De joggende dominee; Ik verbaasde mij erover dat je aan een rug zo goed kunt zien dat iemand heel veel verdriet heeft.

Eind oktober, zondagmorgen vroeg. Massaal vielen na de eerste nachtvorst de bladeren. Zelfs eikebladeren dwarrelden omlaag. Vanachter mijn vleugel zag ik al dat blad gestaag neerkomen in de windstille oktobermorgen. Spelen deed ik niet, ik zat achter de toetsen en staarde naar dat buitensporige vallen. Over de weg langs het water rende een jogger in een zilvergrijs pak. Bij mijn oprijlaan sloeg hij af. Met zwaaiende armen mepte hij de neervallende bladeren weg. In snelle draf naderde hij, terwijl ondanks zijn zwaaiende armen steeds meer blad aan zijn jogging-pak bleef kleven, mijn voordeur. Luid schalde de bel door het huis. Traag liep ik naar de hal. Door het raam van de bovendeur zag ik hem gretig naar binnen kijken. En hij trappelde nog altijd, hij jogde op de plaats. Nog voordat ik de bovendeur helemaal had geopend, riep hij vrolijk, terwijl hij met duim en wijsvinger bladeren van zijn pak afschoot:

“Neem me niet kwalijk dat ik als het ware blijf rennen. Als ik zou stilstaan, raak ik uit mijn ritme.”

Hij stak mij de hand toe, zei opgewekt:

“Ik ben dominee Reus, het spijt mij dat ik u zo vroeg op de zondagmorgen al lastig val, maar wij hebben een probleem, onze organist is plotseling ziek geworden, ons is bekend dat u orgel kunt spelen en nu is onze vraag: zou u hem hedenmorgen willen vervangen?”

Verbaasd staarde ik naar de trappende dwerg die zich als dominee Reus had voorgesteld. Zijn voorhoofd glinsterde van kleine zweetdruppeltjes. Dat nam mij voor hem in.

“Het wordt een fijne morgendienst”, zei hij, “eigenlijk een morgenwake, het wordt ook een dienst van schrift en tafel, u zou ons geweldig helpen als u...”

“Zegt u maar”, zei ik terwijl ik keek naar al die zweetdruppels die net als de bladeren omlaag kwamen, “waar ik heen moet en hoe laat.”

“Het lijkt me het beste als u nu meteen met mij mee gaat. Jogt u soms ook?”

“Nee.”

“O, dat is jammer, ik kan het u heel erg aanbevelen, ik jog elke dag en op zondagmorgen vroeg gooi ik er altijd, vandaar dat het geen probleem voor mij was om naar u toe te komen joggen, nog wat extra kilometers tegenaan. Dan ben ik in topvorm als ik direkt daarna de preekstoel bestijg. U zou eens zien hoe u zou spelen als u eerst een uurtje gejogd had. Ja, jammer dat u niet jogt, dan hadden wij samen op kunnen rennen.”

“Het enige wat misschien kan is dat ik met u meefiets.”

“O, maar dat is prachtig, dan kan ik als u niet te hard rijdt, naast u blijven draven en kan ik u al het een en ander over de dienst vertellen.”

“Ik pak wat bladmuziek”, zei ik.

Even later gingen wij langs het water. Hij draafde naast mij en het verwonderde mij dat hij niet alleen niet in ademnood raakte, maar ook honderduit praten kon. Hij zei: “Joggen, het is fantastisch, ik wou dat ik er iedereen toe kon bekeren, ik zeg het tegen al mijn gemeenteleden, ik heb er al heel wat zover gekregen dat ze ook joggen, ik wou dat ik van heel mijn gemeente een joggende kerk zou kunnen maken, het zou mijn gemeenteleden geweldig verstevigen in het geloof als ze allemaal jogden.”

