Sovjet-wetenschap bedreigd door vrede

Met het land gaat het in politieke zin langzaam de goede kant op. Maar de wetenschap is 'stervende'. Professor Vladimir Kosjkin uit Charkov analyseert de paradox met vertwijfeling.

Zittend in zijn keukentje aan de Koertsjatovstraat, vernoemd naar de vader van de Russische atoombom, serveert hij vis uit blik en cognac. Zijn probleem is niet dat zijn woonwijk, die ooit is opgezet voor de hoogleraren en docenten van het prestigieuze Polytechnisch Instituut van Charkov (het wetenschappelijk centrum van de Oekrane met een naam in de hele unie), nu danig is verproletariseerd. Ook al zegt dat wel iets over de status van de wetenschap heden ten dage.

Nee, zijn wanhoop wordt veroorzaakt door het feit dat hij zojuist een derde van zijn medewerkers op het natuurkundig instituut heeft moeten ontslaan. Hij heeft geen geld meer. Het 'militair industrieel complex', naast de staat altijd verantwoordelijk voor de tweede geldstroom die per saldo maar liefst vijftig procent van zijn budget dekte, heeft zijn bijdrage gestaakt. Op de academie in Charkov zijn dit voorjaar daarom in totaal zevenhonderd onderzoekers werkloos geworden. 'Die mensen behoorden misschien niet tot de elite van ons instituut maar het waren wel vaklui', zegt Kosjkin liefdevol.

Als 'burger' is professor Kosjkin altijd pleitbezorger geweest van de conversie. De vermilitariseerde industrie, die ongeveer zestig procent van het hele productie-apparaat in beslag neemt, moet ook volgens hem ontmanteld worden. Als 'wetenschapper' wordt bij dezer dagen echter ineens geconfronteerd met de consequenties van de ontreddering van deze hoeksteen van de economische infrastructuur.

Ongeschoolde arbeider

Hij ervaart de gevolgen zelfs in z'n naaste omgeving thuis. De geschiedenis van de familie-Kosjkin is in mening opzicht illustratief voor de onttakeling van de sovjet-wetenschap. Al drie generaties zijn de Kosjkins actief in de beta-sector. In materiele zin hebben ze sinds Stalin echter geen enkele vooruitgang geboekt en in morele zin is hun prestige er de afgelopen decennia alleen maar op achteruitgegaan. Kosjkins vader bijvoorbeeld was fysioloog en verdiende indertijd zeshonderd roebel per maand. Een ongeschoolde arbeider moest het toen nog doen met twintig tot dertig roebel. Professor Kosjkin verdient nu nog steeds evenveel. Een 'poetser' beurt thans echter tweehonderd tot driehonderd roebel en een arbeider in de harde staalsector heeft zelfs een hoger salaris dan een hoogleraar in de natuurkunde.

Dat is een van de resultaten van het beleid van Brezjnev om de industrialisatie van de Sovjet-Unie geforceerd te stimuleren. Op zich werkte dat al fnuikend omdat deze 'onopgeleide grijze types geen begrip hadden voor de pure wetenschap en alleen genteresseerd waren in directe resulaten', aldus Kosjkin. Maar onder Brezjnev had een wetenschapper wel aanzien omdat er toen buiten het partij-apparaat amper andere mogelijkheden voor sociale mobiliteit voorhanden waren. Sinds Gorbatsjov de weg naar de markteconomie is ingeslagen, is het daarmee echter ook nog eens bergafwaarts gegaan. Kosjkins zoon zou eveneens een getalenteerde fysicus hebben kunnen worden. Maar na zijn doctoraalexamen heeft hij de wetenschap voor gezien gehouden. Hij zit nu in de kunsthandel. Dat is lucratiever. Hij verdient op zijn vijfentwintigste al veel meer dan zijn 54-jarige vader.

Hij is niet de enige. Menig jongere begint vandaag zelfs niet eens maar aan een studie. In de jaren zeventig dongen nog tien jongens en meisjes naar een studieplaats, nu is de concurrentie nog maar een op twee. De overige acht schoolverlaters, die ten tijde van het Brezjnev nog hadden willen meedoen in de tombola, zoeken nu na hun middelbare school onmiddellijk een beter heenkomen in de nieuwe vrije sector.

Modale wetenschapper

En dan te bedenken dat de wetenschappelijk neergang van de Kosjkins nog een geflatteerd beeld geeft. Fysici en chemici hebben in de Sovjet-Unie namelijk altijd een uitzonderingspositie ingenomen omdat Stalin, de man die alle minder toegepaste of ideologisch gevaarlijke wetenschappen juist de nek heeft omgedraaid, in de jaren vijftig omwille van de atoombom en andere militaire ambities absolute prioriteit gaf aan deze sector.

Academici die zich met humaniora bezighielden, hebben het altijd moeten doen met het inkomen van een ongeschoolde arbeider. Een modale wetenschapper aan bijvoorbeeld het Amerika-Canada-instituut van de in het Westen ooit zo populaire Westen Georgij Arbatov heeft maandelijks nog altijd niet meer dan 220 roebel, inclusief de prijscompensatie die in april is gegeven om de prijsverhogingen op te vangen. Een docent aan een instituut verdient amper vijfhonderd roebel. De koopkracht daarvan is moeilijk te meten. Maar als het huidige proces van sociaal-economische liberalisering en langzame convertibilisering van de roebel (en dus van inflatie) doorgaat, staat dat binnen afzienbare termijn gelijk aan zegge en schrijve (f) 37,50 per maand.

