ZONNEBRAN, Factor 20

Na een dagje bakken in de zon wil de nacht wel eens pijnlijk zijn. Het UV-licht in het zonlicht heeft overdag fotochemische reacties in de opperhuid veroorzaakt. De reactieprodukten diffunderen in de uren daarna door de huid naar iets dieper gelegen bloedvaatjes. Die reageren met een ontstekingsreactie: ze verwijden en de vaatwanden worden poreus. De huid kleurt er rood door.

Pijn ontstaat door druk op en schade aan de zenuwcellen. De ernst van het erytheem door zonnebrand varieert met de tijd van blootstelling, de mate waarin de huid al aan de zon gewend was en aan het huidtype van het slachtoffer. Roodharige, sproetige typen verbranden ogenblikkelijk in de zon, negers vrijwel nooit.

De roodheid verdwijnt na een paar dagen, vaak met een laagje huid. Een door de zon gevormde bruine tint resteert. Maar hoe gezond is die kleur eigenlijk?

Blootstelling aan UV-licht is nauwelijks gezond, misschien is het wel ongezond. Zo begon dit voorjaar een redactioneel commentaar in het medische tijdschrift The Lancet (25 mei). Tegenover huidkanker, ooglenstroebeling, onderdrukking van het afweermechanisme en ouderdomsrimpels wist de schrijver van het commentaar maar een gedeeltelijk posititief effect te noemen: de produktie van vitamine-D door de huid gaat omhoog. Dat is plezierig voor mensen die onvoldoende vitamine-D eten, maar daar zijn er niet veel van.

Prof.dr. J.C. van der Leun, onderzoeker in de dermatologie aan het Academisch Ziekenhuis in Utrecht, ziet meer voordelen van zonlicht dan de commentaarschrijver in The Lancet. Hij onderzoekt de gezondheidseffecten van ultraviolet licht. In zijn onderzoeksgroep wordt niet alleen naar zonnebrand gekeken, ook naar het ontstaan van huidkanker, ouderdomsrimpels (verweerde huid) en naar de invloed van ultraviolet licht op het afweersysteem.

Van der Leun: ''Er is veel oud wetenschappelijk onderzoek waarin gezonde effecten van zonlicht worden aangetoond. Die onderzoeken zijn wel niet zo hecht doortimmerd als tegenwoordig wordt vereist, methodologisch mankeert er nog al wat aan, maar dat betekent niet direct dat de resultaten niet waar zijn. Kinderen die vaker in de zon komen verzuimen minder van school, zo wordt beweerd. Of: meer zon betekent minder griep en minder verkoudheden en betere resultaten in psychologische tests. Hoe groot de kern van waarheid daarin ook is, wat opvalt is dat het meestal om betrekkelijk lage doseringen gaat. Er is geen sprake van een vakantielang urenlang in de zon liggen. De doseringen komen redelijk overeen met wat nodig is voor een voldoende vitamine D gehalte: een kwartier per dag buiten, met hoofd en handen aan de zon blootgesteld is genoeg. Daarnaast zie je dat veel mensen met huidproblemen baat hebben bij therapie met UV-licht. Ik vind dan ook dat we voor zonlicht niet het zogenaamde ALARA-principe (as low as reasonably achievable) moeten hanteren dat voor kernstraling geldt.''

Zonnebrand, de schrik van de zonvakantie, wordt bijna altijd veroorzaakt door blootstelling aan UV-B-licht. UV-B is het ultraviolette licht met een golflengte tussen 280 en 315 nm (nanometer). Het UV-gebied (100-400 nm) is in drieen verdeeld. UV-C (zeer harde UV-straling, 100 tot 280 nm) dringt nauwelijks op het aardoppervlak door. De korte golflengten van UV-C worden door ozon in de atmosfeer tegengehouden. Er zijn echter wel kunstmatige bronnen. Lassers moeten zich ertegen beschermen en in operatiekamers branden UV-sterilisatielampen die ook UV-C uitstralen.

