Echo; De gehandschoende klauwen lagen op de gashandles en gingen, precies tegelijk, heen en weer, gas open, gas dicht, gas open, gas dicht, maar wij hoorden niets.

De eerste keer was in de quarantaine van het ziekenhuis, waar mijn tweelingbroer Raph en ik op iemand stonden te wachten in een lange hal met grijs geverfde muren en bed-brede roomkleurige deuren van ijzer aan de ene kant en een blauwige wand van glas daar tegenover en we hadden het er over voor wie dat kon zijn, al dat glas, in een afdeling waar iedereen achter blinde deuren zonder nummers ligt, zonder deurkrukken, in bedden die onder tenten staan van melkwit plastic waarin je de contouren ziet van verchroomde buizen en onbewegelijke lichamen, alsof ze er poppen hebben neergelegd. Raph stond een beetje met zijn camera te spelen, hij draaide aan de lens en richtte hem op van alles en nog wat en toen stootte hij mij aan en ik volgde de knik van zijn hoofd, naar buiten, en daar, op het talud dat vlak achter het glas begon en steil omhoog liep, zag ik twee paar benen het soort kleine passen maken dat je wel vaker in ziekenhuizen ziet, iets tussen langzaam lopen en schuifelen in. We konden niet zien wie het waren, de mensen die bij die benen hoorden, want de quarantaine was een soort half-souterrain, dus we moesten bukken en naar boven kijken om hun gezichten te zien, en toen we dat deden en ze eindelijk zagen, zei Raph dat hij ze kende. “Dat is Echo”, zei hij, “Echo met zijn zus. Ze hebben haar hier opgenomen, ze heeft zelfmoord gepleegd, voor de tiende of twintigste keer” en ik keek naar boven, naar dat voortschuifelende paar en terwijl het vreemde van de situatie tot mij doordrong, zij daar boven de grond en wij kromgebogen beneden, de hoofden schuin omhoog gedraaid om hen te kunnen zien, sloeg zij ineens haar handen voor het gezicht en begon ze te snikken, hartverscheurend te snikken, met schokkende schouders en een hoofd dat 'nee' schudde, de handen nog steeds voor het gezicht, en hij keek om zich heen alsof hij bang was dat iemand hem zag, hij wreef zich over het voorhoofd en perste zijn lippen op elkaar en toen legde hij zijn hand op haar schouder en hij drukte haar op een bankje en ging naast haar zitten en hij streelde haar over het hoofd en keek de andere kant op, een beetje afwezig, alsof hij ook wel wist dat er niets aan te doen was. Op dat moment kwam de man op wie wij wachtten en Raph pakte zijn tas en zijn camera's en volgde hem die merkwaardige gang uit, naar een trapje van drie treden dat naar boven, naar de begane grond leidde. Ik bukte mij om het statief en de lampen te pakken, nogal traag, want ik kon mij niet losrukken van het beeld van die muzikant en zijn zuster die daar op dat bankje in de tuin van het ziekenhuis zaten, zo alleen, met zijn tweeen en toch zo alleen, en terwijl ik daar nog steeds half gebogen stond hoorde ik Raph, die vroeg waar ik bleef. Ik greep het statief en de gedeukte lampen, ik riep dat ik kwam en ik liep de gang uit, maar toen ik bij het trapje was bukte ik mij om nog een keer naar die mensen op dat bankje te kijken en op dat moment wist ik ineens dat ik hem eerder had gezien en ik wist ook waar en wanneer.

