Levitatie

Toen het vliegtuig dan eindelijk geland was, de veiligheidsgordels losgemaakt mochten worden en de passagiers opstonden om hun bezittingen uit de bagagerekken te nemen, zei de medereiziger die naast professor Dolk gezeten had: “Een mens kan blij zijn dat hij nog leeft, maar niet verdrietig als hij niet meer leeft.”

Wat bedoelde hij precies? Dat je blij moest zijn als je niet meer leefde? Of dat hij niet aan een hiernamaals geloofde, of aan spiritisme? Het was een man met een donkere huid, een zwarte snor en een zwaar-fatalistische gelaatsuitdrukking.

Niet bekend

Nu ja, het was goed afgelopen. Brandweerwagens stonden in een wijde boog werkeloos om de landingsbaan.

Hier, in Parijs, bleek het bijna even heet te zijn als het in Bombay was geweest. Een uitbundige Franse zomerdag, maar Dolk voelde zich niet in staat ervan te genieten. Kriebelend zweet kroop langs zijn brilmontuur naar zijn bovenlip en mondhoeken.

Dolk was hoogleraar in de parapsychologie en de grondslagen van de bovennatuurlijke natuurkunde in Groningen. Een taxi kon er dus niet af. Lusteloos zocht hij met zijn zware koffer de autobus op.

Een geluk dat hij de voordracht die hij vanavond voor een spiritistisch gezelschap houden moest, geheel op schrift had gesteld in, naar hij vertrouwde, vlekkeloos Engels. Hij had de tekst laten corrigeren door de dame die hem in Bombay als tolk had gediend.

Het onderwerp was al moeilijk genoeg.

Als hij heel eerlijk zou durven zijn, zou hij moeten concluderen dat de reis naar Bombay, en hij kon toch al zo slecht tegen hitte, hem bitter weinig concreets had opgeleverd. Hij had vier slangenbezweerders genterviewd en twee fakirs die de touwtruuk ten uitvoer konden brengen.

Het gemakkelijkst waren de gesprekken met de slangenbezweerders geweest, maar dan ook parapsychologisch gezien niet zo verhelderend en, wat de bovennatuurlijke natuurkunde betrof, ook niet bijzonder vruchtbaar.

Aan het bezweren van slangen kwam misschien wel helemaal niets bovennatuurlijks te pas. Slangenbezweerders? Kerels die niet bang waren gebeten te zullen worden door een verzadigde, luie slang. Mogelijk lieten ze hem opium slikken. Als ze toch werden aangevallen, hadden ze pech gehad, werden ze zo snel mogelijk van het toneel verwijderd en niemand maakte er meer een woord aan vuil. Wat zou je er ook nog over kunnen zeggen? Dat het slachtoffer zijn vak niet goed kende of dat de goden hem kwaad gezind waren geweest (maar dit laatste was onvatbaar voor wetenschappelijke bestudering).

Even later zat Dolk nogal mistroostig naar buiten te kijken door een raampje van de autobus, die pas over tien minuten naar Parijs vertrekken zou.

“He! Hallooo! Dat is toevallig!”

Een zeer bleekblonde jongeman liet zich naast hem neer. Het was professor Wouterlood, die in Groningen het een of andere onderdeel van de dierkunde doceerde.

“Wat heeft u herwaarts gevoerd, collega?”, vroeg hij op een studentikoze toon, die niet helemaal meer bij zijn leeftijd paste.

“Ik moet een voordrachtje houden vanavond. Jij ook misschien?”

“Nee, nee, nee. Familiebezoek. Ik kom regelrecht uit een congres in San Francisco. Daar heb ik al meer dan genoeg voordrachten gehouden.”

Dolk vertelde dat hij in Bombay onderzoek verricht had aan slangenbezweerders: Had hen gevraagd naar hun overtuigingen, naar de verklaringen die zij zelf voor hun kunst gaven, enzovoort. Hij had hen genterviewd met behulp van een tolk. Dikwijls spraken ze geen Engels dat hij goed kon verstaan.

“Zo?”, zei Wouterlood, “interessant. Daar kan ik nu jaloers op worden, ik bedoel, de nadere studie van de relaties tussen mens en dier.”

“Jaloers? Waarom dan?”

“Ik vind de bijdrage van mijn eigen vak aan onze kennis zo materialistisch, zo platvloers eigenlijk. Je constateert een feitje, of je tekent een grafiekje maar het brengt je niet verder.”

