Zomercursus buitenlandse studenten; College over het Nederlandse van Nederlandse kunst

BREUKELEN, 1 AUG. Was ik maar een buitenlandse student Nederlands, dacht ik verschillende keren deze week. Dan logeerde ik al vanaf 22 juli aan de Vecht op het prachtige, weelderig beboste terrein van kasteel Nijenrode, het grind knerpte onder mijn voeten als ik naar mijn taallessen liep en Nederlands sprak met een Hongaarse en een Canadees, de zon scheen aldoor en op een maandagmiddag zat ik in een zaal van de oude kasteeltoren en luisterde naar Pierre Jansen die over het Nederlandse van Nederlandse kunst sprak.

De hondervijftig studenten die de door het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen georganiseerde zomercursus voor Nederlandse taal en cultuur volgen, zien er tevreden uit. De meesten van hen hebben een beurs gekregen voor deze cursus omdat ze Nederlands studeren (meestal als bijvak bij Duits). Sommigen zijn gekomen omdat ze Nederlandse ouders of grootouders hebben, of omdat ze iets in het bedrijfsleven doen of willen doen waarbij kennis van Nederland en het Nederlands van pas komt. Het programma is intensief en de studenten werken hard. “Sommige cursisten moet ik in de derde week echt afremmen,” zegt cursusleider W. A. J. Godschalx, “anders worden ze overspannen.”

's Ochtends worden er van kwart voor negen tot half een taallessen gegeven, 's middags is er dikwijls een excursie of een 'discussiemiddag', dat wil zeggen: een lezing door een deskundige over geestelijke stromingen, of politiek, of beeldende kunst, of literatuur. De laatste twee onderwerpen kwamen deze week aan bod. Maandagmiddag hield Pierre Jansen, voormalig directeur van het Gemeentemuseum in Arnhem, een lezing, maandagavond las de schrijver A. F. Th. van der Heijden voor en woensdagmiddag sprak Ton Anbeek, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde in Leiden, over de naoorlogse Nederlandse literatuur.

“Ik bewonder u,” zegt Pierre Jansen tegen de verzamelde cursisten. Dat ze in staat zijn Nederlands te spreken en te verstaan! “Ik speld een bloemetje op uw revers.” Vervolgens begint hij uit te leggen wat zoal typisch Nederlands is. “Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg,” zegt hij. En hij heeft het over 'gezelligheid' en over 'lol' en dat kunstenaars gek zijn maar dat kunst stichtend moet zijn. Hij legt woorden uit zoals 'geringschattend', 'gedram', 'del', 'beslag', 'wuft'. Hij vertelt dat er van Rembrandt maar zeven brieven bewaard zijn en dat die alle zeven over geld gaan. “Dat vind ik van een aangename Nederlandsheid.” Met behulp van dia's laat hij zien hoe Nederlands Rembrandt en Johannes Vermeer waren. De vrouw die melk in het beslag giet, die aandacht voor de eenvoudige alledaagsheid, 'indrukwekkend Nederlands'.

Zijn lezing is inleidend en onderhoudend. Van Gogh en Mondriaan noemt hij Nederlandse schilders bij uitstek: zo hard werkend aan het hogere, zo serieus. Noch bij de een noch bij de ander merk je ook maar iets van een glimlach. Na een abstract werk van Mondriaan met allemaal kleine zwarte streepjes laat hij een dia zien van de zwarte houten palen die op Walcheren de zee moeten breken. Zo zie je toch waar de schilder het vandaan heeft. Van een heel Nederlands strand.

“Ik heb Frans Hals gemist,” zegt een student. “Vindt u die niet goed?” Een ander vraagt: “Wat vindt u van de Nederlandse deelnemers aan Cobra?” En iemand wil weten: “Waarom is de Tweede Wereldoorlog zo weinig in de schilderkunst verwerkt?” De meeste luisteraars zijn tevreden en knikken elkaar glimlachend toe. “Het was goed verstaanbaar,” zegt een Indonesisch meisje opgelucht. Maar enkele al verder gevorderden vonden het toch 'te weinig wetenschappelijk'.

Zij komen meer aan hun trekken bij Ton Anbeek die in hoog tempo iets over Hermans, Reve, Boon, Claus, Mulisch, Van der Heijden, Hemmerechts en Palmen vertelt. Hij prijst sommige 'teksten' als uiterst leesbaar aan en waarschuwt degenen die Reve-fan zouden kunnen worden: “Hij heeft een speciaal martelkamertje voor Duitse toeristen.”

Uit de vragen blijkt weer dat de studenten van alles weten. “Waarom heeft u beroemde schrijvers als Jan Wolkers, Bob den Uyl en Godfried Bomans niet genoemd? En Simon Carmiggelt?” “Kunt u mij wat meer vertellen over de schrijver Adriaan van Dis?” “Is de naoorlogse Nederlands-Indische literatuur helemaal gentegreerd in de Nederlandse literatuur?” “Ik vind Van der Heijden helemaal niet zo'n groot auteur. Wat is daar nu zo bijzonder aan?” De (Oost)Duitse die het vraagt studeert biologie, maar alleen exacte vakken vindt ze saai. Ze snapt niet wat iedereen toch de mond vol heeft van Van der Heijden. Als je die toch vergelijkt met Gunter Grass! Vestdijks De nadagen van Pilatus had ze wel interessant gevonden, maar het Nederlands van Hendrik Conscience leek haar daarentegen niet heel bijzonder. Ze giechelt verlegen bij deze oordelen en haast zich dan weg. Snel even eten en vanavond een film over Jan Wolkers en Oegstgeest. Ik kijk haar jaloers na.