Hij spuugde wat schuim weg, maaide even met zijn armen, en riep toen vrolijk: “Laatst heb ik nog over 1 Korinthe 9 vers 24 tot 26 gepreekt. Daar vergelijkt de apostel het heil met een prijs op een renbaan en zegt hij: “Loopt dan zo, dat gij dien behaalt.”

“Ja, maar in Prediker 9 vers 11 staat dat niet de snelsten de wedloop winnen.”

Even leek het alsof hij zou struikelen. Verbaasd keek hij opzij, toen rende hij alweer alsof er niets gebeurd was.

“God allemachtig, hoe weet u dat zo precies, kent u de bijbel zo goed?” vroeg hij op een toon alsof hij mij betrapt had op het lezen van pornografische lectuur.

“Dit weet ik toevallig”, zei ik, “en ik weet ook dat er ergens in Spreuken staat dat voeten zich haasten om naar het kwade te snellen.”

Hij wilde iets zeggen, maar vlug voegde ik er - en ik voelde mijn oude veerkracht en vitaliteit na die ellendige zomer opeens terugkeren - plagerig aan toe: “Aan die tekst moet ik nou altijd denken als ik joggers zie.”

“Iemand die aan bijbelteksten denkt”, riep hij in grote vertwijfeling uit, “en dat in deze tijd! Wat mij opvalt, en dan vooral hier in het Westen, is dat de mensen zo volledig geseculariseerd zijn. Ze zijn van het Woord vervreemd geraakt, ze kennen het Woord ook niet meer. Kenden ze het Woord, dan zouden ze weten dat ik gelijk heb als ik ze voorhoud dat wij naar het Heil moeten toejoggen. Ja, ja, staat er niet, tot driemaal toe, dat God onze voeten zal maken als die der hinden.”

“Psalm 18”, zei ik.

“Neeeee”, riep hij en hij stond abrupt stil, zwaaide met zijn armen alsof hij zijn evenwicht moest hervinden. Ik ging heel langzaam rijden. Hij kwam weer op gang, maar vooralsnog bleef het bij een sukkeldrafje. Toen hij weer naast mij liep, vroeg hij:

“En weet u dan ook waar diezelfde tekst nog meer staat?”

“Nee”, zei ik.

“Goddank”, zei hij, “die tekst staat ook in 2 Samuel 22 vers 34 en in Habakuk 3 het negentiende vers.” Bij 'negentiende vers' kreeg zijn stem opeens iets hols en plechtigs, en werd zijn tred onvast.

“U heeft vast een keer over die drie teksten gepreekt”, zie ik.

“Klopt”, zei hij.

“Heeft u dan ook weleens gepreekt over Spreuken 6? Daar staat dat 'armoede over u komt als een snelle loper”'.

Op de maat van zijn vlugge voeten riep hij: “U rukt die tekst uit zijn verband, u rukt die tekst totaliter uit zijn verband, er staat immers ook: 'Een volk dat u niet kende, zal tot u snellen' ”.

“Ja, maar dat staat heel ergens anders”, zei ik, “dat staat... dat staat...”

“Aha”, riep hij triomfantelijk, “dat weet u niet.”

“En u weet het wel, want u hebt erover gepreekt omdat u van uw gemeente een joggende kerk wil maken”, zei ik, “maar wacht, staat het niet... staat het niet... ja, het staat in Jesaja, ergens achterin Jesaja, vlak na die onvergetelijke tekst over het lam dat ter slachting geleid wordt.”

“O, o”, kreunde hij, terwijl hij even liep alsof hij hinkelde.

“Als u nou ook eens zou preken over het woord van de apostel Paulus: 'Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten.' ”

“Zal ik doen”, riep hij, “natuurlijk, ook de jogger, zelfs de jogger kan zondigen, maar toch houd ik staande dat het Woord ons aanmaant om naar het heil te joggen. Waarom zou Hij anders, zoals tot driemaal toe gezegd wordt, onze voeten maken als die der hinden.”