“Waar zou het je dan moeten brengen?”

“Dichter bij de dingen die werkelijk de moeite waard zijn, dichter bij het mysterie. En daarheen wijst een vak als jouw parapsychologie de weg. Mijn eenvoudige dierkunde niet.”

Wouterlood zei het op een zo nederige en vleierige toon, dat een minder goedaardig mens dan Dolk aan zijn oprechtheid zou hebben getwijfeld. Maar Dolk voelde veeleer de behoefte Wouterlood wat op te beuren in zijn ootmoed.

“Laat je niet overdonderen door slangenbezweerders. Ik vond er niet veel aan, hoor, en nu ik ze wat beter bestudeerd heb, minder dan ooit. Sommigen hebben behalve een grote brilslang ook nog een mongoes, aan een touwtje. Een mongoes . . . jij als zooloog weet natuurlijk wat dat is?”

“Ja, ja. Uiteraard. Een civetkatachtig rotbeest. In India leeft een soort die slangen eet. Ze zetten de haren van hun dikke pels recht overeind, dan kunnen de giftanden van de slang hen niet raken.”

“Aha, zit dat zo? Nu begrijp ik het beter.” (Dit zei hij om Wouterlood te vleien, hij wist al lang hoe het zat.) “Er zijn namelijk slangenbezweerders die het gevecht tussen roofdier en slang op hun programma hebben. Dat wil zeggen, ze halen een kleine slang uit een mand en die wordt dan door dat rotbeest onmiddellijk doodgebeten. Daar moet je grof voor betalen . . .”

“Slappe vertoning. Maar ik moet zeggen, zo'n gedresseerde brilslang maakt toch wel indruk op mij. En is die brilslang eigenlijk wel gedresseerd?”

“Daar geloof ik weinig of niets van”, zei Dolk, “al beweren die luitjes allemaal dat het jaren duurt voor het dier goed is afgericht. Ik ben bang dat slangen veel te dom zijn om kunstjes te leren, maar dat ze wel gevoelig zijn voor suggestie. Wat denkt een dierkundige als Wouterlood hierover?”

“Ach, zoals je zegt, ze leren geen kunstjes maar er bestaan tussen slang en baas waarschijnlijk hogere psychische contacten die ons ontgaan, zeg maar. Parapsychologische verbanden, of is dit voor jou het geraaskal van een leek? Dan moet je het eerlijk zeggen.”

“Nee, nee, dat zal ik niet. Het is juist mijn taak de parapsychologische kant van de fenomenen te verhelderen.”

“Hoe dan ook, zo'n brilslang, al dan niet gedresseerd, maakt veel indruk op mij. Drie jaar geleden was ik in Madras en ik kon er niet genoeg van krijgen. Het feit dat hij niet aanvalt, terwijl hij wel zijn aanvalshouding aanneemt . . . Zo'n mannetje dat daar met gekruiste benen op een matje zit en op z'n fluit speelt. En dan die . . . zo wonderbaarlijk, als het ware juist voor mensen getekende slang, want andere wezens zegt een bril toch niets . . . Zijn kop verdwijnt helemaal in de veel grotere namaakkop die hij vertoont door zijn nek op te blazen tot zoiets als een bebrilde soeplepel of handspiegel. En dan doet hij wat die man hem met z'n fluitje suggereert.”

“Maar hoe daarin een teken van hogere intelligentie te zien? Ik denk dat in de grijze oudheid de een of ander toevallig heeft ontdekt dat cobra's zich begonnen op te blazen en heen en weer te wiegen als je op een fluitje blies.”

“Best mogelijk. Maar toch . . .”

“Het blijft enigszins een mysterie”, zei Dolk, nu wel een beetje bang dat als hij nog langer doorging zo skeptisch over het bezweren van slangen te praten, Wouterlood een lage dunk van de parapsychologie en de grondslagen van de bovennatuurlijke natuurkunde zou krijgen. Hij koos een ander onderwerp:

“Ik heb ook de touwtruuk zien uitvoeren door een fakir.”

“Ja, dat heb ik ook eens gezien”, lachte Wouterlood.

En wat hij toen begon te vertellen, was nogal in tegenspraak met de eerbied voor bovennatuurlijke ('hogere') fenomenen waarvan hij eerst getuigd had.

