Bliksembezoek;

“Onder mijn handen bedolf stijf karton de roodste bloemen om in een dozentuin openlijk sierlijk te kunnen zijn, zo dicht zaten de twee beginletters op het toetsenbord bij elkaar.”

Een vriendin vroeg me of ik me wel eens versprak. Bedoelde ze of ik onnadenkend wel eens iets zei dat beter geheim had kunnen blijven? Nee, ze wilde alleen maar weten of ik, zoals iedereen, wel eens een woord verhaspelde, klanken van plaats liet verwisselen, een klinker of medeklinker inslikte.

Er schoot me geen voorbeeld te binnen. Ik zei dat de verspreking tot het soort voorvallen hoort dat je niet onthoudt, net als het morsen van een vloeistof of het inlopen van een verkeerde straat. Ze komen wel heel vaak voor, maar laten geen littekens achter, omdat je de fout met het juiste woord, een droge doek en een vraag aan een voorbijganger onmiddellijk kunt herstellen.

Met dat antwoord nam ze geen genoegen. Versprekingen mochten dan nog zo vaak voorkomen, het betekende niet dat ze daarom ook buiten beschouwing moesten worden gelaten. Als je goed op ze lette wezen ze zelfs de weg naar onbekende vergezichten.

Ik kon me niet voorstellen dat ze door haar toedoen zouden gaan schitteren. Het bleven vergissingen. Toch had haar stem de ernstige klank van iemand die op het punt staat iets te onthullen waarover te lang is gezwegen. Daarom keek ik haar gespeeld nieuwsgierig aan.

Uit de la van haar werktafel haalde ze een dictaatcahier. Ze keek even naar de kartonnen kaft met het motief van gevlamd rood marmer en sloeg het schrift langzaam open, alsof de inkt zou kunnen verdampen wanneer ze haar aantekeningen niet behoedzaam bekeek.

Het amuseerde me dat een terloopse verspreking binnen enkele ogenblikken bewust zou worden voorgedragen, net als ouders de halfmislukte tekening van hun kind om zijn vermeende charme toch laten inlijsten.

Ze bladerde aandachtig in het schrift. Ik kon niet meelezen, maar als ze een bladzij omsloeg zag ik af en toe iets van haar regelmatige handschrift. De woorden stonden keurig in rijtjes naast elkaar. Het waren er zoveel dat het leek of niemand van haar bekenden ooit nog een zinnig woord sprak.

Dit moest het werk van jaren zijn. Ze bleef maar bladeren, alsof het kiezen van de juiste voorbeelden haar moeite kostte. Misschien waren ze wel over verschillende klassen verdeeld en zocht ze naar een overzicht dat alle geledingen van de verspreking vertegenwoordigde.

Ze klapte het schrift dicht en liep naar een kastdeur die met schoolbordverf was beschilderd. Ze zei dat als ze de woorden alleen zou opnoemen de kans op misverstanden groot was. Mijn gehoor zou zich, omdat het een vertrouwde klank zocht, op het oorspronkelijke woord blijven richten en zo zouden de finesses van de improvisatie mij toch nog ontgaan.

Ze pakte een krijtje. Als ze nu op het schoolbord ging schrijven verwijderde ze zich wel erg ver van het gesproken woord. Dat wilde ik tegen haar zeggen, maar ze was mijn kritiek voor. De verspreking was familie van de verschrijving en ook van de verlezing, als de pupil zijn baantjes te snel over het papier trekt en letters uit een woord en zelfs woorden uit een zin stanst om uit te komen bij een hoogstpersoonlijk denkbeeld dat nog maar zijdelings met de beoogde bewering heeft te maken.

De verspreking, de verschrijving en de verlezing vormden een triniteit. Altijd lagen ze op de loer om welke betekenis dan ook naar eigen inzicht te wijzigen, haar te vermengen met een begrip dat mijlen van haar is verwijderd, om haar buiten zinnen te brengen.

Ze zweeg en keek mij aan, alsof ze zich ervan wilde vergewissen dat de onderbouw van haar pionierswerk, nog voor ze een woord op het bord had geschreven, goed tot mij was doorgedrongen.

