De lange mars van Dola Mari

In 1947 vluchtte Koerdenleider Barzani met 500 getrouwen van Irak naar de Sovjet-Unie. Barzani's latere chef-lijfwacht Amarada Dola Mari over een spectaculaire massa-ontsnapping met historische gevolgen.

Sommige gebeurtenissen krijgen hun historische betekenis pas jaren later, met terugwerkende kracht.

Eind juni 1947 arriveerden in de USSR een paar honderd Koerdische vluchtelingen uit Irak, allen mannen, die weliswaar een opmerkelijke geschiedenis achter zich hadden, maar wier rol op dat moment uitgespeeld leek. Meer dan elf jaar zouden ze in de Sovjet-Unie blijven - totdat een revolutie uitbrak in hun eigen land: op 14 juli 1958 grepen (Arabische) Iraakse officieren de macht, doodden de koninklijke familie en maakten een goede samenwerking met de Koerden tot hoeksteen van hun beleidsplan.

Een van de vluchtelingen in de Sovjet-Unie was de toen al legendarische Koerdenleider Mulla Mustafa Barzani (1903-1979). Een stormachtig onthaal en een persoonlijk welkom van minister-president Kassem vielen hem ten deel toen hij op 7 oktober 1958 op het vliegveld van Bagdad weer voet op Iraakse bodem zette. Een paar maanden later, en eveneens onder grote bijval van heel Irak, arriveerden de anderen per schip in Basra.

Van de mooie revolutionaire beloften kwam echter weinig terecht: de relatie tussen Koerden en Arabieren verslechterde snel en in september 1961 begon Barzani een opstand. Veel van degenen die met hem in de Sovjet-Unie hadden gezeten, behoorden nu tot zijn belangrijkste vertrouwelingen, en namen sleutelposities in tijdens de acht jaren guerrilla-oorlog die zouden volgen. Na afloop was een gebied zo groot als Zwitserland geheel onder Koerdische controle, en zag vice-president Saddam Hussein zich genoodzaakt om naar Koerdistan te reizen om daar, en niet in Bagdad, met Barzani een bestand te ondertekenen.

Dat alles was nooit gebeurd als een van de meest gewaagde massa-ontsnappingen aller tijden, de vlucht van de 500 van Irak naar de USSR in 1947, niet met succes was bekroond.

Tapijt

Op dit moment zijn er nog maar enkele deelnemers in leven en een van hen is de nu 63-jarige Amarada Dola Mari. We treffen elkaar in het hoofdkwartier van de Barzani's bij Diyana, in het deel van Irak dat sinds de opstand van maart dit jaar onafgebroken onder Koerdische controle bleef. Samen met een tolk drinken we kleine glazen superzoete thee op een centimeters dik tapijt, terwijl Dola Mari in het verleden afdaalt.

In zijn stamgebied Barzan begon Mulla Mustafa in 1943 voor de tweede keer in zijn leven aan een grote opstand tegen het gezag in Bagdad. Iets ten oosten van Barzan leefde de Dola-Mari-stam, en in 1945 stelde Amarada zich onder bevel van Mulla Mustafa. Het was een keus voor het leven, want na terugkeer uit de USSR werd hij hoofd van Barzani's lijfwacht en nu geeft hij leiding aan de lijfwacht van Barzani's zoon Masoud.

Na een succesvol contra-offensief van Brits-Arabische grondtroepen en de Royal Air Force in augustus '45 trokken Barzani, zijn oudere broer Sjeik Achmad, 10.000 ondergeschikten en hun familieleden naar West-Iran, waar een na-oorlogs machtsvacuum ruimte bood aan een onafhankelijke Koerdische staat, de Republiek van Mahabad. Door president Qazi Mohammed werd Mulla Mustafa benoemd tot generaal en hoofd van de strijdkrachten. De titel bleef, maar de republiek niet: in december 1946 werd de jonge staat door de Iraanse strijdkrachten van de kaart geveegd, en met hun aanhang vluchtten de Barzani's naar de bergen bij de grens met Irak. Volgens goed Iraaks gebruik kregen ze amnestie aangeboden, en volgens goed Koerdisch gebruik hadden ze daarin weinig vertrouwen. Met de ouderen, vrouwen en kinderen meldde Sjeik Achmed zich bij de Iraakse autoriteiten, maar Mulla Mustafa en enkele honderden anderen uit de harde kern bleven waar ze waren.

In april '47 deed het Iraanse leger enkele pogingen om Mulla Mustafa en zijn groep in de pan te hakken, maar het succes bleef beperkt tot de vlucht van de rebellen naar Barzan, waar het Iraakse leger de dreiging voortzette. Half mei begonnen de vijfhonderd aan de lange mars naar het enige land waar ze toen nog bescherming konden verwachten, de USSR.

Dola Mari was al die tijd bij Barzani gebleven: “Voor mij was het niet zozeer een kwestie van weinig vertrouwen in de amnestie, maar van loyaliteit aan Barzani. Al die gevechten - ik deed het meer voor hem dan voor Koerdistan. Barzani was een zeer eenvoudig man. Hij was altijd in het centrum van de actie. Nooit stond hij iemand toe om zijn bagage te dragen en hij maakte grappen met iedereen. Hij raakte nooit in paniek, en onze terugtocht uit Iran was eigenlijk heel rustig. Vlak ten zuiden van het drielandenpunt met Turkije gingen we de grens over.

