Postmoderne 'Mysterie' eigenzinnig en ontroerend

Voorstelling: Mysterie van de criminaliteit door de Theatrici. Zomerfestijn. Regie: dejongpaul & EWGeerlings. Gezien: 31-7, Palgebouw, Amsterdam. Herhaling: aldaar vanavond, aanvang 21.00u.

De regisseurs van toneelgroep de Theatrici, voorheen de Pragmatici, noemen zichzelf dejongpaul & EWGeerlings. Hun evident postmoderne zwak voor woordspelingen, interpunctie- en spellingsgrappen doet bij voorbaat al studentikoze baldadigheid vrezen. Te luidruchtige jongens onder elkaar, met een enkele overmoedige meid ertussen: die sfeer.

De voorstelling Mysterie van de criminaliteit, in totaal twee keer te zien in het Zomerfestijn, beantwoordt precies aan de verwachtingen. Met dit verschil, dat het balorige groepje een opmerkelijke zelfbeheersing aan de dag legt. Hun optreden is daardoor in de eerste plaats amusant, verrassend, eigenzinnig en soms zelfs, vanwege een verfrissende zelfspot, ontroerend.

Hun stuk telt twee bedrijven en achttien scenes en bezit daarmee een aangenaam willekeurige structuur. Uitgangspunt vormen de twee gedichten L'albatros en Der Albatros, respectievelijk van Charles Baudelaire en van Stefan George, die dusdanig identiek zijn dat er van niet minder dan plagiaat sprake is. Dat is de criminaliteit uit de titel van het stuk, dat overigens ook nog eens genspireerd is op Fassbinders film Satansbraten - toe maar, waarom ook niet? Het kwistig droppen van grote namen hoeft gelukkig niet te leiden tot eerbiedigheid.

In even korte als onnavolgbare scenes schetsen negen misschien wel niet zo heel professionele spelers het leven van het kleinburgerlijke echtpaar Lisa en Rolf en hun coterie. Dat leven is ronduit treurig te noemen - wat al valt af te leiden uit de titels van de scenes: “Poppers, pikken & pistolen”, “Vlucht in de ziekte”, “Homo?” en “Geslagen en gelukkig”. Met een opwekkend gebrek aan gene en onthullend realisme worden de neigingen tot corruptie en verraad alsmede de seksuele aberraties van het echtpaar en van hun broer? of neef? Ernst getoond. Ernst is misschien wel het archetypische karakter van de voorstelling: hij is een ietwat achterlijk type in Lederhosen, die vliegen verzamelt en hinderlijk geslachtsrijp blijkt.

Welke strekking die eigenschappen en de verwikkelingen hebben, blijft onduidelijk: de personages eindigen ten slotte dood en gelukkig in het paradijs. Op zichzelf is die afloop al bevredigend genoeg, maar wat daaraan vooraf gaat is bovendien beslist onderhoudend. De speelstijl hangt in tussen die van Monty Python en van Wim T. Schippers, met veel valpartijen, onzachtzinnige handtastelijkheden en een vreemde aan de hysterie grenzende tekstbehandeling. En of dat nog niet genoeg is, bestaat het decor uit een podiumbrede poster van een boslandschap.