'Prince' zo dol op oorlogsweesjes, dat hij ze gijzelt

MONROVIA, 2 AUG. Prince Johnson, de grillige rebellenleider in het door burgeroorlog verscheurde Liberia, is dol op kinderen. Zo dol, dat hij de jongens en meisjes die hij tijdens de oorlog met onder meer rijst en ander voedsel aan zich bond, nu nauwelijks meer wil laten gaan - diverse smeekbedes van ouders ten spijt. Internationale hulpverleners houden het er op dat Johnson de kinderen in gijzeling houdt, als een menselijk schild, als een onderpand in zijn schimmige strijd om de macht.

Johnson, ook wel omschreven als 'de bloedige prins van de duisternis', heeft op het ogenblik nog zo'n kleine 200 'oorlogswezen' op het terrein van zijn militaire kamp in Monrovia wonen. De kinderen zijn ondergebracht in twee kamers volgepakt met lange rijen veldbedden. De enige speelruimte die ze hebben is het stukje grond om hun kamers. Verder komen ze niet zonder toestemming van Johnson, want om het kleine gebouw en het speelterrein staat een hoog, goed vergrendeld hek, bewaakt door militairen in uniform.

“Prince Johnson houdt de kinderen als gijzelaars gevangen.” Jeanine Cooper, in Monrovia werkzaam bij Artsen Zonder Grenzen Belgie en programmaleider van een internationaal hulpprogramma voor oorlogswezen en straatkinderen in Liberia, is er van overtuigd dat Johnson de kinderen niet vrijwillig zal laten gaan. “Ze mogen niet weg. Wij hebben hier verschillende ouders langsgehad die tevergeefs bij Johnson hadden gesmeekt of ze alsjeblieft hun kinderen terug mochten hebben.”

Cooper gelooft dat Johnson de kinderen gevangen houdt om zo te voorkomen dat zijn kamp wordt overmeesterd door Ecomog, de interventiemacht van Westafrikaanse staten die vorig jaar in de burgeroorlog intervenieerde uit vrees dat de strijd de gehele regio zou destabiliseren. Ecomog heeft Monrovia volledig onder controle, maar schijnt het kamp van Johnson met rust te laten.

Jeanine Cooper, die voor haar hulporganisatie in Monrovia vrijwel alle huizen voor wezen en straatkinderen bezoekt, durft niet bij het 'weeshuis' van Johnson langs te gaan, zegt ze. Ze is bang voor Johnson, een onberekenbaar man die niet alleen de vroegere president Doe op zeer gruwelijke wijze voor het oog van de camera doodmartelde, maar die ook een internationale-rode-kruismedewerker om zeep bracht en die onlangs, blijkens berichten in de lokale pers, zijn belangrijkste strijdmakker, kolonel Moses Varney, vermoordde.

Volgens de laatste geruchten zou Johnson ook zijn eigen vriendin, Amy Collins, hebben afgetuigd en kaalgeknipt. Haar haardos is er inderdaad af en ze maakt een weinig gelukkige indruk. Collins, 'directrice' van het 'weeshuis', vertelt dat zij de kinderen graag naar hun familie terugstuurt - het liefst naar de ouders als die nog in leven zijn. “Maar dan moeten ze wel in goede conditie verkeren en dan moeten de ouders er wel klaar voor zijn.” Volgens Collins is dat veelal nog niet het geval.

Pag. 8:

'Weeshuizen verdienen soms aan kinderen'

De 'wezen' van Prince Johnson zijn het slachtoffer van de bloedige burgeroorlog in Liberia die vorige jaar omstreeks deze tijd zijn hoogtepunt bereikte. Een burgeroorlog die tienduizenden doden eiste, tienduizenden Liberianen op de vlucht joeg en tienduizenden families uit elkaar reet. Een burgeroorlog die weliswaar een einde maakte aan het dictatoriale regime van president Samuel Doe, maar die het land nu verdeeld houdt in verschillende rivaliserende kampen.

Rebellenleider Charles Taylor, de man die ruim anderhalf jaar geleden de bevrijdingsguerrilla tegen Doe inzette, controleert bijna geheel Liberia, met uitzondering van de hoofdstad Monrovia en omstreken. In en om Monrovia zwaait de interim-regering van dr Amos Sawyer de scepter, een vriendelijke wetenschapper met politieke ambities die door het Westafrikaanse interventieleger Ecomog in het zadel is geholpen. Naast de soldaten van Ecomog die het openbare leven in Monrovia controleren, hebben ook de 'vrijheidsstrijders' van rebellenleider Johnson en de soldaten van Doe ieder hun eigen militaire kampen in de hoofdstad.