De effecten op het wetenschappelijk klimaat zijn groot. Sommigen zoeken een uitweg in het buitenland en zijn vervolgens verloren voor de Sovjet-Unie, net als zij die ontslagen zijn. Zo werkt een dertigjarige collega van Kosjkin ('hij is beter dan ik maar het is niettemin toch een goed voorbeeld') nu voor honderdduizend dollar aan een Amerikaanse universiteit.

Diegene die via boekhoudkundige trucs naar het onderwijs worden doorgesluisd kunnen ook geen fundamentele rol meer spelen omdat er in de Sovjet-Unie een nog striktere scheiding tussen onderwijs en onderzoek bestaat dan in Nederland. En zij die mogen blijven, kampen met zoveel budgetaire problemen dat er van normaal werken met redelijke apparatuur nauwelijks sprake kan zijn. Laat staan dat ze hun wetenschappelijke niveau op peil kunnen houden door zo nu en dan naar het buitenland te reizen. Kosjkin zelf was bijvoorbeeld twee jaar geleden voor het laatst in het buitenland (de DDR). 'Het is een kritiek moment. We dreigen ons intellectuele potentieel voor generaties te verliezen', aldus Kosjkin.

Struisvogelpolitiek

Zijn wrok is dat de wetenschappelijke leiding van de Sovjet-Unie deze 'cruciale fase' in een eerder stadium niet heeft willen zien aankomen. Drie jaar geleden al schreef Kosjkin een artikel waarin hij de contouren schetste en stuurde het vervolgens op aan de Izvestia. Hij werd in Moskou op de redactie uitgenodigd en had een gesprek met de chef-wetenschap van deze krant. 'Een aardige man, daar niet van. Maar de Izvestia weigerde mijn voorspelling te publiceren dat er in 1990 werkloosheid zou zijn in de academische wereld. Ik heb me inderdaad anderhalf jaar vergist. Maar toch'.

De reden voor deze struisvogelpolitiek was niet alleen gelegen in angst om het taboe op werkloosheid te moeten opgeven maar ook in de archasche structuur van de organisatie van de sovjet-wetenschap. Vooral de Academie voor Wetenschappen is daarvan altijd het lichtende voorbeeld geweest.

'De voorzitter van de academie heeft al dertig jaar geen wetenschappelijke prestatie meer verricht. Hij is een administrateur. Maar je kan in de wetenschap geen leiding geven als je niet begrijpt wat je medewerkers doen. Bovendien kent niemand die criteria die worden aangelegd bij de financiering van projecten', aldus Joeri Eldisjev, adjunct-hoofdredacteur van het maandblad Priroda (natuur) dat door deze instelling wordt uitgegeven.

De somberheid van Kosjkin, Eldisjev en de andere wetenschappers is uiteindelijk niet onopgemerkt gebleven. Er wordt sinds kort naar een uitweg gezocht. Want het idee dat Rusland als intellectuele natie zou wegkwijnen, is gelet op de tradities in dit land mogelijk nog onverdraaglijker dan de economische ondergang die menigeen in het verschiet ziet liggen.

Zo is de Academie der Wetenschappen zich aan het reorganiseren. Er komt een 'Tweede kamer', samengesteld uit mensen met praktijkervaring, die straks de beslissingen moet gaan nemen. De academie is bovendien niet meer rechtsstreeks ondergeschikt aan de staat. En de politiek heeft toegezegd dat de wetenschap gespaard zal worden bij de op handen zijnde bezuinigingen. President Gorbatsjov stelde vorig jaar per 'oekaze' zelfs vast dat het budget voor verdubbeld moest worden.

Maar dat zegt niet alles, gelet op bijvoorbeeld een korting van vijftig procent in het dollar-budget van de academie. En belangrijker is dat er aan de ondoorzichtigheid van de financiering van de hele sector nog weinig is verbeterd. Wat kan een kernfysicus verwachten als hij formeel onder de onderminister van letterkunde resorteert? Er is weliswaar een 'staatscomite voor wetenschap en technologie' maar het merendeel van het geld loopt feitelijk via uiteenlopende departementen als het ministerie van mijnbouw, metaalindustrie of atoomenergie die allen hun eigen belangen hebben te verdedigen. Het feitelijke beleid van veel bedrijven om hun eigen bijdrage aan wetenschappelijk onderzoek te staken, is daar dan nog eens de finale klap bovenop.

De 'brain drain' gaat dus door. Als er niets gebeurt, zullen dit decennium anderhalf miljoen wetenschappers het land verlaten, voorspelde de Rabotsjaja Triboena (arbeiderstribune) vorig jaar reeds. Vladimir Kosjkin: 'Als een maatschappij ziek is, zijn alle delen van de samenleving dat. Onze maatschappij is nu woedend. De wetenschap is dus ook kwaad'.