“De fakir zat tegen de gevel van een hoog huis, achter een rij palmen. Het publiek bestond uit Indiers en uit Europese en Amerikaanse toeristen. Die man gooide het touw omhoog. Het bleef rechtop staan als een paal. Een jongetje van een jaar of drie klom erin.”

“Dat touw blijft rechtop staan als gevolg van levitatie,” legde Dolk het verschijnsel uit, een beetje pedant.

“Zo, zo. Maar het merkwaardige was, die Indiers hadden ervoor gezorgd dat alle Amerikanen en Europeanen op plaatsen zaten waar ze het bovenste stuk van het touw niet konden zien. Dat zat verborgen achter de kruinen van de palmen. Levitatie, ja, ja.”

“Dat zegt de een. De ander verklaart dat hij een demon zo dienstbaar aan zichzelf heeft gemaakt, dat het touw door de kracht van de demon hard als ijzer wordt en rechtop staan blijft.”

“Ik ben bang”, bekende Wouterlood, “dat achter de kruin van een palm iemand zich uit een raam boog en met ijzeren vuist het touw van boven vasthield.”

De bus kwam nu in beweging en Dolk zei niet veel meer. Sneed Wouterlood maar een ander onderwerp aan! Laf was hij. Diep in zijn binnenste vreesde hij dat alle fenomenen die tot zijn gebied van studie gerekend werden, geen echte fenomenen waren, geen bovennatuurlijke verschijnselen, maar helemaal geen verschijnselen. Dat ze allemaal op bedrog berustten.

Maar wat moest hij dan? Als hij voor deze mening rond zou uitkomen, zou hem niets anders resten dan tegenover studenten, collega's, curatoren en de minister van onderwijs plechtig te verklaren: Er valt op het gebied van de parapsychologie en de bovennatuurlijke natuurkunde niets te bestuderen helaas, behalve de manieren waarop goedgelovige mensen voor de mal gehouden kunnen worden. Maar dit is hoogstens psychologie, geen parapsychologie en het kan niet aan wetmatigheden zijn gebonden. Het gebeurt de ene keer zus, en de andere zo. Het hangt er maar van af wat de bedrieger wil en wat zijn slachtoffer bereid is te slikken. Dat kan nooit worden voorspeld.

“De touwtruuk!”, lachte Wouterlood, “de enige Europeaan die de touwtruuk doorhad zonder hem ooit te hebben gezien, was de baron Von Munchhausen, die zich aan zijn haren uit het moeras trok.”

Het hotel, voor hem besproken door de spiritistische vereniging die hem uitgenodigd had, bleek op de hoek van een straat te liggen. Beneden was een bistro met terras.

De receptionist tikte de naam Dolk in z'n computerje, het scherm stelde hem tevreden, maar hij begon uit te leggen dat het wel wat vroeg was. De kamer was nog niet aan kant, het bed nog niet opgemaakt. Natuurlijk kon meneer zijn koffer hier wel achterlaten en een wandeling maken of wat uitrusten op het terras beneden.

“Nee, nee”, riep Dolk in het Engels, “ik wil nu meteen even naar mijn kamer. Het is echt nodig.”

Of de man alles begreep wat hij zei, werd niet duidelijk, maar hij gaf Dolk toch een sleutel, nummer 406, en wees hem de lift.

Een luxe-hotel leek het niet, wel comfortabel en proper. Dolk herademde toen hij de heldere kamer binnenging die voor hem was bestemd.

Er stond een vrij breed bed, onopgemaakt zoals voorspeld. Een stoel naast het bed. Verder nog een schrijfbureautje, ook als toilettafel te gebruiken, met een tweede stoel ervoor. Op de grond lag een gebruikte handdoek.

Dolk was zo fanatiek meteen naar boven gegaan, omdat hij een douche wilde nemen. Stom dat hij niet om een handdoek gevraagd had. Maar tot zijn grote blijdschap had de vorige gast er nog een onaangeroerd gelaten. Die hing boven de badkuip, keurig gevouwen en kraakhelder. En op de wastafel lag een nog ingepakt stukje zeep, niet groter dan een jubilieumpostzegel, maar toch ruim voldoende. Hij ging naar de slaapkamer terug, nam zijn bril af, die hij op het schrijftafeltje legde en kleedde zich uit.

