De werkster; Een vrouw die heel mooi was moest je met u aanspreken; die hoorde tot een andere klasse.

“Nou, ik heb er een! Volgens mij is het de beste!”

Natuurlijk was het de beste. Als het niet de mooiste of de grootste was, kon het nog maar een ding zijn.

Hij zette zijn diplomatenkoffertje neer. “Er is geen beste”, zei hij zijn jas uittrekkend. “Ze zijn allemaal anders en toch hetzelfde. Daaruit volgt al dat er geen beste is. Als je de beste wilt hebben moet je haar zelf bakken. Ik hoor het m'n moeder nog zeggen.”

Tot zijn laatste snik zou hij college geven.

“Ze komt maandag.”

“Hoe laat?”

“Acht uur al. Als je niet de deur uit bent kun je nog even kennismaken.”

Natuurlijk! Met werksters moest je kennis maken. Wie de spetters van de spiegel zeemt, de afgeknipte nagels stofzuigt, de, ja wat nog meer; het rijk alleen heeft als je weg bent. Wat doen werksters als ze alleen zijn. Daar was nog nooit een onderzoek naar gedaan. Haar een hand geven was het minste.

“De wc, doet ze die ook? Hoe ziet ze eruit?”

“De wc? Dat hoop ik. En ik weet niet hoe ze eruit ziet. Door de telefoon was ze heel aardig.”

“Mijn moeder had er een die ook heel aardig was. Als ze het bestek had gepoetst leek het alsof Uri Geller ernaar had gekeken.”

“Wie is dat, Uri Geller?”

“Een man die je tafelzilver kromkeek als je geld toe gaf.”

“Wij hebben geen tafelzilver.”

Het gesprek was afgelopen. Er viel nu niets meer aan te doen. Zondagavond zette ze de wekker om zeven uur.

Het eerste halfuur van de volgende ochtend werd gekenmerkt door het soort haast van de eerste vakantiedag: ruim op tijd moest je dan zijn want je wist nooit uit welke hoek de vertraging kon komen. Twintig minuten voor het uur U gingen ze voor het raam staan.

“Daar heb je haar!” zei hij. Een potig vrouwtje van een jaar of vijftig stak over, richting voordeur maar er werd niet gebeld.

“Nee, die is het. Zeker!” zei ze. Iemand van hetzelfde type stapte in dezelfde richting; er werd weer niet gebeld.

“Het is werkstersuitzwermtijd, nu. In dienst heb ik nog les in vliegtuigherkenning gehad”, zei hij. “Misschien heb je ook zoiets voor werksters.” Niet leuk. Het was drie voor acht, het straatbeeld bevatte geen werkstertype.

De bel ging op het ogenblik dat de radio het tijdsein gaf. Ze rende naar de deur, daar ontstond een gedempt gesprek dat opeens eindigde in luid, overhartelijk gelach. Voetstappen gingen in de richting van de keuken. Daar moest hij ook maar heen, kennismaken met de werkster. Voorzichtig keek hij om de hoek.

Op het aanrecht zat een vrouw van een jaar of dertig. Weggelopen uit de chorus line van het Lido. Zulke lange benen had hij nog nooit gezien. Ze had zigeunerzwart haar, in een knoet, hoge jukbeenderen. Ze bleef zitten terwijl ze haar hand uitstak. “Ik ben Ali.” Een hese lage stem. Marlene Dietrich; nachtclubs.

Hij had zich hersteld. “Ha Ali! Ik ben Flip.”

Ik woon hier, wilde hij zeggen. Wat kwam ze doen, Ali? Een 06-bedrijfje vestigen? 't Scheen mogelijk te zijn nu de PTT geprivatiseerd was. Je hoorde wel meer van die dingen: werkhuizen om een verloofde in San Francisco te bellen, moeder in Nieuw-Zeeland. Nette heren voor de lunch ontvangen.

“Het ziet er aardig uit bij jullie”, zei Ali, misprijzend om zich heen kijkend. “Maar er moet wel het een en ander aan gedaan. De keuken is meestal het schoonst. De rest zie ik wel als jullie weg zijn. Waar staan je schoonmaakspullen Dorothea?”

Natuurlijk: je en jij. Daar had hij gelukkig geen vergissing gemaakt. Als je een werkster uit de Playboy kreeg, dan ook tutoyeren. De democratisering kon niet van een kant komen maar het was tegen zijn beginselen. Een vrouw die heel mooi was moest je met u aanspreken; die hoorde tot een andere klasse. Werksters mocht je ook niet tutoyeren maar die hadden een grijze bol bij wijze van hoofd en suikerziekte in de familie. Op zo'n manier ontvielen je de laatste zekerheden. Hij begon zich onbehagelijk te voelen.

Dorothea deed de gootsteenkast open en wees in het donker. Op haar hurken inspecteerde Ali de voorraad. “Daar moet veel bij”, zei ze. “Hoe noemen ze je meestal? Doortje of Thea?”

