Post; Lul? pik? hij heeft het beroepsmatig honderd keer moeten benoemen, maar kan er nooit een passend woord voor vinden.

Hij zal je alles vertellen, hij heeft het beloofd. Hij is aan het grote bureau in de kleine kamer gaan zitten. In een la heeft hij een paar vellen luchtpostpapier gevonden, overgebleven van een afgestorven internationale vriendschap. Genoeg voor een eerste brief. Veel tijd om te lezen zul je daar niet hebben, hij zal het kort houden. Een kleine bekentenis: hij heeft het land in de atlas opgezocht en krijgt de indruk dat iedere keer dat hij een kaart van Afrika bekijkt, er steeds weer andere landen op staan - zo onwetend is hij.

Nog een bekentenis. Hij is deze brief begonnen, maar stuitte direct op een klein probleem. Al na het eerste woord kon hij niet verder schrijven. Schaamte, ongetwijfeld. En ontwenning, dat zeker ook. In zijn beroep (het saaiste beroep ter wereld, vertaler, herinner je je dat nog, hij heeft het je vannacht verteld) wordt met 'ik' altijd een ander bedoeld. Nu hij plotseling voor zichzelf moet spreken, gaat er van dat woord een onheilspellende dreiging uit. Hij vergelijkt het met die biologieles op school, toen hij zelf een naald in zijn vinger moest steken om achter zijn bloedgroep te komen; na een half uur van staren en zweten moest de lerares ingrijpen.

Een seconde heeft hij zelfs overwogen zijn belofte aan jou niet na te komen en niet te schrijven, nooit meer iets van zich te laten horen, je zo snel mogelijk uit zijn hoofd te zetten. Daar is hij in de loop der jaren bedreven in geraakt (in de laden van zijn bureau bevinden zich talloze briefjes met telefoonnummers die hij nooit heeft gebeld). Toen haalde hij vlot een streepje door dat 'ik' en schreef er 'hij' boven. Vanaf dat moment was het gemakkelijk. Vandaar.

Hij zal je alles vertellen, hij heeft het beloofd. Vanaf het moment dat je de deur achter je dicht deed (2 uur en 45 minuten geleden), heeft hij behoefte aan herinneringen. Liggend in bed heeft hij de film van jullie ontmoeting teruggedraaid.

Eerst zocht hij het bed af naar kleine bewijzen van je aanwezigheid: een geur, een haartje, gespleten aan het uiteinde, een vlek. Daarna verscheen je lichaam. Daar was het opnieuw: een zachte, blanke huid, een buik waarvan de spierlijnen hun scherpte weliswaar verloren hadden, maar toch nog duidelijk te zien waren, de uitstekende navel, echt een belly-button, het geheimzinnige schaamhaar, het warme, vriendelijke geslacht (lul? pik? hij heeft het beroepsmatig honderd keer moeten benoemen, maar kan er nooit een passend woord voor vinden; te grof, te verhullend, nooit het ding zelf), stevige, ronde billen. Het is het lichaam van een man waarin hij de jongen nog kan zien, vertrouwelijk en vertrouwd tegelijk.

De rest besloot hij voor donkere uren te bewaren, maar hij hoorde wel wat jij tegen hem gezegd hebt. Gefluisterd, hees, een beetje dronken. Weet je het zelf nog? Of schaam je je ervoor? Zelf is hij altijd bang de woorden van anderen te veel gewicht te geven. Hij vreest ongeoorloofde vrijheden, verkeerde interpretaties, foutieve vertalingen. Daarom heeft hij ook zo weinig teruggezegd, in het donker. Daarom zal hij je ook niet meer aan je woorden herinneren.

Maar wat hij nog wel heeft gedaan, vanochtend in bed, is twee beelden uit jullie film naast elkaar projecteren. Hij schept genoegen in het contrast tussen die twee scenes: in de eerste is het vroeg in de avond, jullie geven elkaar vormelijk een hand, omringd door anderen, glas in de hand, beiden een openbare blik in jullie ogen, bereid tot minzame vriendelijkheid ('Jij doet ook iets voor de uitgeverij?') maar allebei op jullie hoede; in de tweede is het zes uur later en liggen jullie in elkaars armen, zoenend en fluisterend. Ergens in die tussenliggende uren, denkt hij, weet hij, moet het beslissende, bepalende moment liggen. Wie heeft de eerste zet gedaan, wie is het spel begonnen? Hij kan het moment niet aanwijzen. Hij weet niet hoe het is gebeurd. Hij denkt aan jou.