“Als God had gewild dat wij zouden rennen, waarom heeft hij ons dan niet als hinden geschapen? Of als van die beesten die keihard kunnen rennen en daarom antiloop heten?”

Dominee Reus ging er niet op in, hij raakte wat achter, ik remde, hij kwam weer naast mij joggen en zei grimmig:

“Iemand die jogt kan op dat moment niet zondigen.”

“O, nee? Al rennend kun je in je hart duizend maal overspel plegen, en volgens Jezus maakt 't niks uit of je het echt doet of alleen maar in je hart.”

“Dat staat nog te bezien”, riep hij, “maar joggend overspelig zijn, dat kan niet, want dat is het hem nou juist, je komt al joggend tot een stuk bewustzijnsvernauwing waarbij je enkel nog aan het Verhevene kunt denken. U heeft nooit gejogd, anders zou u weten...”

“Ik heb heus wel eens gerend”, zei ik, “en als ik ren denk ik aan het duet uit cantate 78 van Bach. Dat zal uw lievelingsmuziek wel zijn: 'Wir eilen mit schwachen, doch emsigen Schritten o Jesu, o Meister, zu helfen zu dir.' ”

“Bach? Zware kost! Veel te zware kost!”

We staken een kruispunt over. Dolgraag had ik dominee Reus nog wat langer gejend. Helaas had ik verder geen bijbelteksten over joggen bij de hand. Daarom vroeg ik:

“Hoe is in uw kerk het orgel?”

“Het speelt”, zei hij minzaam.

“Ja, allicht”, zei ik wrevelig.

“Meer kan ik er niet over zeggen”, zei hij, “het enige wat ik weet is dat het kan spelen. En dat het hard en zacht kan, verroest hard zelfs, maar doet u dat maar niet, speel maar zacht.”

We kwamen bij een asfaltwegje dat Maaldrift heette. Zondagmorgenjoggers kwamen ons tegemoet. Dominee Reus zei:

“Ze gaan helaas de verkeerde kant op, och, dat ik al die joggers nog eens mocht vergaderen. Wisten ze maar dat ze door te joggen al haast vanzelf onder een stuk beademing van het Evangelie liggen.”

Hij rende, ik fietste, we zwegen. Waar bomen waren, viel duizelingwekkend veel blad. Niettemin was het warm en windstil en zonnig en tegelijkertijd ook enigszins nevelig. Tenslotte bereikten we, via een nauw straatje, een dorpskerk. Hij was ommuurd. Aan de noordkant strekte zich een geheimzinnig kerkhof uit. Via de zuidkant naderden de kerkgangers. Een vadsige man kwam in een zwart joggingpak aandraven. Enthousiast greep dominee Reus mijn bagagedrager. Hij trok eraan tot ik stilstond, en riep terwijl hij naar de puffende jogger wees: “Ziet u dat? Ouderling Holband! Die komt joggend naar de kerk toe! En daar, kijk, mevrouw Wildzang, een van onze diakenen. Goed, het zijn er nog weinigen, maar ik sta hier ook nog niet lang, nog maar anderhalf jaar, wacht maar tot ik hier vier jaar sta, dan is het zover, dan komt de hele gemeente joggend naar de morgenwake.”

Onder zijn hoede betrad ik de kerk. Hij wenkte de koster. Die begeleidde mij naar het orgel. Op de trap naar de orgelgaanderij vroeg ik:

“Jogt u ook?”

“Ik”, zei de man diep verontwaardigd, “ik, joggen? Ik heb een vrouw, twee kinderen en vier kleinkinderen. Wat denkt u wel! Mijn vrouw en ik dweilen twee keer per week de kerk, want die dominee is een kreen mannetje, denkt u dat ik dan ook nog tijd heb om te joggen?”

“Maar ik heb onderweg van dominee Reus begrepen dat joggen eigenlijk onderdeel hoort te zijn van een Christelijke levenswandel.”

