Mountain bike; Volgens mij was je nooit op maandag en eten we op woensdag nooit geen gehakt, dus ik begrijp niet waarom je wel altijd op donderdagavond moet winkelen.

“He, Dennis, ga 's met je vuile poten van die stoel af!”

“Mama vindt 't niet erg.”

De man zet het beeld van de video stil en komt overeind. Dennis verschuift zijn schoenen zodat ze nog net met een randje de stoelbekleding raken. “Kleine etterbak, zal ik je...”

“Mam, mam, mam!” roept de jongen met een huilerige bijklank in zijn stem.

Een vrouw komt de kamer binnen. Ze stoot haar voet tegen een skateboard dat doorrolt tot tegen het tv-meubel. “Au... ruim die kleredingen toch eens op... altijd die rotzooi over de vloer. Hoe vaak zeg ik niet...”

“Mam, Guus wil me slaan.” Dennis heeft zijn schoenen inmiddels helemaal van de stoel gehaald.

“Als-ie klappen moet hebben, dan deel ik zelf wel uit”, zegt de vrouw. “Daar heb ik jou niet voor nodig. Wat was er nou weer aan de hand?”

“Ach, dat geetter van dat pleurisjoch...”

“Zo praat je niet over m'n kind, he.”

De man haalt zijn schouders op. “Zit ik effe rustig een videootje te kijken en dan...”

“Effe rustig een videootje kijken?” zegt de vrouw. “Dit is volgens mij al de derde vandaag...”

“De tweede.”

“Nou, eh... Dennis, ga jij maar buiten spelen. Het is mooi weer. Ik dacht dat Barry en Marco ook nog op straat waren.”

“Maar ik wil naar de Turtles kijken. Dat is straks.”

“Wegwezen... wieberen”, zegt Guus. Hij pakt Dennis bij een arm en trekt hem uit de stoel.

“Laat 'm toch een stukkie tv kijken. Dan kan jij effe naar de snackbar wat hamburgers en patat halen. Ik heb niks in huis.”

Guus pakt het skateboard en gooit het in een hoek. “Wat is dat hier voor een klerezooi. Tering... moet-ie zo nodig een skateboard van drie meier en dan doet-ie d'r niks mee, maar kan je wel lekker je poten d'r over breken. En als ik eten wil moet ik verdomme naar de snackbar. Waarvoor geef ik je al dat geld, Gerrie? Ik wil thuis ook wel 's een goeie biefstuk eten.”

Ze kijkt hem monsterend aan. “O, meneer is het niet eens met de gang van zaken. Nou, we zijn niet getrouwd, dus je kan vandaag nog moven. Zal ik je koffers pakken? Of ben je daar misschien niet te beroerd voor.” Ze zet de tv uit.

“Krijg toch allemaal de pokken”, zegt Guus. “Ik wil me effe ontspannen, voordat ik weer aan 't werk moet, en nou...”

“Werk”, onderbreekt Gerrie, “sinds wanneer werk jij? Van werken ben je toch ziek geworden?”

Guus pakt uit zijn broekzak een bundeltje bankbiljetten, haalt er drie briefjes van tien uit en geeft ze aan Dennis. “Hier, ga jij 's vier hamburgers en drie porties patat halen, met. De rest van het geld mag je houwen.”

Als Dennis weg is, zegt Guus dat hij een klus heeft vanavond; het zal misschien wel laat worden. Iets in de haven, een boot uit Suriname. “Als 't goed is, hou ik er een paar rooie van over.”

“En als 't niet goed is.”

“Dan mag je op bezoek komen in de Bijlmerbajes.”

“He, rot toch 's op, joh, altijd dat gehang en geklier over die stoelen. Waarom ga je niet naar buiten?”

“Dan kan jij zeker naar die vieze films kijken.”

“Bemoei je maar niet met wat ik doe, snotneus. Ik zorg dat het geld hier binnenkomt, en niet zo'n beetje ook, en...”

“Maar m'n papa...”

“Hou die druiloor d'r buiten, wil je? Die heb je moeder laten barsten. Nou, ga je nog naar buiten?”