Dorothea begon te lachen. “Altijd Dorothea. Maar als jij het wilt mag je Doortje zeggen.”

Instant verzustering; hier zou niets meer van hem worden gevraagd, tenzij hij om een boodschap werd gestuurd. “Ik moet eens aan het werk”, zei hij, zijn overtuigingskracht versterkend door bezorgd op zijn horloge te kijken. Hij verliet zijn huis in de schuwe tred van een vluchteling. Op het instituut informeerde hij of ze ervaringen met werksters hadden. Zeker. Hij werd overstelpt met wetenswaardigheden maar niets verrassends. Niemand had een werkster met het signalement van Ali. Hij werd uitgelachen.

Het was het begin van de vakantietijd, de lokalen waren ontvolkt en wie was achtergebleven, ging vroeg naar huis; moest wel want er was niets te doen. Om de kans op de confrontatie met Ali zo klein mogelijk te maken stapte hij twee haltes te laat uit en liep terug.

Voorzichtig deed hij de deur open. Ali was weg en het huis was schoon. Dat zag hij meteen; het was schoner dan hij het ooit had gezien. Stof, ook de dagelijkse neerslag, dat beetje waarvoor niemand zich hoeft te schamen - toch doet het de lijnen vervagen. Ali had de lijnen opnieuw getrokken en in alle kamers hing een lucht die rijk was aan zuurstof en geur van boenwas. Gebruikelijk na het bezoek van de werkster. Maar in zijn werkkamer was nog iets veranderd dat hij niet onmiddellijk thuis kon brengen. Hij ging achter zijn bureau zitten en keek rond. “Verdomd”, mompelde hij. “Ze heeft de schilderijen verhangen.” Het bosgezicht moest links en de ijspret rechts. Hij klom op een stoel en herstelde de volgorde.

Dorothea was laat. Hij ging voor het raam staan. Wel een half uur na de gewone tijd kwam ze de hoek om, aan iedere hand een zware tas. Ze torste. Hij snelde naar de deur zoals zijn plicht was. “Hier!” zei ze. “Allemaal voor Ali!” Hij schatte drie kilo aan iedere kant.

Op het aanrecht werd alles uitgestald: een paar kleurige plastic flessen met wonderbleek-, oplos- en krasloze schuurmiddelen, een korte dikke fles met biologische reinigingsvloeistof, een platte ovale met een verstuiver, drie spuitbussen, nog een platte fles met een hals in een S-bocht, twee kartonnen dozen en een trechter.

“Waarvoor is die? Gaat ze goud maken?”

“Daar heeft ze niks van gezegd. Kom, we gaan kijken wat ze ervan gemaakt heeft.” Ze trok hem mee bij de hand, de huiskamer in. “Prachtig, prachtig! Wat hebben wij geboft Flip! Eindelijk van al dat gedoe en gedonder af, dat gepoets en gezuig!” Ze verschoof een bloempot. “Die stond daar niet. Nou ja. Ze hoeven geen fotografisch geheugen te hebben. Als ze maar kunnen boenen.”

“Nieuwe bezems vegen goed, zei mijn moeder.” Zou hij haar over de verwisselde schilderijen vertellen? Waarom niet? Maar hij zweeg.

“Je moeder! Ali is een heel interessante vrouw.”

“Hoe weet je dat?”

“Nadat je weg was hebben we nog een kopje koffie gedronken. Ze heeft me over haar opvattingen verteld.”

“Opvattingen?”

“Ja. Ze moet zich zo'n huis helemaal eigen maken, ze moet het veroveren als het ware. Het moest zich ontspannen onder haar handen, zei ze. Ben je weleens goed door iemand anders gewassen en gemasseerd, vroeg ze.”

“Wat heb je gezegd?”

“Moest ik nee zeggen? Maar laat me nou even uitpraten. Zo doet ze het met haar huizen. Als de bewoners weg zijn en ze is helemaal alleen dan gaat ze die huizen onderwerpen. Zo noemt ze het. Niet schoonmaken maar onderwerpen.”

“Het lijkt me meer een geval van heerszucht met polyandrie.”

“Reken maar dat ze tekeer gaat in d'r eentje. Misschien wel naakt. En niks gebroken!”

In de loop van de avond ontdekte Dorothea, hoe ver Ali al in het huis was doorgedrongen. Al het glaswerk gewassen; de bovenkant van de boeken afgestoft. In de kast waar de bank- en giropapieren en de polis van de verzekering werden bewaard, lag alles rechthoekig op stapeltjes.

“Misschien moeten we een kast op slot doen”, zei Dorothea.

“Als Ali het goed vindt.”

Tegen het midden van de week was de werkster uit het gesprek verdwenen. Zaterdag, aan het laat ontbijt zei Dorothea: “Ik ben toch zo blij!” Ze keek even dankbaar naar het plafond. “Omdat Ali maandag weer komt.”

