J. Gonda laat internationaal imperium aan universiteit na

De plotselinge dood van prof. dr. J. Gonda, sinds 1975 emeritus hoogleraar in o.a. het Sanskrit aan de Rijksuniversiteit Utrecht, betekent het heengaan van een der mondiale coryfeeen in de orientalistiek. In Nederland bepaalde hij jarenlang het gezicht van de indologie (de studie van de Indiase cultuur), maar ook de Indonesische studies en de vergelijkende Indo-europese taalwetenschap behoorden tot zijn arbeidsterrein. Talloze classici volgden zijn colleges; sommigen volgden zijn voorbeeld en werden sanskritist. Meer dan 60 promoties heeft hij begeleid. Ongeveer een kwart van de bij hem gepromoveerden verkreeg in Nederland en daarbuiten een leerstoel. Er was een tijd dat 8 orientalistische leerstoelen in Utrecht, Leiden, Amsterdam en Groningen door zijn leerlingen werden bezet, het resultaat van een ongelofelijke onderwijsinspanning.

Dat veel onderwijs niet hoeft te leiden tot weinig onderzoek bewijst zijn publikatielijst: 720 publikaties, waaronder ongeveer 70 boeken (gewijzigde herdrukken en vertalingen niet meegerekend), geen daarvan onder co-auteurschap tot stand gekomen, want teamwork kwam pas later op en zijn tempo was voor anderen toch niet bij te houden.

Van Berkeley tot Buiten-Mongolie kent iedere vakgenoot zijn naam en heeft men (afhankelijk van specialisatie en arbeidsethos) een gedeelte van het gigantische oeuvre gelezen. In India opende (naast een goed ogend visitekaartje en kennis van de opstelling van Ajax in betere tijden) een aantoonbare relatie tot Gonda iedere deur voor de Nederlandse bezoeker; overigens bezocht noch Gonda, noch Ajax ooit dit land.

Als voorbereiding op zijn werk voor de commissie Kleine Letteren heeft Frits Staal in Nederlandse kranten vijf niet meer in leven zijnde Nederlandse orientalisten aangeduid als erflaters van onze beschaving en als in aanmerking komend voor een imaginaire Nobelprijs voor deze disciplines. Gonda kan aan dit vijftal worden toegevoegd. Het betreft bij alle zes overigens niet zozeer ontdekkingen die de wereld of het vakgebied geschokt hebben als wel de mondiale reputatie, gebaseerd op omvangrijk onderzoek.

Het heeft geen zin op deze plaats dieper in te gaan op afzonderlijke titels uit de publikatielijst, noch om een wetenschappelijke evaluatie te geven. Gonda was geen revolutionair vernieuwer van het vakgebied, maar zonder hem zou het vakgebied er heel anders en veel slechter hebben uitgezien. Nog vele jaren zal hij een van de meest geciteerde auteurs blijven.

Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag verschenen er vijf bundels van zijn artikelen gepubliceerd tot ongeveer 1970 (in totaal 2650 pagina's) die qua indeling een indruk geven van zijn arbeidsterrein: I. Indo-european Linguistics; II. Sanskrit Wordstudies; III. Sanskrit: Grammatical and Philological Studies; IV. History of Ancient Indian Religion; V. Indonesian Linguistics. Gedurende de laatste twintig jaren richtte zijn belangstelling zich vooral op de Veda.

Naast talloze monografieen publiceerde hij belangwekkende handboeken zoals Die religionen Indiens (twee delen). Hij was de uitgever van A History of Indian Literature, waarin hij zelf ook diverse delen (o.a. Vedic Literature) schreef. Dat het veel auteurs overal ter wereld nog steeds niet gelukt is om hun bijdrage af te ronden kon bij hem nauwelijks op begrip stuiten. Hij gaf ook de afdeling Indien van het Handbuch der Orientalistik uit en publiceerde daarin enige delen. De door hem uitgegeven serie Orientalia Rheno-Traiectina telt thans 37 titels: de eerste (1949) en de laatste (1991) en talloze daartussen staan op zijn naam. Tussen 1957 en 1968 redigeerde hij de serie Disputationes Rheno-Traiectinae (12 titels, de helft op naam van Gonda).

Bescherming

De internationale positie van de Nederlandse orientalistiek (met name van de indologie) is niet uitsluitend maar wel in belangrijke mate door Gonda bepaald. Hoe staat het thans met deze positie? De commissie-Staal heeft de minister geadviseerd over de Kleine Letteren (vooral over de Oosterse Talen).

Er moet bescherming en steun komen. Toen ik Gonda enkele uren voor zijn dood op een wandeling tegenkwam en vroeg hoe het met hem ging, antwoordde hij niet, zoals gebruikelijk, met 'op en neer', maar zei hij: 'slecht'. Gelukkig vroeg hij niet naar de positie van zijn vakgebied in Utrecht, want dan zei ik meestal 'op en neer'. Ik hoefde hem dus niet de vertrouwelijke, zeer recente informatie te geven dat zijn imperium of wat daar van over is uit Utrecht gaat verdwijnen, iets wat hij als 'slecht' zou hebben aangeduid. Het is te hopen dat we over enige jaren kunnen zeggen dat het weer goed gaat met de bestudering van India. Gonda, benoemd op zevenentwintigjarige leeftijd, behoorde tot de tweede generatie. De derde generatie is thans gepensioneerd of overleden. De vierde generatie is gedeeltelijk weggereorganiseerd. De vijfde wacht vergeefs op een aanstelling doordat men nagelaten heeft iedereen weg te reorganiseren en opengevallen plaatsen te herbezetten. Het zou zonde zijn als de internationale reputatie die Gonda en anderen hebben opgebouwd verloren zou gaan. Wat Gonda in zijn eentje deed in een lange carriere zal nu door een aantal personen verricht moeten worden.