Door de oorlog tussen deze verschillende facties raakte een groot aantal kinderen het afgelopen jaar ontheemd. Kinderen die hun ouders verloren, kinderen wier ouders in een andere uithoek van het land kwamen vast te zitten, kinderen die door hun familie de straat op werden geschopt om voedsel te zoeken.

Monrovia kende begin dit jaar meer dan acht weeshuizen, varierend van officiele tehuizen die er ook al voor de burgeroorlog waren geweest, tot gemproviseerde onderkomens van mensen die uit liefde loslopende kinderen om zich heen hadden verzameld, of van mensen die de oorlogswezen onderdak boden in de hoop zelf voedsel en giften te kunnen opstrijken.

Artsen Zonder Grenzen telde begin dit jaar zo'n 2.000 tot 3.000 wezen en straatkinderen in Monrovia en hield hun totale aantal op een veelvoud hiervan. De kinderen waren soms zwaar ondervoed, niet zelden ernstig ziek, en getraumatiseerd door de ervaringen van de oorlog. Enkelen hadden de meest afschuwelijke slachtpartijen en rituele moorden overleefd, of hadden zelf de wapens moeten gebruiken. Want de rebellen maakten graag gebruik van zeer jonge 'vrijheidsstrijders', jongetjes van 11, 12, 13 jaar oud. “Dat zijn meestal de beste vechters”, aldus een woordvoerder van Charles Taylor.

In een gezamenlijke actie begonnen Artsen Zonder Grenzen Belgie, Unicef en Foster Parents Plan begin dit jaar aan de renovatie van een aantal weeshuizen, aan de opzet van een alternatief tehuis in een van de vleugels van het kapotgeschoten en leegstaande John F. Kennedy ziekenhuis, en aan de aanleg van enkele onderkomens voor straatkinderen.

De organisaties proberen de kinderen nu, waar mogelijk, te herenigen met hun families. Jeanine Cooper, coordinator van het 'Programma voor wezen en in de steek gelaten kinderen', vertelt dat een aantal weeshuizen niet wil meewerken aan het herenigingsprogramma. “Sommige weeshuizen verdienen geld aan de kinderen, door bijvoorbeeld het gratis voedsel dat ze van de hulporganisaties krijgen niet voor de kinderen maar voor andere doeleinden te gebruiken.” Bij Johnson krijgen ze geen poot aan de grond.

Dank zij het herenigingsprogramma hebben inmiddels tientallen kinderen de weg naar hun familie teruggevonden. Zo ook Batsheba Benson, een slungelig, verlegen meisje van een jaar of veertien, het eerste kind dat met haar familie buiten Monrovia werd herenigd, in een dorp vlak bij Gbarnga, de plaats waar Charles Taylor zijn eigen 'regering' heeft gestationeerd. Vorige week stapte een schuchtere Bathseba met tranen in haar ogen over de drempel van haar ouderlijk huis, een lemen hut naast een kleine kerk midden in het dorp. Bathsheba had haar ouders toen drie jaar niet gezien. Haar ouders hadden haar, zoals wel vaker in Afrika gebeurt, op zeer jonge leeftijd bij familie in de grote stad ondergebracht, bij familie in Monrovia. Tijdens de oorlog is Bathsheba alleen komen te staan. Ze maakte op een gegeven moment deel uit van een straatbende, werd lichamelijk zwaar mishandeld, sliep in een verlaten auto en werd de laatste maanden door een Amerikaanse marinier in leven gehouden voordat zij begin dit jaar in het programma voor 'oorlogswezen' werd opgenomen.

De herenigingsplechtigheid vorige week in de kleine kerk van het dorp was sober en gevoelig. Alleen de politieke verhandeling van de minister van gezondheid van het kabinet Taylor viel uit de toon. Later, in een onderhoud met Raymond Chevallier van Foster Parents Plan, zette de minister zijn woorden nog eens extra kracht bij. Hij beschuldigde de internationale hulporganisaties van partijdigheid en nam het Foster Parents Plan kwalijk dat ze wel een project voor oorlogswezen in Monrovia financieerde, maar niet in 'greater Liberia', niet in de door Taylor gecontroleerde gebieden.

De woorden van de minister van gezondheid herinnerden onwillekeurig aan de commandant van het vroegere leger van Doe, aan generaal Hezika Bowen. Deze had daags voor Taylors minister van gezondheid ook al Foster Parents Plan om geld gevraagd, geld voor een eigen oorlogswezenproject op het militaire kamp van de Armed Forces of Liberia.