Ontbreken van visie hoger onderwijs wreekt zich

ROTTERDAM, 2 AUG. Een grotere autonomie voor universiteiten en hogescholen is mooi. Maar dat ontslaat de overheid er niet van aan te geven welke ontwikkelingen in het hoger onderwijs haar als wenselijk voor ogen staan. Moet, om een voorbeeld te noemen, het onderscheid tussen hoger beroepsonderwijs en universitair onderwijs, tussen universiteiten en hogescholen, verdwijnen zoals in Engeland de komende jaren gebeurt om zo onder andere beter aan de vraag naar hoger onderwijs te kunnen voldoen? Of dient juist het verschil tussen beide sectoren van het hoger onderwijs te worden versterkt en het huidige binaire stelsel krachtig overeind gehouden? Met een wetsvoorstel op tafel dat in elk geval voor de komende jaren de inrichting van het hoger onderwijsbestel regelt zou het goed zijn als de minister van onderwijs eens een beschouwing wijdt aan de gewenste ontwikkeling van dat hoger onderwijs, meent de VVD-fractie in de Tweede Kamer.

In het 'eindverslag' waarmee de Tweede Kamer de eerste fase afsluit in de behandeling van het voorstel voor de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de WHW, gaat de VVD forse taal niet uit de weg. Volgens haar kan Ritzen wel aangeven waarom het hoger onderwijs moet veranderen. “Maar het blijft volkomen vaag welke consequenties daaraan vastzitten voor de inrichting en werking van het hoger onderwijsbestel en welke eigen taak en verantwoordelijkheid daar voor de overheid uit dient voort te komen.” De VVD maakt zich daarmee woordvoerder van vrijwel alle andere fracties die, in meer bedekte termen, eveneens klagen over het ontbreken van een weloverwogen conceptie.

Het duidelijkst wreekt zich het ontbreken van een conceptie als de vraag naar de invloed van de overheid op het hoger onderwijs aan de orde is. Het wetsontwerp dat Ritzens voorganger Deetman in april 1989 bij de Tweede Kamer indiende vormt de uitwerking van diens dereguleringsnota uit 1985 (Hoger onderwijs: autonomie en kwaliteit). Deze nota voorziet in een grotere autonomie van de universiteiten en hogescholen en derhalve in een verminderde invloed van de minister op de (dagelijkse) gang van zaken. Het idee dat je voor kwalitatief goed onderwijs zorgt door alles vooraf precies in wetten en regelingen (zoals het Academisch Statuut) vast te leggen, werd verlaten. Sturing vooraf zou grotendeels worden vervangen door controle achteraf en als er zou worden gestuurd, zou dat globaal zijn. Daartoe werd onder meer het onderwijsaanbod in een beperkt aantal sectoren ingedeeld, zoals techniek en taal en cultuur.

Een jaar na de indiening van het wetsvoorstel laat Ritzen in zijn eerste Nota van wijziging de indeling in sectoren vallen. Hij wil universiteiten en hogescholen zelf helemaal verantwoordelijk maken voor het onderwijsaanbod. Wel zouden ze hun opleidingen moeten aanmelden bij een 'centraal register' waarin niet alleen allerlei gegevens over de opleiding maar ook een kwaliteitsoordeel over de opleiding zou worden vermeld. Inschrijving in het register was nodig om de studierichting gefinancierd en het diploma erkend te krijgen.

In deze opzet gaf de minister elke mogelijkheid tot correctie uit handen en dat ging de Tweede Kamer veel te ver. De Kamer vindt dat de minister echter moet kunnen ingrijpen als er bijvoorbeeld sprake is van een ondoelmatig onderwijsaanbod, de universiteiten of hogescholen niets doen aan opleidingen die kwalitatief onvoldoende zijn of als zij kleine maar unieke en vanuit cultureel oogpunt belangrijke studierichtingen willen opheffen.

Voor dat laatste probleem heeft Ritzen nog steeds geen oplossing, maar in de derde nota van wijziging, die de minister in maart publiceerde, komt hij vergaand tegemoet aan de Kamer: te vergaand zelfs, want hij slaat nu volgens de Kamer door naar de andere kant. Terwijl hij de toch al beperkte betekenis van het Centraal Register reduceert tot iets wat lijkt op het Kadaster, voorziet hij zichzelf van zo'n pakket bevoegdheden dat voortdurend ingrijpen op elk niveau mogelijk wordt. Dat zou dan bovendien nog kunnen op grond van nauwelijks omschreven criteria en zonder afgewogen procedures. De universiteiten en hogescholen zouden daardoor maar 'schijnautonomie' krijgen.

De Tweede Kamer suggereert in haar eindverslag de minister op het punt van de overheidssturing grotendeels gebruik te maken van de oorspronkelijke opzet. Het is al moeilijk genoeg voor minister Ritzen om de indruk weg te nemen dat de koerswijzigingen voornamelijk het gevolg zijn van het ontbreken van een weldoordachte, consistente en enige tijd vastgehouden visie. Wat honend vraagt de VVD aan Ritzen dan ook of hij van koers is veranderd “omdat fracties in de Tweede Kamer dat willen? Dat kan - alleen - toch niet voldoende argumentatie opleveren als die overweging niet vergezeld gaat van een inhoudelijke heroverweging?”