UV-B bereikt het aardoppervlak vooral als de zon hoog aan de hemel staat: een zon op 60 hoogte (in Nederland 's zomers rond het middaguur) werpt zeker tienmaal zoveel UV-B-licht op het aardoppervlak als een zon die op 10 hoogte staat (midwinter tussen de middag). Op de lange weg die het licht van de laagstaande zon schuin door de atmosfeer moet afleggen, wordt het UV-B door waterdruppeltjes geabsorbeerd en verstrooid.

Wie naar de wintersport gaat vangt op grote hoogte wel vrij veel UV-B. 's Winters, en 's zomers in ochtend en avond, komt er op zeeniveau behalve het zichtbare licht (400-800 nm) voornamelijk UV-A (ongeveer 315 tot 400 nm) van de zon.

Geoefend kijker

Bruin worden, het ideaal van de zonaanbidder, of misschien wel de enige reden voor het zonnebad, kan zowel in UV-A als UV-B. Maar het zijn twee verschillende bruinen.

Van der Leun: ''De pigmentaties verschillen, een geoefend kijker ziet direct of het UV-A of UV-B bruin is. Onder invloed van UV-B verdikt de opperhuid zich. Het pigment wordt over een dikkere laag verspreid en er ontstaat een betere bescherming tegen meer zonlicht. Door UV-A ontstaat geen dikkere huid. Iemand die dus afgaat op de bruinheid van zijn huid en zich bruin genoeg vindt om onbeschermd de zon in te gaat kan lelijk verbranden als het bruin alleen met UV-A was opgebouwd.''

De scheiding tussen UV-A en UV-B mag scherp lijken, zij is het niet. Er is een overgangsgebied, tussen 300 en 340 nm waar het UV-B-karakter af- en het UV-A-karakter toeneemt. Het onderscheid is op historische gronden gemaakt: UV-A valt door vensterglas heen, UV-B niet; van UV-A verbrand je nauwelijks, van UV-B snel.

Van der Leun: ''Uitgedrukt in energie, watt per vierkante meter, bestaat in deze tijd van het jaar 5% van het zonlicht uit UV-licht. Daarvan is 10% UV-B en 90% UV-A. Toch is dat kleine energie-aandeel UV-B hoofdzakelijk, ongeveer voor 80%, verantwoordelijk voor zonnebrandverschijnselen. UV-B werkt fotochemisch veel effectiever in op eiwitten, DNA en RNA, op alle molekulen die van levensbelang zijn voor levende cellen. Daarom werd een jaar of vijftien geleden gedacht dat UV-B verantwoordelijk was voor alle schadelijke effecten van zonlicht. Vooral toen bleek dat je in UV-A ook bruin kon worden, werd dat deel van het spectrum als het veilige UV-licht aangeprezen. Maar dat was niet op wetenschappelijke gronden gebaseerd en blijkt nu niet waar te zijn.''

In de moderne zonnebanken zitten UV-lampen die selectief UV-A stralen. De ouderwetse 'hoogtezonnen' gaven veel UV-B af, waar je makkelijk onder kon verbranden als je er een minuutje te lang onder bleef liggen. Van der Leun: ''Dank zij de voor de zonnebanken ontwikkelde UV-A-lampen konden we de effecten van UV-A goed gaan onderzoeken. Nu blijkt dat UV-A, hoewel minder effectief als UV-B, ook huidrimpels oplevert en de kans op huidkanker verhoogt.''

Het enthousiasme voor UV-A is inmiddels tanende. Vroeger werd de dosis UV-A automatisch beperkt omdat het UV-B de zonaanbidder wel met rode huid de zon en het UV-A uitjoeg. Maar nu de zonnebanken en de moderne zonnebrandmiddelen de rode waarschuwingssignalen van UV-B hebben uitgeschakeld en een haast onbeperkt verblijf in het natuurlijke en kunstmatige UV-A mogelijk is, maken de genteresseerde stralingsdeskundigen en dermatologen zich steeds meer zorgen over het gezondheidseffect van UV-A. Ouderdomsrimpels zijn een zeker gevolg van UV-A. Het zomer en winter gezond gebruinde jeugdige uiterlijk vervalt dus op den duur tot rimpeliger oud. Bij muizen, zo vond Van der Leun in zijn lab, veroorzaakt UV-A huidkanker in een duizendmaal hogere dosis als UV-B. ''Dat lijkt misschien een veilige marge,'' zegt Van der Leun, ''maar de bruiningscurve van de mens loopt daaraan vrijwel parallel. Als we mens en muis op dit punt vergelijkbaar achten, en daar zijn wel goede gronden voor, is bruinen in UV-A dus net zo riskant als bruinen in UV-B. Speculatief zou je kunnen zeggen: bruining is een reactie van je huid om schade tegen te houden, maar bruining is ook een indicatie van schade.'' De Nederlandse Kankerbestrijding adviseert inmiddels niet meer dan twee zonnebankkuren (van ieder tien sessies) per jaar te nemen.

