Dood

Op zichzelf was de dood van mijn vader niet tragisch. Zesentachtig is hij geworden, dus niet te vroeg en niet te laat. Hij was geen man van zware depressies. Over gevoelens praatte hij nooit, wel lachte hij veel, zodat je de indruk kreeg dat hij tamelijk gelukkig was. Tot zijn vijfentachtigste rookte hij zestig sigaretten per dag, zonder ergens last van te hebben.

Hij heeft ook nooit geleden, zoals dat in de taal van het ziekenhuis heet. Toen hij te horen kreeg dat het mis was en hem gevraagd werd of hij nog behandeld wilde worden, gromde hij heel duidelijk “nee” en liet zich terug naar zijn kamer rijden. Daarna at hij niet meer en zakte weg in een onbereikbare sluimer. Na twee dagen tuitte hij zijn lippen om mijn moeder te kussen en de volgende dag was hij dood, zonder boodschap of laatste woord.

Hij is de eerste dode in mijn leven die ik van dichtbij zie. De ogen dicht en een witte doek onder de kin om de mond gesloten te houden. Hij was het nog wel, maar toch was hij ook al iets anders geworden.

Voor mij is hij altijd een raadselachtige man gebleven. Als het aan hem had gelegen, was hij ook in totale eenzaamheid gecremeerd: geen rouwstoet, geen toespraken, geen ceremonie en misschien zelfs geen muziek. Slechts een handjevol familieleden zou het zijn toegestaan even langs te komen. Achteraf lijkt het wel of hij het liefst was behandeld als iemand die nooit had bestaan.

Hij laat ook praktisch niets na dat specifiek van hem was. Geen dierbaar horloge of een bijzondere vulpen. Geen agenda's of boekjes met aantekeningen. Hoewel hij in zijn actieve periode veel in kranten heeft geschreven, heeft hij geen enkel manuscript bewaard. Er zijn, geloof ik, ook geen brieven. Aan geld en bezit hechtte hij sowieso niet. Een huis kopen vond hij onzin. Hij had genoeg aan een broek, een overhemd en een jas. De nieuwe kleren die mijn moeder voor hem kocht, trok hij eenvoudig niet aan.

Je hebt mensen, zoals Mulisch, die ten behoeve van het nageslacht het voetspoor van de Verschrikkelijke Sneeuwman willen achterlaten, maar dat was niets voor mijn vader. Hij hield ook niet van literatuur. Hij hield van kranten, die je doorbladerde en vervolgens weg kon gooien.

Zeker weet ik het niet, maar ik vermoed dat zijn besluit om zo weinig mogelijk van zichzelf na te laten, te maken heeft met de oorlog. Mijn vader woonde nog bij zijn ouders, toen hij moest onderduiken. Hij pakte zijn spullen in een kist en begroef die in de tuin. Toen hij na de oorlog terugkeerde, bleken zijn ouders te zijn weggevoerd. In het huis woonden andere mensen. Van de oorspronkelijke inboedel werd niets meer teruggevonden. Ook de kist met de meest persoonlijke eigendommen was verdwenen.

Toch heb ik vlak voor zijn dood nog iets van mijn vader gekregen: een lidmaatschapskaart van de AVVL, de Arbeiders Vereniging Voor Lijkverbranding. Het was niet zijn lidmaatschapskaart, maar echt de mijne. Zijn vader, mijn grootvader, was een van de oprichters van de AVVL geweest. Indertijd was de lijkverbranding een strijdpunt in de socialistische beweging. Weg met de onhygienische christelijke begrafenis.

Mijn grootvader had mijn vader lid gemaakt, en mijn vader had hetzelfde met mij gedaan. Al vanaf mijn geboorte had hij jaarlijks een tientje voor mijn crematie overgemaakt. “Sommige vaders maken hun zoon lid van een voetbalclub, jij maakt mij lid van de lijkverbranders”, zei ik tegen hem. Maar ik begreep dat ik met deze kaart misschien wel het laatst overgebleven socialistische ideaal in handen had. Dus zei ik, om hem te tarten, dat ik later zelf liever begraven wilde worden.

Een dag na de dood van mijn vader kwam de man van de AVVL aan huis. Hij vertelde dat de A van Arbeiders inmiddels was vervangen door de A van Algemene: de Algemene Vereniging Voor Lijkverbranding. Op verzoek van de leden verzorgt de AVVL tegenwoordig trouwens ook begrafenissen, waarbij de kist gewoon de grond in gaat. Ik heb nog geen definitieve beslissing genomen, maar voorlopig kan ik alle kanten op.