De koster die voor mij uit liep, bleef midden op de trap stilstaan, wendde zich om en tikte zo krachtig tegen zijn hoofd dat ik even bang was dat hij er een gat in zou ponsen. Toen liep hij weer verder, bij elke trede grommend en zelfs eenmaal, leek mij, knarsetandend.

Het orgel bleek in 1974 gerestaureerd te zijn door de firma Metzler. De koster zette de motor aan, en liep daarna snel weg. De blaasbalg ruiste. Op het rugwerk trok ik de Fluit doux en de Dulciaan open. Toen liet ik mijn vingers op de toetsen zakken. Mild und Leise fluisterde het rugpositief onder de gewelven.

Tussen het orgel en mij was het liefde op het eerste gehoor. Even later speelde ik het grote e-klein Preludium van Bach, en al mijn leed leek geleden, hoewel de muziek, die onvergankelijke muziek, erover scheen te spreken. Hoe wrang bleek plotseling die muziek! Wrang en vol vertwijfeling! Het werk deed mij opeens denken aan de klacht van Amfortas uit Parsifal.

Dat orgel, wat hard en zacht kon, bleek een zeldzaam mooi instrument. Het klonk warm en diep en sonoor. Het had tweeentwintig sprekende stemmen. Op het pedaal zat behalve een subbas een trompet. Helaas ontbrak een viervoet. Toch wist ik zeker dat ik na de dienst, dan maar zonder de viervoet die ik op het pedaal eigenlijk nodig had voor de koraalstem, Christ unser Herr zou spelen, dat stond vast, en ik mompelde: “Als ze me hier nu opsluiten met het volledige werk van Bach, en alleen maar af en toe komen om wat eten te brengen, zou ik hier de rest van mijn leven vredig kunnen doorbrengen.”

Dominee Reus beklom de kansel. Het was jaren geleden dat ik een kerkdienst had meegemaakt. Ik verbaasde mij over het tempo. Dominee Reus jogde door de liturgie heen. Blijkbaar werd er zelfs in een vloek en een zucht Avondmaal gevierd. Brood en wijn bevonden zich kennelijk in minuscule porties bij alle zitplaatsen zodat de gemeenteleden gezamenlijk een hapje en een slokje konden nemen.

Er werd veel, maar zacht gezongen. Bij elke volgende psalm of lied registreerde ik, omdat er van beneden amper geluid opklonk, spaarzamer. Toen kondigde dominee Reus, die volgens mij op een vlondertje op de preekstoel stond, en onder zijn toga nog altijd zijn joggingpak droeg, aan dat hij het woord zou bedienen over psalm 147 vers 3a: 'Hij geneest de verbrokenen van hart.'

Jolig begon dominee Reus zijn preek. “Gemeente, wat is dat: een verbrokene van hart? In de Oude vertaling wordt gesproken over 'gebrokenen van hart'. Kennen wij dat vandaag de dag nog, een gebroken hart? Of is dat uit de tijd? Is dat iets van lang geleden?”

Zo preekte hij verder. Elke zin die hij uitsprak herhaalde hij in andere woorden. Stomverbaasd zat ik op de orgelgalerij naar hem te kijken en naar hem te luisteren. Waarom juist een preek over die tekst? Toen zag ik mijn buurvrouw zitten. Ze keek niet naar dominee Reus, maar bladerde gejaagd in haar bijbeltje alsof ze op zoek was naar teksten over snelle lopers. Vanaf de orgelgaanderij kon ik haar gezicht helaas niet zien, maar ik zag wel haar rug, haar gekromde rug, en ik verbaasde mij erover dat je aan een rug zo goed kunt zien dat iemand heel veel verdriet heeft.