Wat een genot, terug te zijn in een ontwikkeld land, waar het bad, zelfs nog niet schoongemaakt voor de volgende gast, toch niet echt smerig was, waar je de douche zo warm of zo koud kon krijgen als je wilde, waar je, als je wat vroeger kwam dan afgesproken, niet eens een schone handdoek en een stukje zeep hoefde te vragen. Terwijl hij opgetogen onder het stromende water stond en zich helemaal fit begon te voelen, hoorde hij het gerammel van een zware sleutelbos, vervolgens het klikken van een slot en het opengaan van de kamerdeur.

“Hallo!”, riep hij, “who is there?”

Een vrouwenstem gaf antwoord in het Frans. Een heel verhaal dat hij niet kon volgen, maar waaruit hij begreep dat ze alleen het kamermeisje maar was, zonder na te denken naar binnen gestapt om haar werk te doen. Ze zou later terugkomen. Een paar voetstappen. Toen hoorde hij de deur dichtvallen en het was weer stil.

De badkamerdeur had open gestaan, maar hij had de vrouw niet te zien gekregen. Een geluk dat zij ook hem niet gezien had, want hij hield niet van zulke avonturen.

Toen hij zich afgedroogd had, liep hij naar het bureautje, van plan zijn bril weer op te zetten. Dolk was in sterke mate verziend. Wel niet nagenoeg hulpeloos zonder bril, zoals bijzienden, maar als hij z'n bril om een of andere reden had moeten afzetten, zette hij hem toch zo vlug mogelijk weer op. Lezen zonder bril kon hij in geen geval.

Maar!... Wat was er nu aan de hand? Geen bril. Bril weg! Zijn bril lag niet meer op het tafeltje. Verdwenen!

Hij betastte het hele tafelblad, voorzichtig en nauwkeurig. Geen bril. Hij keek onder het tafeltje, maar kon daar natuurlijk niet veel zien. Hij liet zich op zijn knieen zakken. Op handen en knieen kroop hij naakt over de vloer, onder het tafeltje, ook, voor zo ver mogelijk, er omheen (het stond schuin in een hoek). Die bril kon toch niet ver weg zijn? Hij had hem waarschijnlijk met een onverhoedse beweging van het tafeltje gestoten, een andere verklaring was onbestaanbaar. Maar hij vond niets. Het zweet brak hem uit en hij werd al gauw weer net zo klef als voor hij had gedouched. Moedeloos, zelfs vrezend gek geworden te zijn, stond hij op en kleedde zich aan. Was dit niet iets ontzettends? Waarschijnlijk verbeeldde hij zich maar dat hij de bril op het tafeltje had gelegd. Maar wat dan? Wat had hij er dan mee gedaan?

Een idiote fantasie kwam bij hem op: het kamermeisje had de bril weggepikt om hem te straffen, kwaad omdat ze de kamer niet meteen kon schoonmaken als gevolg van zijn ongeduld. Maar dit was toch het bedenksel van een krankzinnige? Dit grensde toch aan vervolgingswaanzin?

Onder de douche had hij volledig zicht gehad op het deel van de kamer waar het tafeltje stond. Hij liep naar de badkamer terug om de proef op de som te nemen. Jawel, geen twijfel mogelijk. Wie onder de douche stond, zag het tafeltje. Als die vrouw zijn bril gepikt had, had hij haar moeten zien. En juist omdat hij de gangdeur had horen opengaan, was zijn aandacht geheel op de kamer gericht geweest.

Aan de receptionist vertelde hij dat hij zijn bril was kwijtgeraakt op zijn kamer. Waarschijnlijk op de grond gevallen. Kon hij aan het kamermeisje vragen of ze er naar wilde uitkijken?

De man knikte.

Dolk ging op het terras zitten en bestelde een flesje mineraalwater.

Beurt om beurt (dit was feitelijk een wonder) hielden zijn gedachten zich bezig met wat hij op straat zag en dan ineens weer met de ramp die hem had getroffen. Want wat moest hij beginnen als de bril niet terugkwam? Zijn Engels was niet goed genoeg om te improviseren en uit zijn hoofd de inhoud van zijn lezing te vertellen. Zijn Franse gehoor zou toch al moeite genoeg hebben om zijn voordracht te volgen. Hij voelde bij wijze van spreken de teleurstelling al uit de zaal als een giftige wolk op hem afkomen: hadden zij daarvoor die professor uitgenodigd, een hotelkamer voor hem betaald en een maaltijd? Om dit onverstaanbare gebrabbel aan te horen? Geesten die zich op seances manifesteerden, zeiden soms niet veel, maar ze spraken uitstekend Frans en waren goed te verstaan.