Zo krijg je deze brief: de zwarte receptionist van het hotel verbastert je Hollandse naam en met een brede glimlach (hij mist een hoektand, zie je) overhandigt hij je mijn blauwe luchtpostenvelop. Je loopt ermee door gekoelde gangen. Links en rechts groet je collega's, die slap in leren lobbystoelen hangen of zich zwetend aan hotelpersoneel verstaanbaar proberen te maken. In de andere hand draag je een typemachine (of een portable computer). De lift deel je met een correspondent van Il Tempo, een kleine man in korte broek met een kale plek tussen zijn zwarte haar, die je vertelt dat de vredesbesprekingen zullen mislukken, omdat de rebellen uit zijn op de alleenheerschappij. Je knikt en zegt niets, want het is wat iedereen in het hotel al dagen achtereen doorvertelt. Jij hebt je eigen verhaal.

Op de glazen salontafel in je kamer is een nieuw fruitmandje neergezet. Je trekt het cellofaan eraf. Met het mesje dat ernaast ligt, schil je een mango. Je eet de vrucht en sap loopt langs je polsen. In de marmeren badkamer was je je handen, je kijkt een moment naar je gezicht in de spiegel, je loopt terug en gaat op het tweepersoonsbed liggen.

Je scheurt de envelop open.

Meer durft hij zich niet voor te stellen. Hij is bang je kwijt te raken door je te verzinnen. Hij heeft vandaag geprobeerd te werken. Hij heeft het je niet verteld, maar al jaren vertaalt hij de poezie van een dichter. Deze dichter koestert zich in zijn eigen eenzaamheid, hij heeft een geest als een isolatiecel. Hij schrijft weinig, maar des te minder hij publiceert, des te beroemder hij wordt, lijkt het soms. Hij, de vertaler, heeft deze beroemdheid nog nooit gezien, de dichter wil hem zelfs niet per telefoon spreken.

Hij heeft geprobeerd te werken, maar het lukte niet; de woorden van de ander bezorgden hem een vreemd claustrofobisch gevoel. In plaats daarvan heeft hij kranten en weekbladen gelezen. In Newsweek zag hij een foto van een soldaat met een afgehakt hoofd op een stok (het was de soldaat die bedrukt keek, het was het losse hoofd dat schaterlachte). In een zaterdagbijlage las hij een ooggetuigeverslag van een verpleegster die had moeten vluchten voor de oprukkende troepen van de rebellen. Zij had patienten moeten achterlaten in het ziekenhuis, doodziek, verlamd van angst, overgeleverd aan de genade van soldaten. Hij zag platgebrande dorpen, hij zag wrakken van jeeps, hij zag geknakte palmbomen, hij zag uiteengerukte kinderlichamen, hij zag en las honderd dingen die hij vaak had gezien en gelezen, alledaagse onvoorstelbaarheden. Hij zag en las ze voor het eerst.

Hij is jaloers op jou. Jij bent een ooggetuige. Wat jij ziet, de absurde werkelijkheid waar jij verslag van geeft, lijkt afbreuk te doen aan de bedachte woorden van zijn dichtende kluizenaar. Wanneer hij je voor zich ziet, bij een verschroeid dorp of een geplunderd ziekenhuis, ziet hij zichzelf tegelijkertijd achter zijn bureau zitten en schaamt hij zich.

Hij weet wel dat dit niet meer dan een oppervlakkige waarheid is. Zijn dichter draagt een andere, diepere waarheid in zich. Alleen zou hij op dit moment niet meer weten welke. Op dit moment zou hij zijn dichter graag de keel dichtknijpen om bij jou te kunnen zijn.

Hij heeft je brief ontvangen. Nog geen uur geleden. Graag bekent hij dat hij de afgelopen twee weken iedere ochtend de straat beneden heeft afgekeken, wachtend op het moment dat hij de jongen met zijn fiets om de hoek zag verschijnen. Een uitgebreide beschrijving van zijn dagelijkse valse verwachting zal hij je besparen; het geklepper van de brievenbus, een veelbelovende bons van een pak enveloppen en vervolgens de desillusie - rekeningen, brochures, tijdschriften, brieven en kaarten van anderen. Hij wil je alleen laten weten hoe blij hij was toen hij vanochtend de envelop zag liggen. Al had hij zich die zo vaak op de mat voorgesteld, dat het ding zelf bijna een anti-climax was. Geen moment heeft hij getwijfeld dat je terug zou schrijven (maar niet heus).

Je schrijft dat het goed gaat. Je schrijft niet wat er goed gaat. Hij zal niet doorvragen, maar kijk je wel een beetje uit, pas je goed op jezelf, loop je niet in zeven sloten enz.? Hoewel hij inmiddels alles weet over het gebied waar je je bevindt, over de sociale geografie en de politieke infrastructuur, en het gevoel heeft dat hij zelf met gemak zijn weg door het oerwoud zou kunnen vinden, weet hij niets van jou. Hoe serieus neem je je beroep? Ben je bereid gevaar te lopen? Kun je bloed zien? Hij weet niets van jou. Eigenlijk kent hij alleen je lichaam.

