Kroatisch Kostajnica is een ongeschonden spookstad

KOSTAJNICA, 2 AUG. Er lopen alleen nog honden en katten rond in Hrvatska Kostajnica, een stadje aan de rivier de Una, op de grens tussen Kroatie en Bosnie. Sporen van een gevecht zijn er niet in deze spookstad: geen inslagen van kogels, slechts een rood personenautootje dat in puin ligt, waarschijnlijk getroffen door een granaat. Toch lijkt de ontruiming van Hrvatska Kostajnica, een stadje van vierduizend zielen, eergisteren met grote haast gepaard te zijn gegaan. Overal staan ramen en deuren open, ook bij het gebouw waar de Kroatische politie haar hoofdkwartier had. Wapens liggen er niet meer in het gebouw, wel kisten vol gasmaskers en EHBO-materiaal.

Aan een rek hangen Kroatische politieuniformen, nog in cellofaan verpakt, en sommige nog van het oude, Joegoslavische model. In de stad is niemand te zien, behalve een man in een wit autootje, die ons vanaf enige afstand in de gaten lijkt te houden. Geen spoor echter van de 'Zevende Banija-brigade', een Servische partizaneneenheid die het stadje vanmiddag om drie uur in bezit heeft genomen, volgens de politiecommandant in Bosna Kostajnica, aan de andere kant van de rivier. Hij was het ook die een aantal omstanders had aangespoord met ons mee te gaan over de brug, zodat de 'wereld-openbaarheid' zou kunnen kennisnemen van het onheil dat de Kroaten in Kostajnica hebben aangericht.

Want voor de Servier en de moslim die ons door de onheilspellend verlaten straten leiden, is er geen twijfel mogelijk: in Kostajnica leefden Kroaten, Serviers en moslims altijd in harmonie samen. Aan de Bosnische kant van de rivier is dat nog zo, aldus onze zegslieden. Maar aan de Kroatische kant van de rivier ging het mis toen de Kroatische regering eind vorig jaar haar eigen politie naar het plaatsje stuurde. “Hier zaten ze zich elke avond te bedrinken”, vertelt een van onze gidsen, wijzend op het Hotel Central, een negentiende eeuws gebouw van een verdieping.

Van Hotel Central zijn alle ruiten stukgeslagen. Het mogelijke gevaar van boobytraps doet ons van nadere inspectie afzien. Er zijn meer van dit soort vernielingen, aangericht - volgens onze gidsen - door de Kroatische politieagenten toen zij woensdag de aftocht bliezen, op de voet gevolgd door de gehele bevolking. De inventaris van een cafe is geheel door een bom vernield, volgens onze zegslieden omdat de eigenaar een Servier was.

Onze gidsen maken er geen geheim van, dat zij met de Kroatische politie hier weinig ophadden. Een van hen, de Servier, blijkt aan deze kant van de rivier te hebben gewoond. “Wij willen Joegoslaven blijven, niet in een Kroatische staat leven”, vertelt hij. “En u ziet wat er van komt, van die Kroatische politie. Zij hadden hun mitrailleurs op de andere kant van de rivier gericht, eentje stond zelfs op de kerk.” Aan de Kroatische kant van de brug ligt nog een mitrailleursnest van zandzakken, dat ook overhaast lijkt te zijn verlaten. In de zakken heeft vroeger iets anders gezeten, want ze dragen het opschrift 'Federal Republic of Nigeria'.

Terug op de Bosnische oever, waar het halve stadje lijkt uitgestroomd om de ontwikkelingen aan de overzijde op de voet te volgen, verzoeken onze gidsen ons eerlijk te berichten over de toestand in Kostajnica. Dan aanvaarden we de terugreis in noordelijke richting, aan de Kroatische kant van de rivier. Onderweg passeren we nog zo'n tussen de twee Joegoslavische deelrepublieken verdeeld stadje: Dubica. In Bosna Dubica is bij de brug de bevolking, kennelijk uit op een verzetje, uitgestroomd en staart naar de andere oever, waar helemaal geen lichten meer lijken te branden. Ook Hrvatska Dubica zou zijn ontruimd, horen we later, en er waren gisteravond berichten over gevechten daar, waarvan op de Bosnische oever in ieder geval niets te horen was.

Onderweg talloze patrouilles: de uiterst correcte van het Joegoslavische leger, de uitgesproken vriendelijke van de Bosnische territoriale verdediging en ook van een groepje Serviers uit de streek, gewapend met jachtgeweren en een cirkelzaag.

Onze pogingen om in Novska, waarheen de Kroatische politie uit Kostajnica zich heeft teruggetrokken, achter de waarheid omtrent de Kroatische aftocht te komen, hebben geen gelukkig verloop. Weliswaar dient zich in een cafe een jongen aan, die zegt bij de Kroatische politie in Kostajnica te hebben gediend, maar voordat hij tot nadere bijzonderheden kan komen, ontstaat met andere aanwezigen onenigheid over de opportuniteit van zo'n gesprek en wanneer hij toch doorgaat, vliegt ons al snel een soort zevenklapper om de oren.

Onze gespreksgenoten laten ons, ter geruststelling, zien dat zij allen met pistolen bewapend zijn, geen ongewoon verschijnsel dezer dagen in Joegoslavie. Wij achten het echter beter weer eens op huis aan te gaan.