Zo verschrikkelijk had hij zich nog nooit geschaamd.

Toen zag hij op het trottoir aan de overkant een grote, groen geverfde ijzeren cilinder met van boven enkele gaten erin. Een oude man stond ernaast en hield met zijn linkerhand een poedel aan een riem. De hond was lang geleden wit geweest. De man had een plastieken tas vol flessen. Hij nam bedaard de ene fles na de andere uit de plastieken tas en gooide haar door een gat in de ijzeren cilinder, waar zij luid rinkelend aan scherven brak. Ook een vrouw, die wel drie zakken met lege flessen had meegebracht, vergrootte ijverig de voorraad hoorbare, maar niet zichtbare glasscherven.

Waarom moesten flessen stukgegooid worden door zulke op het oog degelijke, fatsoenlijke mensen? Een fles was toch eigenlijk iets moois, dat niet iedereen zomaar kon maken. Waardoor was de wereld zo gek geworden?

Gek... en hijzelf dan? Vrij plotseling verslapte zijn aandacht voor dit moderne straattoneeltje en van wanhoop hapte hij naar adem.

Gek... was hijzelf dan niet gek? Hij legde zijn bril op een tafeltje, nam een douche, kwam terug, bril verdwenen. Had hij zich misschien alleen maar verbeeld de bril op het tafeltje te hebben gelegd? Maar waar dan wel? Het was zo krankzinnig, dat hij het aan niemand zou durven vertellen.

Niet ver bij hem vandaan stond een reclamezuil, die een grote affiche toonde ter aanbeveling van een nieuwe film, Junior le Terrible genaamd, en in het Engels Problem Child.

Je zag een jongetje zitten voor een wasmachine waarin het een katje had opgesloten. Het wanhopige dier drukte zich met voor- en achterpoten wijd gespreid tegen het ronde glas van de patrijspoort, zijn ogen groter dan mensenogen van angst. Straks zou de kleine sadist de startknop indrukken en de machine vol laten lopen. Boven dit tafereel waren de verschrikte gezichten van vader en moeder zichtbaar.

Je moest er niet aan denken dat je zo'n kind had: elke dag een andere afschuwelijke wandaad. Maar waar maakte hij zich druk over? Hij had geen kinderen en zijn vrouw was over de leeftijd om ze nog te krijgen. Een kind dat niet deugde, dat had het lot hem tenminste bespaard. Maar zijn bril was weg en hij kon met geen mogelijkheid bedenken waar die gebleven zou kunnen zijn. Haast verlangde hij hier achter dit tafeltje dood neer te vallen.Toen kwam een bejaarde dame bij hem staan en vroeg: “Bent u professor Dolk?” Hij vloog op en schudde haar de hand. Hoe had ze hem herkend? De hotelier had hem aangewezen.

Mevrouw Duray, secretaresse van de spiritistenvereniging. Een vrouw met een waarschijnlijk kunstmatig gebruind gezicht en uiterst kort, wit haar en brosse. Z'n moeder kon zij niet wezen, maar wel zijn oudste zus. Ze sprak perfect Engels.

Het was hem al eerder opgevallen dat mensen die aan spiritisme deden zo toeschietelijk waren. Binnen drie minuten mocht hij haar bij haar voornaam noemen, Therese, en ze zei: “Er is iets waar je diep bezorgd over bent, Dolk. Wat scheelt er aan?”

“Zie je die reclamezuil met die afschuwelijke plaat? Hoeveel jongetjes zullen niet op het idee komen het ook eens te proberen: poes in de wasmachine. Is het niet om te huilen, zulke reclameplaten?”

“Heb jij kinderen?”

“Nee.”

“Dan moet er nog iets anders zijn, waar je zo verdrietig over bent.”

Hij kwam ermee voor de dag: zijn bril, op het tafeltje in zijn hotelkamer gelegd. Verdwenen toen hij gedouched had. “Overal heb ik gezocht terwijl ik zeker wist hem op dat tafeltje te hebben gelegd. Niets gevonden. Wie kan die bril nu weggenomen hebben? Niemand heeft er immers wat aan. Er is trouwens niemand in de kamer geweest.”