Lang geleden, toen Raph muzikanten fotografeerde en ik in zijn kielzog in allerlei te grote, te hoge zalen kwam, van die schoendozen met muren die tot schouderhoogte zijn betimmerd met namaakhouten lambrizering en vuile plafonds waar gebarsten schaalvormige lampen aan hangen en vloeren met gescheurd linoleum, toen had ik hem echt voor het eerst gezien, in een kleedkamer. Hij zat op een gebutste zinken vuilnisemmer en tokkelde een traag soort flamenco op zijn elektrische gitaar. “Echo zat in Willies band”, had Raph gezegd, terwijl hij een vijftig millimeter op zijn camera schroefde en het toestel aan zijn ogen zette en scherp stelde. De man met de gitaar keek op en brak het akkoord dat hij net had aangeslagen en Raph drukte op de ontspanner. “Willies band...”, zei Echo en hij vertelde dat Willie, wie dat ook mocht zijn, bij hem had gespeeld, maar was weggegaan en in Amerika had getourd en dat iedereen het daarom wat anders zag en ik luisterde naar hem terwijl hij het verhaal van zijn opkomst en ondergang vertelde, want dat was het, je reinste opkomst en ondergang, en ik dacht toen al: waarom is het hem niet gelukt, terwijl hij alles kan? Later, op weg naar huis, had Raph gezegd dat dat niet zijn echte naam was, Echo, maar dat de muzikanten in de stad hem zo noemden omdat hij de nagalm altijd op tien zette en dan met het hoofd in de nek en de ogen gesloten vraag en antwoord speelde met zijn eigen noten. “Hij praat met zijn gitaar”, zei Raph, “je ziet zijn lippen bewegen als hij speelt en zijn gitaar praat terug.” En toen, terwijl we zo naast elkaar voorliepen, vertelde hij nog dat Echo uit een oude Armeense familie stamde die via Noord-Afrika en Spanje hier terecht was gekomen, en ik vroeg mij af wat hij daarmee bedoelde, wat dat verklaarde. Intussen was ik boven gekomen, in een lange donkere gang, waar Raph en die man van het ziekenhuis stonden en Raph hield ondertussen zijn lichtmeter omhoog en keek op de schaal met cijfers en af en toe knikte hij naar die man en ik begon de lampen op te zetten, ik klapte het statief uit, en volgde de aanwijzingen op die Raph voor zich uit mompelde en verschoof een lamp, zette er een hoger of lager.

Ik zag Echo na die dag in het ziekenhuis misschien wel een jaar niet meer en ik vergat wat ik gezien had, toen en destijds in de Bellevue, tot ik op een ochtend de Molenaarssteeg in liep en daar stond hij, aan het einde van die kloof van baksteen en beton die gevormd wordt door de achterkant van een groot kantoor en de raamloze muren van een cafe en wat winkels. Zijn haar was vet en zwart en piekerig en hing in deinende strengen om zijn hoofd. Hij droeg een oud blauw jasje, dat half om een schouder hing en een uitgezakte, vuile spijkerbroek die als een dweil tussen zijn benen bungelde. Op de straat stond een halflege wijnfles waar hij met openhangende schoenen omheen schuifelde, zijn veters slierden over de grond. Hij draaide in het rond als een ballerina in een speeldoos, zijn linkerhand zweefde ter hoogte van zijn schouder, zijn rechterhand maakte plukkende bewegingen op zijn buik en ik hoorde zijn versleten stem mauwende geluiden maken. Ik stond aan het begin van de Molenaarssteeg en zag hem haarscherp, alsof hij op een plek van grote helderheid stond, een plek waar de lucht van glas was of van water. Zijn gezicht gloeide in het licht van de lage ochtendzon en ik kon zien dat hij loensde en dat zijn mond vertrokken was, maar niet op een wrede of trieste manier, meer alsof hij glimlachte en dat niet goed meer kon en nu een gezicht trok dat er zo dicht mogelijk bij kwam en terwijl ik dat zag schoot mij te binnen wat Raph had gezegd, die dag in het ziekenhuis, toen we hem met zijn zuster hadden zien wandelen: “Verliezers, een hele familie van verliezers, allemaal het een of andere vage talent, maar niemand die weet waar-ie met dat talent heen moet” en ik dacht aan het lot van die andere Echo, de eerste, de echte, de nimf die tot een stem verschrompelde en haar geliefde Narcissus zag ondergaan terwijl zij niets kon doen dan zijn wanhopige laatste woorden herhalen.