“Vanuit Barzan gingen we eerst naar Turkije, waar het leger sterke concentraties had. Maar we vermeden alle gevechten: om met vijfhonderd man ongezien te blijven is niet zo eenvoudig, dus we liepen 's nachts, en over onbegaanbare trajecten, tot we na vier dagen weer in Iran waren. Daar konden we drie dagen rusten voordat het leger ons ontdekte en omsingelde. Alleen door de allermoeilijkste bergweg te volgen konden we erdoor breken.”

Voor het Iraanse leger onder commando van generaal-majoor Homayuni was het een erezaak de harde kern van de opstandelingen in te rekenen. “We hebben drie grote aanvallen gehad en nog een reeks kleinere”, vertelt Amarada in kleermakerszit. Hij kijkt me indringend aan en barst soms in lachen uit, terwijl vertaald wordt wat hij juist heeft gezegd. “Onze schoenen hadden we gemaakt van oude autobanden en touw. Zeer goed: onverslijtbaar en heel stil. Soms liepen we 's nachts gewoon onder de neus van de vijand, die nooit precies wist waar we heen gingen. Bagage hadden we nauwelijks, maar Barzani had bepaald dat niemand ooit minder dan vijfhonderd geweerpatronen bij zich mocht hebben. En verder wat brood en een fles water. Munitie maakten we vaak genoeg buit op de vijand, maar meestal paste het niet. Automatische wapens gooiden we ook weg, want die waren te zwaar. Iedereen van de plaatselijke bevolking wist natuurlijk wie we waren, maar vaak waren ze te bang om ons brood te geven. We dwongen ze nooit. Soms durfden we in een dorp te blijven slapen, maar dat was uitzondering. Meestal sliepen we gewoon op de rotsen en ook wel eens op de sneeuw.

“Een bezwaar van die lastige routes was natuurlijk dat daar geen water was, dus we konden ons bijna nooit wassen. Reservekleren hadden we niet. Alles ging ontzetten jeuken en viel uit elkaar, ook door al dat kruipen. Overdag waren we vaak bezig de resten aan elkaar te naaien.

“Tijdens de gevechten verloren we in totaal 28 man, en 20 anderen bezweken kort na aankomst aan verwondingen of uitputting. Zwaar gewonden konden we soms meenemen als we een paar muilezels hadden - maar dan was er weer een stuk dat voor de muilezels niet begaanbaar was, en moesten we de gewonden achterlaten.

“Ons zwaarste gevecht was bij de berg Kusli. We bivakkeerden in twee dorpen en werden omsingeld. Er resteerde een uitweg, maar daar lag een hele brigade in een hinderlaag. Uiteindelijk zijn we erdoor gebroken. Zelf hadden we zeven doden, de vijand vijfhonderd. Hoe dat kon? Bij een gevecht draait het om twee dingen: sterkte en moreel - en dat laatste is het belangrijkst. De troepen van de tegenstander bestonden uit bange dienstplichtigen die onze reputatie kenden. Barzani was toen al een legende. Met z'n allen kropen we eerst tot op honderd meter van de hinderlaag en daar vroeg Barzani om zes vrijwilligers. Die wisten ongezien tot vlak bij de vijand te komen, en begonnen ineens te schieten en te schreeuwen. Op hetzelfde moment viel de rest van twee kanten aan, en het resultaat was complete chaos en paniek. Ze gooiden hun wapens in de lucht en renden voor hun leven. Toen wij arriveerden waren al zestig tegenstanders gedood door die zes vrijwilligers, van wie twee het hebben overleefd.”

De laatste hindernis bood de natuur. Bij alle plaatsen waar de grensrivier met de Sovjet-Unie min of meer kon worden overgestoken stonden Perzen, dus viel de keus op een plaats waar de stroom wild en diep was. “Kolkend rood modderwater, tweehonderd meter breed”, herinnert Dola Mari zich. “Vlakbij was een dorp van de Jalari Koerden. Ze waren naar hun zomerweide-gebied, en we sloopten anderhalf huis om een vlot te maken van de droge stammen. Wie niet kon zwemmen ging erop, anderen duwden. Zo konden we met een man of vijftien per keer naar de overkant. Daar stonden Russische soldaten die niets anders deden dan van een afstand toekijken. Barzani zelf bleef in Iran tot de allerlaatste oversteek, op de derde dag. Een groot deel van wat we nog aan kleren hadden waren we tijdens het zwemmen kwijtgeraakt en sommigen van ons waren praktisch naakt. Maar de Sovjets staken geen hand uit: geen voedsel, geen kleren en geen hulp voor de gewonden. Pas nadat iedereen was gearriveerd, werden we naar een stad gebracht en kregen we gerstesoep en roggebrood. Weer wat later reden ze ons naar Baku. Daar kregen we eindelijk kleren, en werden we in groepen van zes tot acht verdeeld over Azerbajdzjan.”

Ook in de Sovjet-Unie bleef Dola Mari soldaat: als de meeste anderen werd hij ingelijfd in het Rode Leger, maar ook studeerde hij landbouwkunde. Die talloze gevechten, voor en na zijn ballingschap, betreurt hij zeker niet - maar wel het feit dat de man die bijna zijn hele leven beheerste er nu niet meer is. “Ik wou maar dat ik eerder was gegaan dan hij.”

Foto's:

Mulla Mustafa Barzani in 1973

Amarada Dola Mari nu De route van Koerdenleider Barzani en zijn 500 getrouwen