“Dan moet hij nog terecht komen.”

“Maar wanneer? Vanavond heb ik hem nodig, anders kan ik de tekst van mijn lezing niet ontcijferen.”

“Heb je geen reservebril?”

“Die ben ik in India al kwijtgeraakt.”

“Ah! Levitatie, dat kan niet anders.”

“Hoe bedoel je?”

“Een kwade geest, die jouw denkbeelden haat en niet wil dat je ze uitdraagt, heeft de zwaartekracht opgeheven en je bril weggenomen. Zeg eens eerlijk, ben je onbeleefd geweest tegen een brilslang?”

“Maar...”

“Zwijg... Ik weet het zeker. Er valt echt niet aan te twijfelen. We zullen eens zien wie de sterkste is. Ik ga alvast mijn licht opsteken bij de receptie.”

Na een minuut of tien kwam ze terug. Ze had het kamermeisje ondervraagd dat kamer 406 inmiddels op orde had gebracht. Geen bril gevonden. Maar Therese zou volhouden, zei ze.

“Kom, laten we hier in de buurt een eindje wandelen. Er zijn allerlei interessante winkeltjes.” Deze winkeltjes bleken zich in smalle zijstraatjes te bevinden. “We kunnen zelfs proberen een nieuwe bril te kopen. Kijk eens!”

Voor de etalage van een opticien bleef ze stilstaan.

“Wat voor soort bril had je?”

“Een heel eenvoudig, alledaags montuur van zwarte kunststof.” Hij liet zijn ogen dwalen over de uitgestalde optiek en jawel, daar lag precies zo'n bril als zijn eigen bril.

“Mee naar binnen!” Met een glimlach of de slag al was gewonnen, troonde Therese hem mee. Helaas, de opticien zou niet in staat zijn de juiste glazen eerder dan morgenmiddag in huis te krijgen.

Toen ze weer buiten stonden, verzonk Dolk in een zo diepe droefenis, dat Therese hem een praktisch voorstel deed: “Maar k kan de tekst van je betoog toch voorlezen?”

Het denkbeeld dat hij er dan voor spek en bonen bij zou staan, was nauwelijks in staat hem op te vrolijken.

Er waren in deze straatjes ook nogal wat rommelwinkels, die hun lelijkste maar goedkoopste snuisterijen op over schragen gelegde planken hadden uitgestald. En op een van die gemproviseerde tafels lag tussen theelepeltjes waar het zilver afgesleten was, een paar zogenaamd ivoren servetringen, een koperen Eiffeltorentje, en een stapeltje oude schoolboekjes, een stalen knijpbril van mogelijk honderd jaar oud.

“Proberen!”, riep Therese vrolijk.

Hij zette de lorgnet op, pakte, zonder goed te kijken, het bovenste boekje van de stapel, sloeg het op goed geluk open en las de eerste de beste regel waar zijn oog op viel:

“Je commence a voir clair...”

Hij kon weer lezen en dan juist dat! “I start to see clearly!”, riep Therese, “That's it!”

Jawel, hij kon lezen met deze lorgnet. Het boekje was een schooluitgave van Racine's Athalie. Ontroerd en dankbaar kocht hij ook het boekje. Zo las hij die avond zijn tekst voor, met deze lorgnet. Na afloop had hij pijn in zijn neus, de knijper had zich diep in zijn vlees geperst. Ook zijn ogen deden pijn, want de glazen waren toch niet helemaal op zijn afwijking berekend. Maar zijn eer was gered.

En wat zag hij, toen hij ver na twaalven op kamer 406 terugkwam? Op het tafeltje lagen nu twee brillen, twee precies gelijke brillen in dezelfde monturen als dat van zijn eigen zoekgeraakte bril. Hij probeerde ze. Geen van beide had glazen waar hij ook maar het minste door kon zien.

Toen hij de volgende ochtend vertrok, liet hij ze gewoon liggen waar hij ze had aangetroffen.

Het gebeurde leverde weliswaar geen argumenten tegen het bestaan van een bovennatuurlijke natuurkunde, het ontnam hem de moed niet nog langer de parapsychologie te onderwijzen - in tegendeel, in tegendeel - maar het was toch met een hart vol onverklaarbare angst, dat hij zich ruim op tijd reisvaardig had gemaakt.