De laatste keer was op een avond toen ik met Raph meeging om foto's in te leveren bij een krant. Terwijl Raph met een redacteur stond te praten keek ik uit het raam van de studio, ik staarde wat naar de lege parkeerplaats, de volgekalkte muren, de grote kartonnen dozen met afval, toen in het licht van de natriumlampen een wankelende figuur opdook. Hij had zijn rechterhand iets opgeheven, alsof hij houvast zocht, maar er was niets waarop hij kon steunen. Hij liep naar een muurtje, waar hij met zijn rug tegenaan ging staan, liet zich zakken en boog zijn hoofd. Terwijl hij daar met uitgestrekte benen op de grond zat en ik naar hem keek, een bergje achtergelaten vodden, danste het licht van een koplamp over de stenen. Daar kwam eerst een motor, toen een volgende en daarna nog een door de opening tussen de kantoorblokken. De drie machines reden langzaam de parkeerplaats op en begonnen aan een ballet van beverige lichtbundels die elkaar kruisten, traag naar beneden bogen en dan ineens, in een vloeiende beweging, over de omringende muren van de parkeerplaats schoten. Een van hen maakte een perfecte halve cirkel en stopte voor het ineengezakte hoopje kleren dat tegen de muur hing. De anderen draaiden traag over de parkeerplaats. Ik kon niets horen, de ramen waren goed gesoleerd, maar ik vroeg mij af waarom die man daar beneden niet opkeek, want die drie machines bij elkaar in die kom van steen moesten een enorm lawaai voortbrengen. De motor die voor de zwerver stond reed langzaam naar voren, tot hij zo dicht bij de man was dat ik niet kon zien of hij hem raakte of niet. “Jezus”, zei ik. Raph en de redacteur kwamen bij mij staan. In het oranje schijnsel van het natriumlicht zag ik de in zwart leer gehulde hand van de man op de motor ritmisch heen en weer bewegen. “Wat willen ze?” zei ik. “Niets”, zei de man van de krant, “pesterij, gewoon pesterij.” Ik kon aan zijn stem horen dat hij niet zeker was van zichzelf. Toen zwaaide het rechterbeen van de man op de motor naar achteren, het hing even naast de verchroomde uitlaat, die oranje glansde in het hoge licht van de lantaarns, en daarna kwam het met een enorme haal naar voren en knalde de gelaarsde voet in de zij van de zwerver, precies onder de ribben. De man op de grond, die op dat moment schuin omhoog keek, klapte met zijn hoofd tegen de muur, zijn hele lichaam leek iets omhoog te komen en zakte toen voorover. De motor schokte, het voorwiel kantelde en reed over het vooruitgestoken been van de zwerver de parkeerplaats op. “O God”, zei Raph. “Ik ga bellen”, riep de man van de krant, “niet weggaan.” Hij draaide zich om en rende de studio uit. De motor maakte intussen een sierlijke boog, tot hij tussen de andere twee stond. De gehandschoende klauwen lagen op de gashandles en gingen, precies tegelijk, heen en weer, gas open, gas dicht, gas open, gas dicht, maar wij hoorden niets, bij ons heerste onwereldse stilte. De zwerver drukte zich tegen de muur overeind, een hand op zijn borst, de andere achter zich, en hij hoestte. Hij boog zich voorover en spuugde iets op de grond. De eerste motor reed langzaam naar voren. Het figuurtje dat daar beneden stond, in die put van gekleurd licht en steen, hief zijn hoofd op en schudde een traag soort 'nee'. Hij schuifelde langs de muur. De andere twee motoren reden naar voren. De zwerver begon half strompelend te lopen, eerst langs de muur (“Niet naar links”, riep ik, “niet naar links.”) en toen in een vaag soort zigzag over de parkeerplaats in de richting van een open hok waar een paar grote zinken containers stonden. Hij had nog geen vijf meter afgelegd, toen de eerste motor hem passeerde en een laars hem vol in de rug trof. Hij tolde half in het rond. Hij struikelde en klapte op zijn knieen en heel even zag ik hem naar adem happen en toen begon hij vooruit te kruipen, maar hij had nog maar nauwelijks bewogen toen de volgende motor hem achterop kwam en terwijl de machine hem rakelings passeerde haakte een zwarte laars achter zijn been. Hij werd opgetild en maakte even de slappe, trage beweging van een lappenpop die wordt opgegooid en toen draaide hij rond en klapte hij op zijn rug en reed de derde motor over zijn arm. De arm draaide onder het wiel en de mond van de zwerver ging langzaam open, wijder en wijder, zijn lichaam krulde als een stuk papier in de vlammen. Even lag hij daar op het steen, toen kwam hij weer overeind, tot hij half gebogen stond, de handen op de knieen, en hij hief het hoofd, eerst in de richting van de drie in het rond cirkelende motoren, toen verder omhoog, en zijn ogen gleden over de gevel, naar ons raam en op dat moment leek het alsof hij ons zag en glimlachte. “Echo”, zei Raph. Ik sloeg met mijn hand op het raam en schreeuwde. De zwerver liet het hoofd weer zakken en slofte traag in de richting van de containers. De motoren trokken langzaam op. Ze reden in beheerste bogen over de door olie en rubber verkleurde stenen. De eerste miste hem, de tweede trapte hem in zijn zij en toen de derde motor kwam en Echo op de grond lag, met zijn wang op de stenen en zijn armen wijd uitgespreid, gingen de wielen in de volle lengte over hem heen en bleef hij stil liggen. Dat was de laatste keer dat ik hem zag.