Ik zei niet dat de vermenselijking van haar drieeenheid met alle voornemens, wensen en tactieken vandien mij nogal gewild voorkwam. Haar bezeten vereenzelviging met het woord dat zijn bedding verlaat dwong ook eerbied af. Een bijkomstigheid die door anderen werd verwaarloosd was het onderwerp van een hartstochtelijk onderzoek geworden.

Nachtzinnig, schreef ze op het bord. Ze zei niet eens of het een verspreking, een verschrijving of een verlezing was. Het deed er ook niet toe of het door een achteloosheid van de mond, de hand of het oog tot stand was gekomen. Het oorspronkelijke woord schemerde duidelijk genoeg door zijn opvolger heen, alsof iemand het had overgetrokken en op een plaats van de hoofdlijn was afgeweken.

Vriendinnendienst en kustenaar moesten, als ze in het schrift systematisch te werk was gegaan, uit dezelfde rij als het eerste woord komen. Terwijl ze doorschreef verwachtte ik dat ze nu wel een toelichting zou geven. Ze kon het nieuwe woord op zijn bestanddelen ontleden of het prijzen omdat het, al had niemand er ooit moeite voor gedaan, twee onafhankelijke domeinen met elkaar verbond.

Maar ze gaf geen enkel commentaar en liet iedere verdubbelde betekenis met rust. Misschien wilde ze zich niet laten voorstaan op een taalschat die voor het grootste deel aan anderen toebehoorde. Ik kon me tenminste niet voorstellen dat zij alleen voor de inhoud van dat dikke schrift verantwoordelijk was. Daarvoor sprak ze te zorgvuldig, alsof ze ervoor waakte dat er in de gesprekken waaraan zij deelnam ook maar iets kon ontsporen.

Hijstranen volgde op een blos bloemen. In gebeurtevissen werd zelfs de lichtste zwenking van een voorn of een stekeltje een voorval. Wie deze beweeglijkheden eens veroorzaakte had zich niet voor niets vergist.

Aan het besliste gebaar waarmee ze het krijtje weglegde zag ik dat ze niet van plan was er nog andere voorbeelden aan toe te voegen. Hiermee moest ik het doen. Ik vroeg of ze het ene woord boven het andere verkoos. In stilte had ik ze zelf beoordeeld naar maatstaven die ook voor verhalen of gedichten gelden, beeldend, humoristisch, geheimzinnig of ontroerend, om er slechts enkele te noemen.

Nee, antwoordde ze, als ik haar werk bekeek zou de verzameling onbruikbaar zijn. Ze begreep heel goed dat haar meeste vondsten niet in een gewone tekst thuishoorden. Daar zouden ze al gauw het nadrukkelijke van een woordspeling krijgen.

Ik begon er hoe langer hoe minder van te begrijpen. Wat was het nut van al die woorden op een tweesprong als ze niemand hoefden te bereiken? Als zij zich zo kritisch over ze uitliet, waarom moest ik ze dan zo nodig zien?

Ze glimlachte alsof ze tegenover een leerling zat van wie ze dit onbegrip wel had verwacht. Ik moest nog maar eens naar het schoolbord kijken. Haar stem klonk nu licht docerend. De behandelde triniteit was slechts de proloog van haar redenering.

Ik moest me niet blind staren op de afwijking, maar juist kijken naar het vertrekwoord daaronder. Het haakte naar iets anders, had een vreemde betekenis geenterd, was tijdelijk ontsnapt aan alles waarvoor het zo lang had gestaan.

Degene die zich versprak, verschreef of verlas was, naar haar idee, niet meer dan een tussenpersoon. Elk woord dat zich dag in, dag uit met zijn vaste bagage aan wie dan ook beschikbaar stelde zocht tegelijkertijd naar andere eigenschappen. Het wachtte stil tot de beste mogelijkheid zich voordeed. Er was altijd wel iemand die iets te luchthartig sprak, schreef of las, terwijl hij dacht dat hij elke zin beheerste.