“Ik zal tegen mama zeggen dat je naar vieze films heb zitten kijken, en dat ik ze ook mocht zien.”

Guus komt dreigend overeind. Dennis kruipt weg achter de bank.

“Zo, meneer gaat een beetje chanteren. Dat staat je netjes op jouw leeftijd.”

“Mag 't dan wel als je zo oud ben als jou?” vraagt Dennis.

Guus grijpt de videocassette en slingert hem in de richting van Dennis die net op tijd zijn hoofd laat zakken. Even later steekt Dennis de cassette boven de bank uit. “Hij is stuk...” Hij kijkt op het plaatje. “Ik wist 't wel, blote wijven... tsjeses, wat een tieten.”

Guus loopt met grote stappen naar de bank, en zet het meubelstuk opzij. Hij grijpt Dennis bij zijn bovenarm en schudt hem door elkaar. Dennis schreeuwt van pijn.

“Hou op, hou daarmee op!” bijt Guus hem toe. Dennis gilt steeds harder. “Ophouwen, zei ik.” Guus tilt Dennis omhoog en smijt hem op de bank.

Guus haalt een flesje bier uit de keuken. Als hij terug is, zit Dennis nog een beetje na te snotteren.

“En nou buiten spelen. Ik heb lang genoeg tegen die jankerige rotkop van je aangekeken.” Hij probeert vriendelijk te lachen. “Waarom neem je je skateboard niet mee?”

Dennis haalt zijn neus op en veegt met zijn handen zijn ogen droog. “Dat is een stom ding, dat skateboard. Barry en Marco willen ook geen skateboard. 't Is voor kapsoneslijers, dat zegt Barry, en die z'n oom zit bij Ajax.”

“Ja, zondagmiddag als parkeerwachter.”

“Barry en Marco hebben een mountain bike. Daarmee crossen ze op...”

“Maar je hebt toch al een racefiets? Is dat weer niet goed genoeg? Moet meneer weer wat mooiers en wat beters? Wel ja, ome Guus betaalt, die werkt z'n eigen wel het leplazarus.”

“Maar je werkt helemaal niet”, zegt Dennis. “Je bent altijd maar thuis... je zit toch in de... de... de ziekenwet of zo, zei mama.”

Guus klokt de helft van het flesje bier naar binnen. “Daar hebben we 't nou niet over, wijsneus. 't Ging over die racefiets.”

“Die heb maar drie versnellingen”, zegt Dennis, “en je ken er niet mee crossen.”

“Ja... eh, doe nou maar niet zo zielig. We hebben 't er nog wel 's over.”

“Dus ik krijg een mountain bike?”

“Wacht 's effe... niet zo snel. Op je verjaardag misschien.”

“Maar dat is pas in november!” Dennis dwingt een paar tranen uit zijn ogen. “En dan kan ik al die tijd niet met Barry en Marco mee, dan vinden ze me een slappe lul met m'n skateboard.”

“Let een beetje op je taal, he?” zegt Guus. “Leren ze je op school niet een beetje behoorlijk praten?”

Gerrie komt tegen half tien thuis. Guus en Dennis zitten naar Miami Vice te kijken. Op het scherm doorboort Don Johnson drie tegenstanders met een regen van kogels. Een van de mannen, zijn kleren rood van het bloed, komt overeind en tast naar zijn pistool. Johnson loopt met atletische stappen naar hem toe... “Wat een stuk”, zegt Gerrie... en jaagt hem van dichtbij een kogel door zijn hoofd.

Gerrie pakt Dennis bij een arm. “Je moet naar bed.” Hij blijft zitten maar ze trekt hem overeind. Hij blijft met zijn benen spartelen, en schopt het halfvolle flesje bier om dat op het tafeltje staat. Het schuimend vocht stroomt over het tafelblad en maakt kranten en tv-gids nat.

“Krijg nou allemaal de pleuris”, roept Guus. “Ken ik nou nooit 's rustig kijken?”

Gerrie doet of ze hem niet hoort. Ze zijn bijna de kamer uit als Dennis zegt dat Guus hem een mountain bike beloofd heeft.

