Gijsbert Hanekroot en Anton Corbijn nog altijd de meesters van het genre; Popfoto's niet vrij van eenvormigheid

Expositie: Fotopop. Melkweg-galerie, Amsterdam, t-m 25-8.

De aardigste foto in de galerie van de Melkweg in Amsterdam is meteen de veelzeggendste. Carla van der Marel fotografeerde de vooraanstaande popfotograaf Anton Corbijn. Haar grote voorbeeld, en profil vastgelegd, heeft beide handen met gespreide vingers aan de weerszijden van zijn bril, alsof hij een camera vasthoudt. Zijn blik, vrolijk lachend, is gericht op een plaatskaartenautomaat in het Centraal Station van Rotterdam. Corbijn heeft zelf de status van een ster bereikt en wordt nu dus ook als een ster gefotografeerd - door een vertegenwoordigster van de nieuwste generatie popfotografen.

Die nieuwe generatie bestaat volgens de Melkweg-expositie Fotopop uit tien fotografen. Van ieder zijn drie a vier foto's aanwezig. Het grootste deel is geposeerd, de concertfoto's zijn in de minderheid. Dat is jammer, want ik had graag gezien of er in deze sector nog een nieuwe beeldtaal valt te ontwikkelen nu de fotografie bij elk rock-concert van enig formaat aan strenge beperkingen is gebonden. Ed van der Elsken kon, blijkens het zojuist herdrukte fotoboek Jazz, nog onbekommerd in de coulissen staan. Nu telt een act pas mee als de fotografen slechts tijdens de eerste twee of drie nummers hun gang mogen gaan - en dan nog bij voorkeur onderaan het podium, vooral niet erop.

Caroline van den Dool heeft daaruit, blijkens haar selectie, de uiterste consequentie getrokken: zij kijkt met haar camera uit een extreem laag standpunt en de muzikanten rijzen dus als godheden ver boven haar uit. Een andere blikvanger is de foto, die Ron Kruit maakte van de groep 24-7-Spyz: een feestelijk vol toneel, recht van voren genomen, met een overbelichte gitaar als totem in het middelpunt van het beeld.

Van de andere zeven hangen er vooral portretten. Die zijn niet vrij van eenvormigheid. Diverse fotografen leverden bijvoorbeeld gezichten in het zwart af, met als enig onderscheid dat bij de een de nek nog is meegefotografeerd en bij de ander het zwart al meteen onder de kin begint. Een ander maakte extreme close-ups of sneed rechthoekige stukken van het gezicht af, zoals Willem Diepraam in de jaren zeventig al deed. Zelfs de al sinds de jaren vijftig gebruikelijke hotelfoto - eenzame ster peinzend op bank in onpersoonlijk vertrek - ontbreekt niet.

Zo bezien is er niet veel veranderd sinds Gijsbert Hanekroot twintig jaar geleden bijna eigenhandig het genre van de popfotografie ontwikkelde. Corbijn was zijn belangrijkste opvolger en hier hangen de opvolgers van Corbijn. Een werkelijk persoonlijke signatuur is nog bij geen van hen zichtbaar. Misschien zijn er in het genre te weinig mogelijkheden overgebleven om er nog echt baanbrekend in te zijn. De gezichten veranderen, maar de omstandigheden niet. Of zich onder deze tien een uitzonderlijk talent bevindt, is waarschijnlijk alleen vast te stellen als ze ook ander werk zouden laten zien.