In die ogenblikken van verflauwde aandacht werd een woord poreus, doorzichtig, verloor het zijn opperhuid. Het pantser schoof van zijn betekenis. Nu kreeg het woord dat op ander begrip uit was zijn kans, kon het zich snel vermengen met verwijzingen en samenvattingen, kleuren en richtingen, snelheden en gevaren die tot dan toe buiten zijn bevoegdheid waren gebleven.

Het was een toestand die nooit lang duurde. De melange had geen schutkleur, toonde zich altijd als een vergissing die vlug in vertrouwde priemwoorden moest worden ontbonden. Maar aan die korte duur ontleende zij ook haar kracht, zoals alles dat heel even, vurig en scherp, bestaat.

Elk woord kende zijn eigen klank, zijn eigen schrift en wist dat het alleen soortgenoten kon benaderen die aan de buitenkant niet te veel van hem verschilden. Toch waren de spelling en de klank niet meer dan gelijkenissen aan de oppervlakte. Het woord dat op bezoek wilde zocht niet alleen een mantel met een verwant dessin. Het was op veel meer uit en daarom - ze zei het heel stellig - moesten de voorbeelden op het bord anders dan gewoonlijk worden bekeken.

Haar vermenselijking van het woord had nu een top bereikt. De woorden haakten naar iets, wachtten hun kans af, moesten ergens op bezoek, alsof ze alleen konden voortbestaan nadat ze zich aan een andere betekenis hadden gelaafd.

Het schoot me te binnen dat een woord ook mij laatst als tussenpersoon had gebruikt. Onder mijn handen bedolf stijf karton de roodste bloemen om in een dozentuin openlijk sierlijk te kunnen zijn, zo dicht zaten de twee beginletters op het toetsenbord bij elkaar.

Ik liet mijn nog steeds sluimerende verzet schieten. Leenden kinderen hun poppen ook niet een stem met verlangens? Er bestonden zelfs mensen die met beminde voorwerpen spraken en waarom zouden woorden dan van elke passie verstoken moeten zijn?

Om haar bespiegelingen niet te benvloeden zei ik niet hoe dicht ik haar was genaderd. Maar aan haar feller wordende stem was te horen dat ze het wist.

Ze veegde het bord schoon met een doek, wellicht in het besef dat haar helden en heldinnen hun vindingrijkheid en overmoed zouden opgeven als ze merkten dat er te veel op hen werd gelet.

Gaf ze daarom de volgende voorbeelden van een inslag mondeling, zodat ze slechts vluchtig werden betrapt? Of stelde ze mij op de proef om te horen of ik mij nu voldoende in de stof had geoefend om na de verschrijving ook de zoveel lichtere verspreking aan te kunnen? Alsof ze mij toch enigszins wilde tegemoetkomen bedde ze elke fout in zijn eigen geschiedenis, die de klankwisseling voorbereidde en tevens in gloed zette.

De voorzienigheid had, alsof het idioom dat haar roemde toch nog tekortschoot, in godkoorts het edelste metaal door zichzelf vervangen.

In zonsbegoocheling liet dit hemellichaam zien dat zonder haar de zinnen niet bedrogen kunnen worden.

En de ruimte overmeesterde de zonnestralen in luchtschuw. Het zenuwachtige onbegrip voor al haar gedaantes kwam daarin verholen tot uitdrukking, alsof zij op iedere plek plotseling kon worden gevreesd.

Ik zei dat er, als ik goed had gekeken en geluisterd, een opmaat in de gegeven voorbeelden zat. Eerst waren die nog tamelijk eenvoudig, zaten de woorden elkaar achterna als dieren in een tekenfilm die soms ook werkelijk opgaan in de hinderpaal die ze willen nemen, een vaas, een ijsblok, een autoband. Daarna leek het of zelfs de grootste begrippen van het verlangen naar een andere samenstelling waren vervuld.

