De zon

Er was er eens een zon. Die verveelde zich zo erg. Op een dag zag hij een konijntje huppelen door het gras. Hij zei tegen het konijntje: Wil je met me spelen? Maar het konijntje zei: Ik ga niet met jou spelen, want als ik je aanraak dan verbrand ik me, en niet zo'n beetje ook!

De zon zuchtte, hij keek naar de bomen die ritselden door de wind. Opeens kreeg hij een idee, hij zou op bezoek gaan bij Japie de boseekhoorn!

De zon ging naar beneden, maar niet te ver. Want anders vlogen de bomen in brand, en dat was niet de bedoeling. De zon riep: Japie, Japie, ben je thuis? Maar de zon kreeg geen antwoord. De zon ging nog lager en riep weer: Japie, Japie, ben je thuis? Maar er kwam nog geen antwoord. Plotseling zag hij een bordje hangen aan de boom waarin Japie woonde. Er stond op: Ik ben op vakantie, ik ben over een week terug.

Japie op vakantie, konijn wil niet met me spelen, ik ben het zat, dacht de zon.

De volgende dag zag de zon een mamabeer lopen en een babybeer. De zon zei: Willen jullie met me spelen? Maar natuurlijk, zei de beer, we willen heel graag met je spelen. Zijn jullie dan niet bang voor mij, vroeg de zon. Wij zijn beren en wij spelen heel graag, zelfs me een zon, zei de beer. De zon was zo verbaasd dat hij achterover in een wolkje viel. De beren moesten lachen om de zon. Het kleine beertje zei: Ik heb een bal meegenomen, daarmee kunnen we spelen. Maar de zon zei: Ik kan niet te ver naar beneden komen, anders verbranden de bomen! Mamabeer zei: Dat is niet zo erg, babybeer en ik klimmen ieder in een boom, en dan kunnen we overgooien.

Ze speelden de hele dag en het was heel fijn. De zon speelde en speelde. 's Avonds zei de zon: Ik ben heel blij dat jullie met me speelden. En nu heb ik iets voor jullie twee, let maar op. De zon deed zijn ogen dicht. Er kwamen allemaal vonkjes van hem af. Die vonkjes werden sterren, en die sterren maakten samen de grote en de kleine beer.