Politieke ruk naar rechts kost Theodorakis fans

ATHENE, 1 AUG. Drie grootscheeps opgezette concerten met werk van Mikis Theodorakis in het kader van het Athene Festival hebben vorige week opvallend weinig publiek getrokken. Schril was het contrast met de jaren voor en na de kolonelsdictatuur, toen men elke keer weer in drommen optrok naar de theaters en stadions waar zijn muziek weerklonk, gretig belust op herkenning van het oude of vol nieuwsgierigheid naar het nieuwe dat hij had geschreven. Angstaanjagend waren vaak de incidenten bij de ingang waar men zich verdrong om binnen te komen, verwarring waaraan alleen de componist zelf met zijn hoge gestalte een eind kon maken, bijvoorbeeld door alle overtolligen op de grond te laten plaatsnemen.

Bij de premiere voor Griekenland van de Zevende Symfonie - vraag niet naar zijn Vierde t-m Zesde, die moeten nog worden geschreven - hoorde ik iemand zeggen: er zijn meer uitvoerenden dan luisteraars. Dat was wat overdreven, maar het ontliep elkaar niet veel. Nog geen duizend getrouwen, waarvan dan nog de helft toeristen, waren naar het Herodes Atticus-openluchttheater gekomen om de anderhalf uur durende Lentesymfonie, grotendeels op tekst van de dichter Jannis Ritsos, te horen, gebracht door solisten, koor en orkest van de Griekse Radio-omroep.

Theodorakis' 'levensmotief' fa-mi-re domineert weer het zeer lange en weinig aansprekende eerste deel. Hoewel de Finale wordt beheerst door een lyrische en typisch Theodorakiaanse melodie, was er na afloop niet meer dan een bedaard applaus, iets dat de componist, onder het publiek aanwezig, nog niet veel vaker moet hebben meegemaakt.

Volgens het Programma van het Athene Festival zou hij later die week twee uitvoeringen van zijn oratorium Canto General dirigeren in hetzelfde theater, maar na deze Zevende liet hij weten dat dit onmogelijk was vanwege een aanval van gordelroos. Dit verhinderde hem niet, als minister mee te gaan met premier Mitsotakis op diens reis naar de Sovjet-Unie, zodat de twee concerten in zijn afwezigheid plaatsvonden, hetgeen een wat spookachtig effect teweegbracht.

Canto General trok wat meer publiek dan de Zevende, misschien ook doordat de toegangsprijzen lager waren. Dit weer dank zij Shell die de concerten sponsorde - een pikant fenomeen, gezien het feit dat mede-multionational United Fruit Company in de zeer linkse tekst van de Chileen Pablo Neruda geheel onderuit wordt gehaald.

Maar de opkomst was toch nog altijd bedroevend klein in vergelijking met de eerste uitvoering voor Griekenland die ik in 1976 bijwoonde in het propvolle stadion van Olympiakos. Dat was de tijd dat men niets van Theodorakis wilde missen. Men kende het Spaanstalige werk nog niet; na elk deel was er veel applaus maar men vond het lang - de componist heeft het sindsdien nog langer gemaakt - en men ging flaneren over de atletiekbaan, een omvangrijke, rustige promenade. Ik vond dat prachtig-zuidelijk maar Theodorakis was ontstemd, hij vatte het op als een belediging. Een paar dagen later deed hij het concert over in een kleiner stadion, ook dat liep vol en van deze uitvoering is het schitterende dubbelalbum (een latere Zweedse opname bevalt me veel minder).

Voor mij is Canto General Theodorakis' belangrijkste compositie en ik zou zelfs niet verbaasd zijn als het later zou worden erkend als een van de grootste vocale werken van deze eeuw, maar ik ben natuurlijk wel een ongeneeslijk adept van deze Griek.

Theodorakis heeft weinig gedaan om de ongenade die hem nu deelachtig is geworden te voorkomen. Zijn ruk naar rechts en zijn zitting nemen in het kabinet van Mitsotakis - als minister zonder portefeuille, hetgeen hem ook nog de spotnaam Meneer Zonder oplevert - heeft hem veel linkse vrienden en aanhangers gekost. Bovendien komen er beschuldigingen dat hij deze positie gebruikt om zijn werken uitgevoerd te krijgen op officiele festivals, ook nu er weinig aandacht meer voor is.

Ernstiger was dat hij afgelopen winter, toen de middelbare schooljeugd massaal de schoolgebouwen bezette, partij koos voor zijn collega van onderwijs, die kort daarop moest worden vervangen. Dit heeft hem zowat de hele jeugd gekost, van links tot rechts. De man, wiens liederen werden gezongen tijdens de enigszins vergelijkbare bezetting van de Polytechnische Hogeschool in 1973, besefte niet dat het ook hier om een generatieconflict ging, zonder politieke indoctrinatie.

Maar de meeste vijanden heeft hij gemaakt door op een officieel bezoek aan Ankara een pleidooi te houden voor een Turks-Griekse federatie en het gezamenlijk exploiteren van de olie onder de Egesche Zee.

Hoewel hij al eens eerder dergelijke geluiden had laten horen, stak er nu een zware storm van verontwaardiging op. De socialistische oud-adjunct-minister van buitenlandse zaken Pangalos vond dat hij wegens hoogverraad in de gevangenis moest worden gegooid - een instituut dat hij uit het verleden reeds al te goed kent.

Ook premier Mitsotakis kwam in een moeilijk parket en om hem te ontlasten zei Theodorakis dat het vooralsnog om “visioenen” ging en dat eerst de Cyprus-kwestie moest worden opgelost wilde er enige toenadering tussen de twee landen komen. Hij was geen Turkofiel maar Philhelleen zei hij, maar dat leidde tot nieuw gebrul: was hij dan geen Helleen?

Theodorakis wordt steeds meer een wereldburger. Hij gaat de Olympische hymne voor Barcelona schrijven, hij kan beschikken over een eigen koor in Zweden, hij wordt in Turkije populair in sneller tempo dan hij het indertijd in Griekenland werd. Maar dat laatste leidt weer tot beschuldigingen dat zijn hele optreden “commercieel” is bepaald en gericht op de grammofoonplaten.

De zaak is, dat het voor de 66-jarige Theodorakis een nachtmerrie is bij zijn mede-Grieken uit de gunst te raken. “Niet ik ben veranderd”, zegt hij de laatste tijd, “zij zijn het”.

Voor zijn nieuwe muziek moge dan weinig belangstellig bestaan, Theodorakis' 'klassieke' stukken blijven gehoord worden, zelfs in de kring van zijn ergste vijanden.

Onlangs was er in Patras een grote demonstratie van de PASOK wier leider, Andreas Papandreou, in zijn toespraak de componist-minister andermaal beschuldigde van medeplichtigheid aan 'uitverkoop aan de Turken'. Toen hij klaar was, kwam er muziek uit de luidsprekers. Eerst Orff, waarmee de PASOK een eigen hechte band lijkt te hebben. Maar daarna Theodorakis' meesterwerk 'Mars van de Geest' gezongen door Maria Farandouri (PASOK-afgevaardigde) op tekst van de dichter Sikelianos: “Wij moeten de zon uit het slijk tillen”. Dit heeft Theodorakis in ieder geval bereikt: dat men zich nauwelijks meer realiseert dat deze muziek van hem is. Zij is van de Grieken.