. Zij had nog nooit zo'n lieve teddybeer gezien en ze wist zeker dat ze die voor haar verjaardag wilde hebben. Die beer en niets anders.

- Mama, zei ze, ik wil die beer voor mijn verjaardag.

- Ach kom, zei Heleens moeder, ben je niet een beetje te groot voor een teddybeer? En hij is geloof ik niet eens nieuw. Wat kost die teddybeer, mevrouw?

- Niets, zei het dametje, alle dieren hier zijn gratis.

- Gratis? zei Heleens moeder verbaasd, mag ze hem zo hebben?

- Ja, die beer is voor uw dochter, zei het dametje, speciaal voor haar, Heleen heet ze toch? Hij zit daar al een hele tijd op haar te wachten. Maar ze moet een ding beloven: dat ze hem weer hier terugbrengt als ze niet meer met hem speelt.

Vreemd, dacht Heleens moeder, ik kan me niet herinneren dat ik Heleen bij haar naam heb genoemd.

- Maar ik zal altijd met hem spelen, zei Heleen. Al word ik honderd.

De beer ging in een bruine papieren zak en Heleen kreeg hem mee naar huis.

Jaren gingen voorbij. Heleen werd groot, ze ging al naar de middelbare school. Vriendinnen die bij haar thuis kwamen zeiden: speel jij nog met een teddybeer? Hij is helemaal kaal! En toen ze een keer met vakantie was en haar kamer werd opgeruimd ging de beer in een kast.

Weer gingen jaren voorbij. Heleen was hem helemaal vergeten tot ze een keer de kast opendeed en toevallig omhoog keek. Daar zat haar beer, doodstil bovenin, op een plank. Teddy! Teddy! riep Heleen; zij pakte een stoel, haalde hem omlaag en omhelsde hem vurig. Teddy, snikte ze, Teddy, wat moet je eenzaam zijn geweest!

- Heb je nou die ouwe beer weer tevoorschijn gehaald? vroeg haar moeder.

- Ach Mama, je begrijpt er niets van, zei Heleen. Hij leeft. Hij leeft echt.

Je zou je in de hemel wanen.