Factor 10

De cosmeticafabrikanten zijn ook gealarmeerd en zoeken de oplossing in een nieuwe generatie zonnebeschermingsmiddelen. Zonnebrandmiddelen zijn gemaakt om verbranding tegen te gaan. Vooral het UV-B wordt daarom uitgefilterd, ook al omdat er veel meer chemische verbindingen zijn die UV-B absorberen. UV-A werd jarenlang ongestoord doorgelaten en dat moet nu veranderen.

Maar hoe moet de kwaliteit daarvan worden aangeduid? Het publiek was net gewend aan de sun protectioning factor die ongeveer tot 20 loopt. De SPF is een maat voor het vermijden van brandeffecten. Het getal geeft aan hoeveel keer langer iemand in de zon kan blijven dan de tijd die zonder zonnebrandmiddel verantwoord was. Het gaat hier om zon op dezelfde tijd van de dag. Iemand met rood haar en een sproetige huid die zomers tussen de middag vijf minuten onbeschermd in de zon kan komen, kan die tijd met protectiefactor 10 dus tot 50 minuten rekken. Een andere blanke, met bruin haar, bruine ogen en pigmentrijke huid, zal met factor 10 makkelijk een dagwandeling in de volle zon aankunnen.

Voor de UV-A-bescherming worden andere verbindingen bijgemengd. De protectiefactor kan dus apart van de UV-B-bescherming worden aangegeven.

Een Engelse fabrikant die bijna de helft van de zonnebrandmiddelenmarkt in handen heeft (Boots) wil volgend jaar een systeem invoeren met vier sterren voor de UV-A-bescherming waarbij die sterren echter de bescherming tegen UV-A in relatie tot de UV-B-bescherming van het middel weergeven. Dit kan gaan betekenen dat een middel met beschermingsfactor 15 en 1 ster een betere bescherming tegen UV-A biedt dan een zonnebrandcreme met factor 4 en drie sterren.

In de Engelse medische literatuur wordt dit de slechts mogelijke oplossing genoemd. De dermatologen wensen een UV-A-beschermingsfactor, waarin de A voor aging staat, die niet is gerelateerd aan de UV-B-bescherming. De bekende SPF moet de UV-B-beschermingsfactor worden waarin de B voor burning staat.

Van der Leun: ''Ik vraag me af of de mensen wel aan die nieuwe zonnebrandmiddelen willen, want je wordt er niet bruin van. En er worden op de stranden nog heel wat ongelijke bruiningswedstrijdjes gestreden. Maar wie inderdaad niet zo nodig bruin hoeft te worden kan de zonnebrandmiddelen beter achterwege laten, er bestaat altijd het risico dat er een overgevoeligheid tegen wordt ontwikkeld. We zouden weer moeten leren dat het lekker is om de schaduw te zitten. En kleding en hoeden zijn buitengewoon effectieve en goedkope beschermingsmiddelen.''

Bijschrift grafiek:

Muizen krijgen het snelst huidkanker van UV-licht met een golflengte van 300 nm. UV-A-licht boven 340 nm is een factor 10.000 minder effectief in het opwekken van huidkanker (getrokken lijn).

Dat lijkt voor zonnebaden een geruststellend idee. Maar de bruining van de huid verloopt volgens hetzelfde patroon (punten). Wie bruin wordt, of het nu door UV-A of UV-B is, loopt risico.