Hij heeft ruzie met zijn oude dichter. Je vroeg naar hem. Ze spreken niet meer tegen elkaar, dat wil zeggen, hij laat zijn werk onvertaald. Als hij eerlijk is, geeft hij toe dat ze al jaren waren uitgepraat, zijn gedichten zeiden hem niets meer, maar dat is eigenlijk nu pas tot hem doorgedrongen (jouw komst). De nieuwe reeks gedichten van de kluizenaar heeft hij in een la gelegd. Nu hij niet meer werkt, heeft hij het gevoel dat hij jaren van zijn leven heeft opgeofferd aan een schamel ideaal, aan de verzorging van een ziek en zwak en despotisch familielid.

Nu hij niet werkt, weet hij niet goed wat hij moet doen. Hij leest boeken over Afrika.

Jouw eerste reportage heeft hij natuurlijk gelezen. Hij ziet je behoedzaam door de straten van de hoofdstad lopen, het zweet in straaltjes over je voorhoofd, je ogen beschermd door een zonnebril. Hij ziet je zitten op gietijzeren meubilair in een groene tuin. Tegenover je, in een stoel bekleed met luipaardhuid, zit een massieve minister in een tropenkostuum. In zijn alledaagse antwoorden weet de man een subtiele dreiging te leggen 'You must realize, mister pressman...').

Hij hoort jou praten, bescheiden, aarzelend zelfs. De minister neemt je niet helemaal serieus. Jouw gestuntel met woorden streelt zijn fenomenale ijdelheid. Grootmoedig gaat hij je geruststellen. Precies wat je wilde. Hij vertelt meer dan hij kwijt wilde.

Je neemt een taxi terug naar het hotel. Onderweg trekt rumoer dat uit een zijstraat komt je aandacht. Je vraagt de chauffeur te stoppen en je stapt uit. Bij een stalletje langs de straat heeft zich een kleine menigte verzameld. Er is een fruitventer vermoord. Het lichaam van de eigenaar ligt achterover op zijn handelswaar, vliegen op zijn opengeslagen ogen, klodders bloed op de groene watermeloenen.

Dat is waar je aan denkt wanneer je later de lobby van het hotel binnenstapt, de warme druppels op de koele vruchtenschil. Je vraagt om je sleutel aan de balie en de receptionist lacht breed en dan krijg je mijn tweede brief.

Hij bekent: hij heeft het hotel gebeld. Ze zeiden dat je vertrokken was.

Waar ben je? In de binnenlanden? Ondergedoken? Of (altijd onzeker, altijd bereid het mes in zichzelf te zetten) wilde je hem niet spreken? Heb je de man achter de balie instructies gegeven? Hij probeert aan je te denken, maar hij ziet nauwelijks iets. Een hobbelende jeep, wegversperringen, soldaten leunend op geweren. Krantencliches, geen houvast voor zijn gemis. Hij maakt zich zorgen, vraagt zich af of je hem teruggeschreven hebt, is plotseling bang alles te verliezen.

Want nu jouw leven in een stroomversnelling is geraakt, lijkt het zijne op een bijna vanzelfsprekende manier tot stilstand gekomen. Hij ligt lang in bed, werkt niet, leest nauwelijks, neemt de telefoon niet op. Hij leeft van magnetronmaaltijden, die hem goed smaken zonder dat hij weet wat hij eet. Aan zijn bureau in de kleine kamer zoekt hij nog wel de kranten en weekbladen af naar het nieuws over Afrika, maar de gruwelverhalen over jouw standplaats roepen kennelijk verveling op of worden alweer overtroffen door andere, want hij leest nauwelijks meer iets over jouw oorlog.

Soms durft hij zich af te vragen of hij je nog wel eens zal zien. En als dat wel gebeurt, of een van jullie (jij, vreest hij) niet definitief veranderd zal zijn. Zelf heeft hij moeite zich jouw gezicht voor de geest te halen.

Hij heeft je 24 dagen geleden geschreven. Er had een brief terug kunnen zijn.

Hij heeft het nieuws gelezen.

Zo is het gebeurd: op weg naar een clandestien interview met de leider van de rebellen, op ruim driehonderd kilometer van de hoofdstad, is de jeep beschoten vanuit een hinderlaag. De chauffeur, een eenentwintigjarige zwarte verslaggever van een ondergrondse linkse krant, werd getroffen in het hoofd en liet het stuur los. De jeep met de passagiers belandde ondersteboven in een greppel langs de kant van de weg en vloog in brand.

