Aankoop van 'notenbalk' kost boer een gulden

ROCKANJE, 2 AUG. Hij was voor een piek de man. Veehouder C. Wageveld uit Rockanje kocht voor die luttele som 150 meter bovengrondse elektriciteitsleiding (lage spanning) en drie houten masten van het Rotterdamse GEB, dat ook de streek Voorne-Putten bedient. Zijn oogmerk was niet het materiaal bedrijfsmatig te benutten, maar het in stand te houden ten gunste van onder andere boerenzwaluw en huiszwaluw. Die vinden hier, vlak voor zijn boerderij aan de Meelzakseweg, hun dagelijks rustpunt en plegen zich in het najaar op de draden te verzamelen voor de grote trek naar het zuiden.

“Het was voor het eerst dat het GEB een dergelijk verzoek bereikte”, aldus het Rotterdamse energiebedrijf, dat op Voorne-Putten en Rozenburg nog 130 strekkende kilometer bovengrondse leiding in gebruik heeft. Dat systeem roept bezwaren op. Sommige onderdelen, waaronder de isolerende emaille 'potjes', zijn schaars en omdat het open installaties betreft, is herstelwerk aan de draden niet zonder gevaar. Daarom is het GEB begonnen de bovengrondse leidingen te vervangen door ondergrondse, een karwei dat rond de eeuwwisseling voltooid moet zijn.

Toen boer Wageveld (35) ter ore kwam dat de vertrouwde 'notenbalk' voor zijn deur zou verdwijnen, bood hij aan de draden met paal en al te kopen, waarop men voor die ene gulden tot zaken kwam. Het geldstuk werd tijdens een kort ritueel aan een ambtenaar van het GEB overhandigd in ruil voor het officiele eigendomsbewijs. “Nu kunnen zwaluwen en spreeuwen, op deze plek tenminste, tot in lengte van dagen uitrusten”, zegt Wageveld. De opmerkelijke transactie geeft hem veel voldoening.

Zowel hij als zijn vrouw heeft iets met vogels, speciaal met de wilde avifauna. Achter de erfbeplanting van bomen en struikgewas staat sinds 1985 een hoge paal met een huisje er op, dat een stel torenvalken tot broedplaats dient. Elk voorjaar worden er vier of vijf jongen geboren en kruipen leden van de plaatselijke vogelwerkgroep de paal in om het broed te ringen. Zwaluwen bouwen hun kunstig nest in stal en schuur en ook merels vliegen af en aan. Wageveld wil nu speciale gaten in zijn opstallen aanbrengen, zodat ook de steenuil naar binnen kan. Hier en daar hangen nestkasten voor kool- en pimpelmees en ook het winterkoninkje is een geziene gast.

De liefde voor het vliegend gedierte is niet gespeend van eigenbelang, maar dient tegelijk het milieu in ruime zin, omdat sommige vogelsoorten zich voeden met insekten, wat betekent dat het gebruik van insekticiden grotendeels achterwege kan blijven. Wageveld: “Die merels bijvoorbeeld eten de larven van blinde bijen, waar we hier in de stallen veel last van hebben. Zo kunnen we de gifspuit laten staan. Nee, wees maar niet bang, het zijn geen honingbijen, ze vallen niet onder wat we nuttige dieren noemen. En als straks de uilen komen, hebben we vanzelf minder muizen over de vloer.”

“Maar we zijn ook echte natuurliefhebbers”, zegt zijn vrouw. “Het is leuk om al die vogels gade te slaan, er gaat een zekere rust van uit, al zijn we geen mensen die constant met de verrekijker rondlopen.”

De voorzieningen die zij in het belang van de vogelwereld treffen, strekken zich ook tot de landerijen uit. Wageveld: “Al jaren zetten we paaltjes bij nesten van kievit en scholekster om ze te sparen bij het grasmaaien. En als de koeien buiten lopen, plaatsen we nestbeschermers, een soort korven, om te voorkomen dat het vee de eieren en jongen vertrapt. Wat me de laatste jaren wel opvalt, is dat er zo weinig grutto's zijn. Helaas, moet ik zeggen.”

Zijn vrouw: “De boer wordt zo vaak afgeschilderd als iemand die zich niet om de natuur bekommert, maar dat klopt lang niet altijd. Hier zie je dat er ook een ander soort boer bestaat.”