Net om Clifford langzaam dicht

ROTTERDAM, 1 AUG. Het net om Clark M. Clifford, minister van defensie onder president Johnson, vooraanstaand Democraat, advocaat en voorzitter van de raad van commissarissen (chairman) van de grootste bank in Washington, sluit zich langzaam. Steeds moeilijker wordt het voor de 84-jarige Clifford om vol te houden dat hij niet wist dat de BCCI heimelijk een groot belang had in zijn bank, First American Bankshares.

Volgens het accountantsrapport van Price Waterhouse, op grond waarvan de Bank of England begin vorige maand tot sluiting van de BCCI besloot, vormde het belang in de Amerikaanse bank een essentieel onderdeel van allerlei frauduleuze transacties van de BCCI.

Als partner van het gerenommeerde advocatenkantoor Clifford & Warnke speelde Clifford in 1981 een hoofdrol bij de overname van First American, die toen nog Financial General Bankshares heette, door een groep Arabische zakenlieden. De Amerikaanse autoriteiten wilden onder geen beding dat de ongrijpbare BCCI, waarop geen enkele centrale bank een daadwerkelijk toezicht kon houden, First American, of enige andere Amerikaanse bank, zou overnemen. Maar de gerespecteerde Clifford wist de FED, het stelsel van Amerikaanse centrale banken, ervan te overtuigen dat achter de Arabische kopers niet de BCCI stond.

De overname ging door: First American Bankshares, zoals de nieuwe naam van de bank luidde, werd eigendom van de Amsterdamse houdstermaatschappij Credit and Commerce American Investment BV (niet meer dan een brievenbusmaatschappij), die op haar beurt eigendom was van de op Curaao gevestigde Credit and Commerce American Holdings NV (CCAH), die weer in handen was van de groep “prominente figuren uit het Midden-Oosten”. Clifford werd chairman van First American Bankshares, zijn collega Robert Altman bestuursvoorzitter. Ook waren ze respectievelijk voorzitter en secretaris van het bestuur van de Amsterdamse houdstermaatschappij.

Begin dit jaar verschenen er berichten in de Amerikaanse pers dat BCCI wel degelijk aan de touwtjes trok bij First American en dat de aandeelhouders niet meer dan stromannen waren. De FED stelde een onderzoek in en oordeelde dat dat inderdaad het geval was: BCCI moest het onrechtmatig verkregen belang weer afstoten. De vraag wat Clifford wist, en wanneer, bleef vooralsnog onbeantwoord. “Als ik misleid ben, dan ben ik meer in verlegenheid gebracht dan ik ooit in mijn leven heb meegemaakt”, reageerde Clifford. En later:“Ik ben misleid, net als de FED.”

De Bank of England bevestigde de band tussen BCCI en First American vorige maand en kwam met details: de prominente figuren uit het Midden-Oosten waren stromannen voor de BCCI. Ze hadden hun aandelen in de Curaaose houdstermaatschappij gekocht met geld dat de BCCI hen via een renteloze, niet terug te betalen lening had verstrekt.

Bovendien kregen ze een vergoeding voor de hulp die ze BCCI gaven in het verbergen van haar ware rol. Deze stromannnen, onder wie het voormalige hoofd van de Saoedische geheime dienst sjeik Kamal Adham, hadden geen van allen een aandeel dat groter was dan vijf procent, zodat ze hun belang niet hoefden aan te melden. De openbare aanklager van New York, Morgenthau, stelde begin deze week dat BCCI op deze manier 25 procent en mogelijk zelfs 50 procent van de aandelen beheerste. De FED gaat er vanuit dat een aandeelhouder met 25 procent (controlling interest) doorslaggevende invloed heeft op het beleid.

Clifford houdt vol dat hij niet op de hoogte was van het belang van BCCI, en dat de BCCI het beleid van de First American ook nooit bepaald of zelfs ook maar heeft benvloed. De Fed stelt echter in een deze week gepubliceerd rapport dat BCCI wel degelijk betrokken was bij een aantal belangrijke besluiten van de bank, waaronder de overname van de National Bank of Georgia 1986.

Clifford geeft wel toe dat hij regelmatig contact had met de BCCI over de gang van zaken bij First American. Maar, zo stelt hij, dat was omdat BCCI zich uitgaf voor adviseur (en niet meer) van de Arabische aandeelhouders van de Curaaose houdstermaatschappij van First American. En als adviseur moest BCCI op de hoogte worden gehouden.

De contacten van Clifford en zijn collega met BCCI bleven daartoe niet beperkt. Clifford en Altman waren ook nog eens ruim tien jaar de advocaten van BCCI in de Verenigde Staten. Ze coordineerden de verdediging toen de bank in Florida terecht stond wegens het witwassen van drugsgelden - een zaak waarover in 1990 na een schuldbekentenis van BCCI een schikking werd getroffen.En bovendien ontvingen Clifford en Altman een renteloze lening van de BCCI om aandelen in First American te kopen - later verkochten ze het pakketje weer met een winst van 9,8 miljoen dollar.

De Fed en de openbare aanklager van de staat New York blijven de zaak elk vanuit hun eigen invalshoek onderzoeken. In september zal de bankencommissie van het Huis van Afgevaardigden zich over de zaak buigen en hoorzittingen beleggen. Clark Clifford is uitgenodigd om het allemaal nog een keer uit te leggen. De hamvraag blijft of Clifford wist dat BCCI de grote aandeelhouder van zijn bank was.

First American begint door het BCCI-schandaal klanten te verliezen. Geschrokken door de publiciteit komen sommige trouwe spaarders hun tegoeden ophalen, ook al lijkt er geen gevaar dat de bank niet aan zijn verplichtingen zal kunnen voldoen. De Nederlandse ambassade in Washington, die ook een rekening bij de bank heeft, haalt haar geld dan ook niet terug. Een woordvoerder van Buitenlandse Zaken zegt dat daarvoor geen aanleiding is. Ze voegt eraan toe dat Nederlandse ambassades altijd minimale saldi aanhouden, hetgeen ook hier het geval is.