Regeringstroepen beweren dat het de rebellen waren die schoten, de rebellen beschuldigen de regeringstroepen.

Hier heeft de minister van buitenlandse zaken geschokt gereageerd en om een diepgaand onderzoek gevraagd. Dat er volgens een deskundige op het journaal nooit zal komen, omdat 'in dat land nog nooit iets diepgaand is gebeurd'. De kranten melden het nieuws groot op hun voorpagina, het leven van de betrokkene wordt uitgebreid naverteld, hij heeft zelfs ergens een memoriam voor je gelezen.

En nu kan hij niet verder schrijven.

Hij had het kunnen weten: jij hebt je eigen verhaal. Vandaag kwam je tweede brief. Er stonden drie stempels op en nog een onleesbare krabbel in een vreemd handschrift, dus hij zal een lange omweg hebben gemaakt.

Hij heeft geaarzeld of hij hem open zou maken. Urenlang heeft hij hem op zijn bureau laten liggen. Maar dat geweifel was niets anders dan kiesheid, goedkoop fatsoen, had niets te maken met zijn echte gevoelens. Hoewel hij het nieuwe aanvaard heeft, bijna even gelaten als de minister en de hoofdredacteur en de collega's, is hij op een vreemde manier niet overtuigd: er zijn alleen bewijzen voor het tegendeel, zie je? Die envelop op de mat vandaag was even vanzelfsprekend als de vorige.

Natuurlijk heb je teruggeschreven.

Het is een brief vol verwachting. Je schreef hem vier dagen voor je het binnenland inreed, in een uitgelaten stemming omdat je er eindelijk in geslaagd was een ontmoeting te regelen met de Kolonel, zoals jij hem noemt. Anderhalf kantje (je schrijft klein en uitgelaten tegelijk: wat moet ik daaruit afleiden?) is gevuld met verslag van je machinaties om de Kolonel te strikken. Dan volgt een passage over jezelf. Je kunt slecht tegen de hitte. Je bent gebeten door een soort tor. Je hebt je haar heel kort laten knippen. Vanwege het stof heb je je contactlenzen tijdelijk vervangen door een bril. Je hebt typlinten te kort. Je verlangt naar huis.

Daaronder staan twee regels over hem.

Hij ziet je aan de opzichtige schrijftafel zitten, terwijl je het grove postpapier van het hotel in de typmachine draait. Je maakt de glazen van je bril schoon aan je T-shirt en denkt na en dan begin je te typen. Er wordt op de deur geklopt en er komt een jongen binnen met een dienblad. Hij zet het neer op de glazen tafel achter je en schenkt thee in. Je steekt je hand in je witte flanellen broek en haalt er een munt uit, die je achteloos in de hand van de ober drukt. Hij bedankt je met een complexe hoofdbeweging en loopt de kamer uit. Terwijl je typt dat je je haar kort hebt laten knippen, gaat je linkerhand onbewust naar achteren, naar je nek, en strijkt tegen de stekeltjes in. Je kijkt in de spiegel boven de schrijftafel en knipoogt naar jezelf. Dan typ je de twee regels over hem.

Hij is naar de begrafenis geweest.

Die nacht wordt hij wakker en herinnert zich hoe je je over hem heenboog en je lippen over zijn armen liet gaan in ontelbare kleine kussen en hoe het lange haar langs zijn huid streek en hoe je lippen langs zijn hals gingen en zijn mond bereikten en hoe zijn handen zich om je rug klemden en zijn tong langs jouw lippen bewoog en je lichaam onverwacht stevig en dan schrikt hij nog eens wakker en weet hij dat jij er niet bent.

Ongeveer twee maanden geleden kwam er nog een ansichtkaart van je. Je schreef hem op de ochtend dat je naar het geheime hoofdkwartier van de Kolonel zou rijden. Het is een foto van een oneindig vlakke savanne met twee giraffen in een elegante galop. In grote, haastige letters vraag je hem of alles goed gaat en of hij de drie vorige brieven wel heeft ontvangen en je schrijft dat het nu eindelijk echt spannend begint te worden. Je kust hem en zegt dat je meende wat je in je derde brief schreef. Liefs. Liefs. Liefs.

De kaart staat rechtop tegen het onderstel van zijn computer (hij heeft het een tijdje geleden in zijn hoofd weer goedgemaakt met zijn dichter en werkt weer), naast de twee brieven die hij van je ontving. Hij buigt zich over het gedicht van de kluizenaar en moet denken aan het vraaggesprek met de Kolonel dat nooit verscheen. Hij strekt zijn hand uit naar het woordenboek en denkt aan de brief die zal komen.