Als ze terug is, brengt Gerrie eerst alle lege chips-zakjes, bierflesjes en plastic satebakjes met donkerbruin geworden sausklodders naar de keuken. “Jij nog een pils?”

Guus gromt wat. Miami Vice nadert zijn eind. Guus zit op het puntje van zijn stoel, een brandende sigaret tussen zijn vingers. De as valt op de grond.

“We hebben asbakken, hoor, als je 't nog niet wist.”

Guus reageert niet. Hij veert even op van zijn stoel als de hoofdschurk eindelijk door Don Johnson overhoop wordt geschoten. De eindtitels glijden over het scherm.

Guus laat zich terugzakken op de bank. “Wat ben je laat thuis. Wat voor smoes heb je nou weer.”

“Donderdag koopavond”, zegt ze.

“Ja, maandag wasdag en woensdag gehaktdag, maar volgens mij was je nooit op maandag en eten we op woensdag nooit geen gehakt, dus ik begrijp niet waarom je wel altijd op donderdagavond zo nodig moet winkelen.” Hij zet het flesje bier aan zijn mond.

“Wat was dat, met die mountain bike”? vraagt Gerrie.

“Ach, je weet hoe dat gaat, zeuren en zeiken over zo'n ding, en dat z'n vriendjes d'r ook een hebben, en toen zei ik dat-ie er misschien wel een voor z'n verjaardag kreeg, maar ja, dat is pas in november, dus toen begon-ie opnieuw. Maar ik heb niks beloofd. Ik zal eerst 's kijken. Rob zei laatst dat-ie een partijtje had met wat fietsen d'r bij, dus misschien dat daar wat tussen zit.”

“Maar ik wil geen gestolen fiets”, zegt Gerrie, terwijl ze haar sigaret uitmaakt alsof ze hem door de bodem van de asbak wil drukken. “Als-ie een fiets krijgt, gaan we gewoon naar de winkel, en dan mag-ie er eentje uitzoeken. Ik wil niet dat de politie komt en die fiets onder z'n kont vandaan trekt omdat-ie gejat is.”

“We zien nog wel”, zegt Guus. “Volgende week heb ik misschien nog een klus. dan ken zo'n mountain bike er makkelijk af. Weet je dat er vanmiddag trouwens controle was? Zo'n eikel van het GAK. Ik liep zo krom als een hoepel. Doet u maar rustig aan, meneer Hendriks, zei-die. Forceert u maar niks. Nou, dat zal ik zeker niet doen. Haal jij dus nog maar 's een lekker pijpie bier, schat.”

Guus vloekt als een legertje voetbalvandalen wanneer hij de fiets weer naar hun etage moet transporteren. Je kan zo'n ding niet op straat laten staan. Ze komen desnoods met snijbranders om hem te jatten, de hufters. Op de overloop van de eerste verdieping slaat hij met een wiel tegen de deur van de benedenburen. Hij is halverwege de trap naar hun eigen verdieping als de deur opengaat en er een man verschijnt die roept: “He, wat is dat nu weer?”

Guus draait zich om en verliest bijna zijn evenwicht. “Mag ik geen fiets meer naar boven halen, kapsoneslijer? Waar bemoei je je eigenlijk mee?”

Vrijwel elke dag moet hij de fiets een paar keer naar beneden dragen en weer naar boven tillen. Maar op een dag is het plotseling afgelopen: de mountain bike is gestolen. Guus en Gerrie zijn alletwee thuis als Dennis huilend bovenkomt.

“Je kan je fiets niet zomaar beneden laten staan”, zegt Guus, en hij wil al op sokken, met een sigaret in z'n ene en een flesje bier in z'n andere hand naar beneden gaan.

“Gestolen”, snikt Dennis, ze hebben 'm gestolen”.

“Maar hoe dan? Had je hem dan ergens laten staan? En jank niet zo, je bent al elf.”

Dennis kan alleen maar z'n hoofd schudden. Na een minuut of vijf vertelt hij wat er gebeurd is. Met Barry en Marco is hij naar het crossveld geweest. Daarna is hij naar huis gegaan. Op de hoek van de Sturolstraat en het Marsplein stond een groepje Marokkaanse jongens die hem tegenhielden. “Ze waren met z'n drieen en twee van die jongens wonen hier aan het eind van de straat boven de sigarettenwinkel.”