Langzaam daagde bij mij het besef dat die preek uitsluitend voor haar bedoeld was. “Vleermuis”, mompelde ik, “hij was die jogger met dat rode achterlichtje, hij heeft de buurvrouw het hoofd op hol gebracht en staat haar nu uit te leggen dat God haar verdriet wel zal lenigen. Nee, nee, het is erger, over al die hoofden heen maakt hij haar wijs dat hij niet verantwoordelijk is voor wat hij heeft aangericht.”

“Broeders en zusters”, zei de zelfs op de kansel nog huppende dominee Reus, “is het niet zo dat wij soms al te ontvankelijk zijn voor de attenties van anderen? Koesteren wij soms niet al te snel verwachtingen die de ander niet waar kan maken? Of die de ander misschien graag waar zou maken, maar ook hij is slechts een zondig mens. Of erger nog: dichten wij de ander niet al te gemakkelijk bedoelingen toe die hij helemaal niet heeft gehad? Zeker, gemeente, wij hebben een stuk verantwoordelijkheid naar elkaar toe, maar waar het ook om gaat is dat wij een stukje betrouwbaarheid naar elkaar toe hebben zodat je niet al te veel meer zegt dan je zelf kunt dragen of verantwoorden. Waar het om gaat is een open oor en een warm hart...”

(En toen zag ik dat er nog twee dames in de kerk zaten die nerveus in hun bijbeltjes bladerden, en wist ik dat hij, behalve mijn buurvrouw, nog andere slachtoffers had gemaakt)

“..ja, gemeente, een open oor en een warm hart, zodat we een stukje vrolijkheid naar elkaar toe hebben, een stukje duidelijkheid ook, een stukje humor. Jezus geeft andere oplossingen voor een gebroken hart. Wie open staat voor het evangelie weet dat het een stuk ruimte, een stuk orientatie biedt, ook op dat terrein vol voetangels en klemmen, van de liefde, ook, ja juist voor een stuk liefdesverdriet. God, geliefden, dat mag ik u hedenmorgen zeggen, God biedt een stuk vriendschap aan, en ik ben slechts degene - en meer ben ik ook niet, echt niet - die dat stuk vriendschap mag doorgeven aan anderen, Amen.”

Het lag op mijn tong om door de kerk heen te roepen: “Een stuk vriendschap? Ik wil geen stuk vriendschap, ik wil de hele vriendschap”, maar dominee Reus zei triomfantelijk; “En nu zingen wij psalm 147 vers 2.”

Tijdens het voorspel mompelde ik: “Vleermuis, volgens mij is die andere organist helemaal niet ziek, hij heeft mij alleen maar hierheen gehaald omdat hij mij op die avond toen hij met z'n rode achterlichtje op vrijersvoeten rondrende en slachtoffers maakte, op die laan gezien heeft. Behalve de buurvrouw wil hij ook mij en passant laten weten dat er niets aan de hand is.”

Na de dienst speelde ik, helaas zonder viervoet, Christ, unser Herr, zum Jordan kam, en het leek, met die prachtige vulstemmen op het hoofdwerk, en die fraaie Fluit doux op het rugwerk, alsof engelen zingend langs de Jordaan trokken. Nooit had ik het stuk mooier en serener vertolkt, en ik speelde en speelde, deed net alsof er veel meer herhalingstekens stonden dan een, en toch kon ik haar korte preek over psalm 147 niet wegspelen: “Je hebt je het hoofd op hol laten brengen.” Toen zei ik tenslotte maar: “Vleermuis, zo zou je ook voor de rechtbank kunnen zeggen: “Edelachtbare, u kunt nu wel zeggen dat ik hem vermoord heb, maar... maar... weet u wat het is, hij heeft zich laten vermoorden.” Zelfs dat hielp niet. Steeds zag ik die drie nerveus bladerende dames, Anna, Elvira, Zerlina, en elke keer als het hoofdthema met de octaafsprong terugkwam was het alsof ik mij ervoor schaamde te behoren bij degenen die in het derde vers van psalm 147 werden voorgespiegeld dat God hen zou genezen.