Ze lachte, nee, op die schikking was ze niet uitgeweest, al verraste die haar niet. Zoveel woorden waren op zoek naar een aanvulling, een verandering, een tegenstelling dat, als er voorbeelden werden gegeven, het geringe en het omvangrijke wel vanzelf ter sprake moesten komen.

Haar stem werd iets donkerder, bereikte de slotboog van het verhaal. Ik had nu enkele botsingen kunnen zien en horen, te duidelijk misschien, het kortstondige had ze er niet bij kunnen leveren. Maar, zo vroeg ze, geloofde ik ook niet dat deze loense klanken en letterbeelden pover afstaken bij wat er aan hen vooraf was gegaan? Was elke wemeling ook hier niet gestold, al lieten de vroegere bewegingen zich nog net vermoeden?

Ze praatte door, alsof ze van mijn antwoord niets verwachtte. Vele anderen waren mij voorgegaan, maar niemand had haar verzameling naar waarde geschat. Een buitenstaander noemde de woorden die zij had veroverd zoekplaatjes of een tijdpassering, bizar of clownesk, wel grappig of overbodig. Iemand had haar werk zelfs met scheikunde vergeleken. Een ander begon over betekenis met vakantie.

Dat laatste kwam het dichtst bij haar opvattingen en toch klonk het te koket. Een slimme zinswending kon een vlottende woordenschat nooit samenvatten. Haar voorbeelden waren hoogstens een stempel, een grafspiegeling van woorden die voortdurend in beweging waren tot ze zich kort vestigden in vreemd gebied. Ook de jacht van mijn tekenfilmfiguren had daaraan geraakt, ofschoon ze tegen die kwieke vergelijking dezelfde bezwaren had als tegen die al te gemakkelijke betekenis met vakantie.

Ze begon haar uiteenzetting met een paar alledaagse voorvallen te doorspekken, misschien om te laten zien dat haar onderwerp heel concreet was.

's Morgens had ze in het park gelopen. De wind bewoog het gras naar links, het boog zich terug, recht stond het weer. Een hond zwom in de vijver, klom op de wal, schudde zijn druppels af. Die gebeurtenissen dienden er volgens haar alleen toe om hun saldo bij de voorbijganger aan te vullen, wij komen voor, wij komen zo vaak voor.

Later speelden ze zich niet eens meer af in het park. Ze raakten los van hun datum, hun decor, gingen op in al het gras, alle zwemmende honden. Ook zij zou ze daarna alleen nog in het algemeen ter sprake brengen, gras in de wind, een hond zwemt, waar, wanneer, het deed er niet meer toe.

Ze zweeg en keek me ironisch aan. Dacht ze soms dat ik het verband tussen haar wandeling en ons gespreksonderwerp niet zag?

Dit keer was ik haar voor. Ze bedoelde natuurlijk dat de wind, het gras, de hond, de vijver, de druppels en de andere dramatis personae in het park zichzelf met kleine veranderingen herhaalden. Aan die al te nauwkeurige bestemming wilden zij ontkomen. Ze keken uit naar het woord waarmee een grillig verbond kon worden gesloten. Misschien spitsten zij zich al toe op de zinnen die wij nu uitspraken, taxeerden zij onze klinkers en medeklinkers, schatten zij onze woorden op de juiste delfstof die in een oogwenk moest worden bewerkt.

Zij dacht dat het belangrijkste aan mijn opvatting ontbrak. Het waren de bepalingen die buiten de definitie van gras, een hond of een vijver vallen, maar die er, zonder dat het werd gezegd, wel deel van uitmaken, zoals stilte, beweeglijkheid en glinstering. Soms zag je pas dat die waren veranderd als een woord zich in een ander sloeg.

Het was niet nodig vooruit te lopen op de toekomstige verbindingen van haar laatste voorbeelden. Ze waren vernuftig genoeg om zelf de kenmerken te vinden die niet bij hen passen, net als de tranen die hoog de lucht in gingen.

Ze had het ogenblik waarop het ene begrip zich in het andere zal verliezen onder handbereik gekregen. Maar er gebeurde niets meer. Misschien voltrok het zich ergens anders, waar niemand keek.