“En hoe ging 't dan verder?”

“Nou, ik moest stoppen, en ze trokken me d'r gewoon af. En toen reden ze weg op m'n fiets en ik ben er nog achteraangegaan en...” Hij begint weer te huilen.

“Stil maar”, zegt Gerrie, “stil maar, het komt heus wel goed, he Guus? Jij haalt hem wel bij die Marokkanen vandaan. Misschien dat die er alleen maar een tijdje op willen crossen of zo. Gelukkig maar dat je naam en onze postcode erin gegraveerd staan.”

Nog dezelfde dag gaat Guus naar het aangewezen Marokkaanse gezin. De vader ontvangt hem. Guus vraagt of de kinderen er ook zijn, en plotseling komen uit een achterkamertje drie jongens en twee meisjes tevoorschijn. Guus heeft Dennis gevraagd hoe oud zijn Marokkaanse belagers ongeveer waren, en op die basis kiest hij er twee uit.

“Wat hebben jullie vanmiddag gedaan?”

Ze kijken hem niet begrijpend aan. “Gespeeld... buiten.”

“Hebben jullie een fiets van een jongetje afgepakt?”

Ze schudden hun hoofd.

De vader vraagt de jongens nu iets in het Arabisch. Ze antwoorden met een stortvloed van woorden.

Guus voelt zich voor joker gezet. “Ze hebben een fiets gejat”, zegt hij, “een pokkedure mountain bike van m'n... van m'n vriendin d'r zoontje, een echte Koga. Dat soort geintjes moeten jullie maar in Marokko uithalen. Maar daar hebben jullie natuurlijk het lef niet voor, want dan hakken ze meteen je hand eraf als je gepakt wordt.”

“Is vergissing”, zegt de vader. “Ik weet zeker.”

De vader praat weer met zijn zoons in het Arabisch.

“We bennen hier in Nederland, he, dus laten we allemaal een beetje normaal Nederlands praten.”

“Zij hebben niks gedaan”, zegt de vader. “Echt niet. Zij stelen nooit.”

“Ach, jullie jatten allemaal als de raven. Daarom komen jullie toch hier, om een beetje rijk te worden van ons geld?”

De vader haalt zijn schouders op. “Ik kan verder niks aan doen. Andere kinderen misschien fiets gestolen. Ik weet niet.”

“Nee”, zegt Guus, “jullie weten nooit wat, behalve als je huursubsidie of een uitkering moet halen”.

“Oke”, zegt Guus, “nou ga jij me 's vertellen wie van die Marokkaanse jongens je mountain bike heb gejat.” Hij voert Dennis aan een arm mee naar het groepje jongens op het plein.

“Ik weet 't niet precies meer.”

“Zal ik je dan een paar flinke roeien geven? Dan weet je 't misschien weer.”

Met trillende vinger wijst Dennis twee jongens aan. Guus meent ze van gisteren te herkennen, maar weet 't niet zeker.

Hij pakt een van hen onverwachts beet. “Waar is die fiets?”

“Welke fiets? Ik heb geen fiets.”

“Die smoesjes moet je maar ergens anders vertellen. Was hij d'r bij, Dennis?”

Dennis knikt bijna onmerkbaar. Hij slaat zijn ogen neer en hoort niet bij die man in dat trainingspak.

“'t Zijn geen smoesjes. Is Dennis z'n fiets kwijt?”

“Ja, en jij hebt 'm gepikt... en jij ook.”

“Je liegt”, zegt de grotere jongen.

“Dat moet je verdomme tegen je eigen vader zeggen, vuile dief. Kom jij maar 's mee, dan gaan we naar de politie.”

Guus probeert de kleine jongen, die heftig tegenspartelt, mee te trekken.

De grotere jongen springt nu op Guus af. “Rachid heb niks gedaan. Je liegt, en Dennis liegt ook. Dennis liegt altijd.”

“Stelletje teringlijers.” Guus probeert Rachid verder mee te sleuren, maar de oudere jongen springt hem op zijn rug. Guus probeert hem van zich af te gooien, maar de jongen klemt zich om zijn nek vast.