“Ik weet het niet.”

“Wat niet? Wil jij zondag stofzuigen? Afstoffen? Zemen? Het klonk agressief.

“Nee nee nee. Maar ik heb weleens gehoord dat excessief schoonmaken verband houdt met een kwaad geweten. Het is een vorm van zelfreiniging maar dan van iets anders. Calvinistische vrouwen met zondige gedachten moeten altijd de stoep schrobben, dat is bekend.”

“Met Ali's zondige plannetjes hebben we niks te maken. Of, hoe zondiger hoe beter, als je het zo bekijkt.”

Het was zondagavond, na het eten.

“Als je afwast, wil je dan de glazen even tegen het licht houden? Je laat ze altijd aankoeken.”

“Nee.”

In de keuken hoorde hij hoe ze inspecterend door het huis begon te lopen.

Ieder humeur heeft zijn eigen tred. Hij bleef zo lang mogelijk rommelen. Eindelijk kwam ze, haalde een vers gewassen glas uit de kast en hield het tegen het licht. “Dat bedoel ik. Kijk!”

“Ik zie niks.”

Ze gaf geen antwoord, greep de droogdoek en begon te poetsen.

“Ik moet morgen vroeg op, vroeg weg”, zei hij.

“Ik wacht even tot Ali er is.”

De volgende middag ging hij weer eerder naar huis. Hij drukte zijn oor tegen de voordeur. Stilte, voorzover hij kon horen. Voorzichtig ging hij binnen en liep meteen naar zijn werkkamer. Bosgezicht en ijspret waren weer van plaats verwisseld. Hij hing ze waar ze hoorden, ging aan zijn bureau zitten, legde paperassen voor zich en zette zich in werkhouding. Nog niet was hij daarmee klaar of hij hoorde Dorothea binnenkomen. Vastberaden stap, ze neuriede, dat had ze lang niet gedaan. Daar was ze.

“Jezus, Flip! Ben je er al! Je laat me schrikken!”

“Niet de bedoeling.”

“Heb je gezien hoe prachtig alles weer is?”

Hij had het gezien, die Ali was een werkster uit duizenden. Hij zei niets over zijn schilderijtjes. Hij vernam dat ze nog gezellig hadden gepraat, Dorothea en Ali. Waarover? Ja, dat was moeilijk te zeggen. Gewoon.

In het verloop van de volgende weken werd Ali tot zijn onzichtbare huisgenote. Zondagavond werd er flink aangepakt om alles op haar komst voor te bereiden; maandag ging hij vroeg naar huis om in het geheim bosgezicht en ijspret te verwisselen.

Een van die maandagen ontdekte hij, op het instituut gekomen, dat hij een blaadje met een op dat ogenblik noodzakelijk telefoonnummer op zijn bureau had laten liggen. Van een meneer Smit, het adres kende hij niet. Zoek dat maar eens op in het telefoonboek. Zou hij Ali bellen? Ja, waarom niet. Absurde vraag. Hij prikte zijn nummer.

Het duurde lang voor er werd opgenomen. Best mogelijk met dat lawaai van de stofzuiger. Eindelijk! Geen stofzuigerachtergrondgeluid maar daverende muziek die hem niet of vaag bekend voorkwam. “Hallo!” riep een boze vrouwenstem.

“Ali?”

“Wie is daar?”

“Ik ben het. Uh, Flip, van Dorothea.”

“O! De man van Doortje! Wat is er?” De muziek daverde voort.

Hij legde uit wat hij wilde: een notitie op zijn bureau. “En wat is dat voor muziek die ik daar hoor? Die hebben wij niet.”

“Dat is Nacht op de kale berg. Ik draai altijd m'n eigen muziek. En dat papiertje van je bureau, dat zit al diep in de vuilnisbak. Dat is niet meer te vinden hoor!”

“Godverdomme! Heb je dat opgeruimd?”

“Ja, opgeruimd. Daar hebben jullie me toch voor gehuurd? En als je die schilderijtjes niet laat hangen waar ze horen, ruim ik jou ook op. Kleine stiekemerd!” De verbinding werd verbroken.

Hij wilde in de telefoon kijken zoals dat in Amerikaanse films wordt gedaan. Wat? Hij had het natuurlijk niet goed gehoord. Terugbellen om te vragen wat ze had gezegd? Nee, hij had het zich verbeeld.

Zoals zijn gewoonte was geworden kwam hij vroeg thuis, hij verhing de schilderijtjes en zweeg tegen Dorothea over alles.

Ali bleef. Hij werd steeds zwijgzamer. Er zou een dag komen, dat wist hij zeker, dat hij bosgezicht en ijspret niet meer zou aanraken. Zwijgend ging hij zijn ondergang tegemoet. Het had er altijd ingezeten.