“Kom op Yousouf”, roepen een paar andere jongens, die de landerigheid van de woensdagmiddag eindelijk verdreven zien.

Rachid schopt naar Guus z'n benen, en raakt hem gevoelig tegen z'n schenen.

“Kleine etterbak.” Hij geeft Rachid een verschrikkelijke klap. Het jongetje slaat tegen de grond, maar komt meteen weer overeind. Hij bloedt uit een wond aan zijn hoofd. Yousouf schopt en slaat waar hij kan. Guus voelt een scherpe pijn wanneer nagels over zijn wang krabben.

Gerrie moet lachen. Ze loopt om hem heen alsof hij een bezienswaardigheid is. “Wat een bult! Dat wordt een mooi blauwe plek. Het lijkt wel of je met een wijf gevochten heb, al die schrammen op je kop.”

“Pak nog maar een pilsje... Ze waren met z'n vieren. Eerst twee, en toen ik die te pakken had, kwamen d'r twee anderen bij. En je weet 't, al die jongens zitten tegenwoordig op karate of op kick-boxen.”

“Mag ik ook op kick-boxen”? vraagt Dennis.

“Ik zal je zelf een kick-box voor je kanus geven. Eerst je fiets terug, dan praten we verder.”

“Uw ...eh, stiefzoon zegt dat ze het wel hebben gedaan, en zij zeggen dat ze 't niet hebben gedaan, dus het is een kwestie van welles tegen nietes.” De politieman op het wijkbureau tikt met een ballpoint op de rand van een leeg koffiekopje. “Daar komen we niet verder mee.”

“Maar jullie kunnen ze toch 's hier mee naar toe nemen, en een paar uurtjes in een cel zetten of zo. Dan gaan ze wel praten.”

“Dat mogen we niet zomaar doen.”

Guus slaat met zijn vuist op het bureau. “Waarom helpen jullie ons, Nederlanders, niet meer? Hebben we ook al niks meer aan de politie? Moeten we het soms allemaal zelf opknappen?”

“Het lijkt me beter als u met uw handen van die jongens afblijft.”

“Jullie dwingen de mensen om het recht in eigen hand te nemen.”

De politieman kijkt hem aan. “Welk recht?”

Guus rijdt met zijn auto naar de Javakade. Rob komt straks met een gehuurde vrachtauto. De spullen staan in een loods in het Oostelijk Havengebied. Het enige wat ze hoeven te doen, is de handel inladen, en ermee naar Arnhem rijden en terug. Duizend piek, zo in het handje.

Eindelijk is Rob er. “Heb Gerrie je te pakken gehad?”

“Aangevallen door een stel Marokkaanse jongens. Met z'n vijven waren ze. Dachten dat ze m'n poen konden jatten.”

“Tsssss.”

Rob maakt de zijdeur van de loods open. Hij rijdt de vrachtauto er zo dicht mogelijk bij. Er staan tientallen videorecorders, autoradio's en CD-spelers; nieuw of zo goed als nieuw.

“Mooie handel”, zegt Guus.

Opzij, tegen een muur staan een paar fietsen. Guus is zo geconcentreerd op het laden van alle spullen dat het even duurt voor hij de mountain bike ziet. Er is geen twijfel mogelijk.

'Dennis' staat erin gegraveerd, en hun postcode.

“Krijg nou alles”, zegt Guus.

“We hebben alles al.”

“Dit is verdomme Dennis z'n fiets. Hoe komt die hier?”

Rob draait een sjekkie. “Gewoon, gekocht.”

“Zeker van een paar Marokkaanse jongens?”

“Geen Marokkanen, zeker weten”, zegt Rob. “Met die lui wil ik niks te maken hebben.”

“Maar van wie dan?”

De volgende dag staat Guus met Dennis bij Rob voor de deur. Dennis wilde eerst niet mee. Hij huilt nu geluidloos. Als Rob de deur opendoet, verbergt Dennis zijn gezicht. Rob hoeft niets meer te zeggen. Guus wil alleen nog weten hoeveel Rob ervoor betaald heeft.